echtscheiding

SCHULDEN EN SCHEIDING … SAMEN UIT, SAMEN THUIS?

10 februari 2019 familierecht, Hedy Bollen

Drie stellen

Drie in gemeenschap van goederen getrouwde stellen. Driemaal echtscheiding. En driemaal dezelfde vraag.

Moet de ene partner in geval van echtscheiding opdraaien voor de schulden van de ander, ongeacht wat voor schulden dat zijn? Is het werkelijk samen uit samen thuis, als je in gemeenschap van goederen bent getrouwd?

Drie verschillende situaties. Denk je mee?

Het studerende duo

Marian1 en Menno1 trouwen in 2015 wanneer ze allebei nog studeren. Ze zijn verliefd, hebben grootse plannen voor de toekomst en willen alles samen delen.

Maar dan … veel sneller dan ze kunnen dromen, slaat het leven toe. Nog geen paar maanden nadat ze elkaar het jawoord hebben gegeven, krijgt Menno een ongeluk en moet lang revalideren. Een zware tijd. Na zijn herstel lijkt Menno veranderd, kan zijn draai niet vinden. Hij maakt met iedereen problemen en komt zelfs in aanraking met de politie. De droom van Marian is kapot. Ze vraagt echtscheiding aan. Bij de scheiding heeft Menno een forse studieschuld bij DUO, want hij is intussen ook gestopt met studeren en in zo’n geval wordt de studielening niet omgezet in een gift.

De vraag: moet Marian na de scheiding de helft van de studieschuld van Menno dragen?

Hun tweede huwelijk

Marian2 en Menno2 trouwen in 2005, het is voor allebei hun tweede huwelijk. Menno is kortgeleden gescheiden van zijn ex, aan wie hij maandelijks een fors bedrag aan partneralimentatie moet betalen. Over hun huwelijksgoederenregime denken Marian en hij amper na, veel te blij dat ze elkaar gevonden hebben.

Maar dan … raakt Menno zijn baan kwijt. Het is crisis op de arbeidsmarkt en het lukt Menno niet om weer aan het werk te komen. Hij voelt zich nutteloos en wordt depressief. Zijn geldzaken laat hij versloffen, of eigenlijk stopt hij die weg, hij kan het allemaal niet meer aan. Zijn relatie met Marian loopt op de klippen en bij de scheiding maken ze ruzie over alles. Menno blijkt intussen een schuld te hebben wegens achterstallige alimentatie aan zijn ex van meer dan € 20.000. Hij vindt dat Marian die voor de helft moet dragen, hij heeft immers zijn uitkering altijd in de gezamenlijke pot gestort.

De vraag: moet Marian de helft van de alimentatieschuld van Menno dragen?

Een flamboyante man

Marian3 en Menno3 trouwen in 2010. Een sprookjeshuwelijk met alles erop en eraan. Menno is een flamboyante man die van een groots leven houdt. Menno werkt hard, verdient goed en na een paar jaar kopen hij en Marian een villa in het Gooi. De villa moet helemaal worden verbouwd, een driejaren plan, maar het wordt prachtig!

Maar dan … staat opeens de recherche voor de deur. Menno wordt opgepakt voor fraude. Hij heeft zijn werkgever voor een paar ton benadeeld door malversaties. Het geld heeft Menno onder meer besteed aan de verbouwing van de villa. Marian is volledig verrast, zij wist nergens van. Menno krijgt straf én moet het bedrag terugbetalen. Marian vraagt de scheiding aan.

De vraag: moet Marian de helft van de fraudeschuld van Menno dragen?

Regels, rechtvaardigheid en muizengaatjes

Rechtvaardigheid

Over de antwoorden op deze vragen kun je lang nadenken. En verhitte discussies voeren. Ik vermoed dat veel mensen extra vragen zouden stellen: hoe zat dat nou precies? Waarom stopte Menno1 met zijn studie? Was het onwil of valt zijn keuze te billijken? En wist Marian3 echt niks van de fraude? Had er bij haar misschien een belletje moeten gaan rinkelen? En die arme Marian2, waarom zou zij in hemelsnaam moeten betalen voor het levensonderhoud van de ex-vrouw van haar partner?!

De hierboven gepresenteerde vragen triggeren ons gevoel voor rechtvaardigheid. Onze ingebouwde antenne voor ieder het zijne. Tit-for-tat.

Maar in dit geval kunnen we ons morele kompas maar beter thuislaten.

Ferme hoofdregel

We hebben hier namelijk te maken met een ferme hoofdregel die al jaren fier overeind staat en nu eens niét is uitgegroeid tot een ingewikkeld netwerk van ja tenzij, nee mits, behoudens indien zus of zo.

Die hoofdregel luidt: in geval van een gemeenschap van goederen worden bij scheiding de bezittingen fiftyfifty verdeeld en de schulden fiftyfifty gedragen. Samen uit, samen thuis!

Er zijn maar twee muizengaatjes die een uitweg bieden als het om de draagplicht voor schulden gaat.

Eerste muizengaatje: verknocht

Verknochte schulden, dat wil zeggen schulden met een hoogstpersoonlijk karakter, vallen niet in de gemeenschap. Maar de categorie hoogstpersoonlijk is ultraklein en voorbeelden zijn er nauwelijks. Tot nu toe zijn alleen schulden ontstaan door onrechtmatig handelen als verknocht bestempeld, waarbij het onrechtmatig handelen op zich lang niet voldoende is om een schuld verknocht te maken. Er moet iets zeer ernstigs of bijzonders aan de hand zijn.

Verknocht beschouwde het Gerechtshof Den Bosch de schadevergoeding die een man moest betalen aan zijn slachtoffer voor het plegen van een zedendelict. De aard en ernst van het delict waren hierbij bepalend.

Hoogstpersoonlijk was volgens de Rechtbank Amsterdam ook de schuld van een man wegens verduistering, gepleegd enkele jaren nadat partijen gescheiden waren gaan leven en waarbij de vrouw niet (ook niet onbedoeld) had meegeprofiteerd van het fraudegeld.

Maar de meeste verwijtbare schulden, zoals een verkeersboete, een fraudeschuld of een gokschuld, worden in beginsel als niet-verknocht en dus als gemeenschapsschuld gezien. Ook schulden waarvan de ander geen weet had en die tijdens de scheiding als een (zure) surprise naar boven ploppen, vallen als regel gewoon in de gemeenschap.

Tweede muizengaatje: redelijkheid en billijkheid

Daarnaast kunnen er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn waardoor het fiftyfifty verdelen van een gemeenschapsschuld redelijkerwijs onacceptabel zou zijn. Er is dan dus wel sprake van een gemeenschapsschuld, maar de draagplicht kan volledig naar een van de (ex)partners worden geschoven. De jurisprudentie laat zien dat er in zo’n geval ook echt iets heel bijzonders aan de hand moet zijn.

Een voorbeeld geeft het arrest van de Hoge Raad uit 2012. De echtgenoten waren in dat geval nog maar heel kort getrouwd, hadden niet of nauwelijks samengewoond en in elk geval geen gemeenschappelijke huishouding gehad. De schulden van de man dateerden van voor het huwelijk en de vrouw kreeg pas weet van deze schulden tijdens de echtscheidingsprocedure. Last but not least, de vrouw had op geen enkele manier meegeprofiteerd van de schulden. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden, zei de Hoge Raad, kan worden afgeweken van fiftyfifty draagplicht.

Een ander voorbeeld is deze zaak bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het ging het om een forse lening die de man – zonder dat de vrouw het wist – met zijn zus was aangegaan, toen partijen al in scheiding lagen en niet meer samenwoonden. De man kon niet laten zien dat hij het geleende geld had besteed aan de gemeenschap, zodat de rechter ervan uitging dat de vrouw niet had meegeprofiteerd van het geld. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden moest de man de schuld volledig dragen.

Terug naar de drie stellen

Oei. Dat ziet er niet rooskleurig uit voor Marian1-2-3. Toch?

Hun verhalen zijn fictief, door mij ingekleurd, maar wel aan de jurisprudentie ontleend. We gaan kijken naar hoe de rechter oordeelde in dit soort gevallen.

De studieschuld

Op 15 januari 2019 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam over de draagplicht van een studieschuld van de man. De vrouw stelde primair dat schuld verknocht was, omdat de man zonder noodzaak was gestopt met zijn studie. En subsidiair dat het volstrekt onredelijk was dat zij de helft zou moeten betalen, gezien alle omstandigheden.

Maar volgens het hof maakt het feit dat de man – mogelijk verwijtbaar – zijn studie niet afmaakte, nog niet dat de schuld verknocht is. Bovendien kende de vrouw het systeem van studiefinanciering, ze studeerde immers zelf ook toen ze trouwde.

Dat partijen maar heel kort hadden samengewoond, telt volgens het hof niet mee, omdat partijen hier niet zelf voor hadden gekozen; de man had een ongeval gehad en moest lange tijd buitenshuis worden verzorgd. Dat de man tenslotte een misstap beging en aan het einde van het huwelijk een gevangenisstraf moest uitzitten, had niks met zijn studieschuld te maken.

Géén zeer uitzonderlijke omstandigheden dus, die een afwijkende draagplicht rechtvaardigden.

Hof ro. 5.4: De enkele stelling dat het aan de man zelf te wijten is dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt, wat daarvan ook zij, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de studieschuld als verknocht aan te merken. (…) Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. Dat partijen een periode niet hebben samengewoond, berust, zo begrijpt het hof, niet op een afspraak tussen partijen, maar is het gevolg van het ongeval dat de man is overkomen en de langdurige verzorging die hij daarna nodig had. De duur van het huwelijk en het niet hebben van een gemeenschappelijke bankrekening zijn niet zulke uitzonderlijke omstandigheden dat deze een afwijking van artikel 1: 100 BW rechtvaardigen. De gevangenisstraf die de man aan het eind van het huwelijk opgelegd heeft gekregen, heeft niets te maken met de studieschuld. Het hof neemt bij dit alles ook in aanmerking dat de vrouw niet heeft betwist dat de man, net zoals zij zelf, studeerde. Evenmin heeft zij een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat gezien het regime waaronder de man valt ten aanzien van zijn van DUO ontvangen studiegelden, deze van meet af aan een lening betreffen die pas op het moment van afstuderen in een gift worden omgezet en dat zij bekend was met dit systeem van studiefinanciering.

De achterstallige partneralimentatie

Op 2 februari 2017 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden over de draagplicht voor achterstallige partneralimentatie. Ook hier stelde de vrouw primair: verknochtheid. En subsidiair: een gelijke verdeling zou volstrekt onredelijk zijn.

Maar het hof ging niet met haar mee. Een schuld wegens partneralimentatie is – kort samengevat – niet bijzonder. Als je bedenkt dat tot nu toe alleen schulden die aan (ernstige) misdrijven kleefden, als verknocht zijn beschouwd, is dat oordeel op zich wel begrijpelijk.

Het hof overweegt vervolgens dat de vrouw wist waar ze aan begon, toen ze in gemeenschap van goederen trouwde. Ze wist dat haar partner een alimentatieplicht had en had volgens het hof dus ook behoren te weten dat dergelijke schulden in de gemeenschap vallen. Dit laatste voelt echt zuur. Ik vermoed dat partneralimentatie nou juist iets is dat gevoelsmatig als hoogstpersoonlijk wordt ervaren.

Hof ro. 5.6: Voor een uitzondering op deze hoofdregel op grond van artikel 1:94 lid 3 BW in verband met verknochtheid is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd – dat deze schuld een hoogstpersoonlijk karakter heeft, dat maatschappelijke opvattingen zich ertegen verzetten dat de schuld in de gemeenschap valt en dat zij in het huwelijk geen voordeel heeft genoten van die schuld – is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de schuld als verknocht aan te merken.’ Ro. 5.7: Wat betreft het subsidiaire standpunt van de vrouw is het hof van oordeel dat dat de vrouw onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die met zich brengen dat in dit geval dient te worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 1:100 BW. De vrouw wist dat de man een onderhoudsplicht had jegens [A.] en door – na een geregistreerd partnerschap – met de man te huwen in gemeenschap van goederen wist zij (dan wel behoorde zij te weten) dat een eventuele schuld wegens achterstallige alimentatie tot de huwelijksgoederengemeenschap zou (gaan) behoren.’

De fraudeschuld

Op 3 oktober 2017 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden over een situatie waarin de man fraude had gepleegd en met dat fraudegeld o.a. de echtelijke woning had verbouwd, terwijl de vrouw van niks wist. We zien de intussen bekende stellingen aan de kant van de vrouw.

Maar ook deze vrouw kreeg van de rechter het lid op de neus. Dat de fraudeschuld niet als verknocht is aangemerkt, is niet verwonderlijk, gezien de stand van de jurisprudentie. Maar de vrouw kreeg het ook niet voor elkaar de man een groter deel van de schuld te laten dragen dan zij. Het hof zei: het enkele feit dat de een iets doet wat niet mag en de ander daarvan geen weet heeft, rechtvaardigt niet een afwijking van de fiftyfifty-regel. Doorslaggevend lijkt vervolgens dat de vrouw (weliswaar onbedoeld maar toch) had meegeprofiteerd van de fraude. Het geld was immers deels in de echtelijke woning gestoken en zodoende in de gemeenschap terecht gekomen.

Dit profijtcriterium valt te begrijpen, althans voor zover het geld of de goederen nog aanwezig zijn tijdens de scheiding. Iedereen kan begrijpen dat het niet de bedoeling is dat de vrouw bij verdeling de helft krijgt van de overwaarde van de woning die is gefinancierd met fraudegeld.

Maar dit criterium geldt ook wanneer het geld weliswaar aan de gemeenschap is besteed, maar intussen foetsie is, denk aan uitgaven voor de huishouding of een vakantie. En dan wordt het wel weer een zuur verhaal voor degene die oprecht van niks wist.

Hof ro. 2.6: Onrechtmatig handelen van één van beide echtgenoten en onwetendheid van de andere echtgenoot rechtvaardigt op zichzelf geen afwijking van artikel 1:100 BW. Daar komt bij dat (…) de verduisterde gelden voor een groot deel zijn besteed aan de bouw van de woning van partijen. Ook de vrouw heeft dit niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de gemeenschap, en dus ook de vrouw, in elk geval in zoverre geprofiteerd heeft van de gelden. Voor zover de verduisterde gelden aan andere doelen zijn besteed is niet voldoende onderbouwd en niet komen vast te staan dat de gemeenschap – en dus ook de vrouw – niet geprofiteerd heeft van het handelen van de man.

Snoeihard

Dus ja, als Loes 1, 2 en 3 hun zaak aan de rechter zouden voorleggen, zouden ze waarschijnlijk alle drie het lid op de neus krijgen.

De zakelijke kant van het huwelijk kan snoeihard uitpakken.

Handdoek in de ring?

Betekent dit nou dat iedereen die bij scheiding wordt geconfronteerd met een dubieuze schuld van zijn of haar ex meteen de handdoek in de ring moet werpen?

Nou nee. Ten eerste scheiden veel mensen via overleg, door samen – met hulp van een advocaat of mediator – afspraken te maken zonder dat de rechter eraan te pas komt. En in onderling overleg kan een afwijkende draagplicht worden afgesproken. Laat dergelijke afspraken wel fiscaal controleren.

Wie toch bij de rechter terecht komt, kan altijd proberen te laten zien dat zijn situatie zeer uitzonderlijk is. Daarvoor moet wel een uitgebreid verhaal worden verteld; de rechter moet voldoende bijzondere feiten en omstandigheden aangereikt krijgen om de afslag naar het muizengaatje te kunnen nemen.

Beperkte gemeenschap

In de voorbeelden van Marian-Menno ging het om huwelijken van voor 2018. Sinds 2018 geldt een gewijzigd huwelijksgoederenregime. Mensen die nu trouwen en geen huwelijkse voorwaarden afspreken, zijn automatisch in een beperkte gemeenschap van goederen getrouwd. Dat betekent dat bezittingen én schulden die er vóór het huwelijk al waren, sowieso buiten de gemeenschap vallen. Dat kan de pijn soms verzachten.

Maar voor de schulden die wel in de gemeenschap vallen, blijft het regime van de hoofdregel en de muizengaatjes onverkort gelden.

Moraal van dit verhaal

Laat je goed voorlichten als je gaat trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaat. En als je trouwt in een (beperkte) gemeenschap van goederen, realiseer je dat de financiële zaken van je partner ook jouw zaken zijn.

We kunnen (gelukkig) niet alles dichttimmeren in het leven, maar soms zijn dingen misschien te voorkomen door iets meer aandacht te besteden aan de zakelijke kant van het huwelijk. Een kant die weinig romantisch is, maar wel snoeihard kan uitpakken.


Met dank aan Hanneke Moons voor haar input.

Lees ook: schulden bij scheiding I – de algemene regels bij een volledige gemeenschap van goederen.

Lees ook: schulden bij scheiding II – de algemene regels bij een beperkte gemeenschap van goederen.