Schulden en scheiding: de verdeling van gemeenschapsschulden

24 maart 2021 familierecht

De verdeling van gemeenschapsschulden bij scheiding

Een harde hoofdregel

Wanneer echtgenoten zijn getrouwd in gemeenschap van goederen [i], moeten bij echtscheiding niet alleen de bezittingen maar ook de schulden van de gemeenschap worden verdeeld. De hoofdregel voor de verdeling is eenvoudig: de bezittingen worden bij helfte verdeeld en de schulden bij helfte gedragen, tenzij bij huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant afwijkende afspraken zijn gemaakt.[ii]

In beginsel is het dus samen uit samen thuis bij een goederengemeenschap.

De fiftyfifty-verdeling van de schulden kan hard uitpakken en niet zelden komt een van de echtgenoten voor onaangename verrassingen te staan. Hij of zij heeft echter wel een paar opties om zich tegen de gelijke verdeling te verweren. Die opties zal ik hieronder bespreken.

Vooraf: welke schulden vallen in de gemeenschap?

Bij een volledige gemeenschap van goederen vallen in beginsel alle schulden van de echtgenoten in de gemeenschap, ook de voorhuwelijkse schulden. Het maakt niet uit op wiens naam de schulden staan. Niét in de gemeenschap vallen privéschulden. Privéschulden zijn schulden gerelateerd aan privévermogen, bijvoorbeeld de hypotheek op een vakantiewoning, gekocht met een erfenis verkregen onder uitsluitingsclausule. Ook zogenaamde verknochte schulden vallen niet in de gemeenschap; deze worden hieronder besproken.

Bij een beperkte gemeenschap van goederen vallen alleen de schulden tijdens het huwelijk ontstaan en de schulden die vóór het huwelijk door partijen samen zijn aangegaan, in de beperkte gemeenschap. Ook hier geldt dat privéschulden en verknochte schulden buiten de gemeenschap vallen.

Vooraf: onderscheid tussen aansprakelijkheid en draagplicht

Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de aansprakelijkheid en draagplicht.

Aansprakelijkheid geldt ‘naar buiten toe’: het betreft de relatie met de schuldeiser(s). Bij echtscheiding worden de echtgenoten op het moment dat de gemeenschap wordt ontbonden, automatisch hoofdelijk aansprakelijk voor álle gemeenschapsschulden, dus ook voor de schulden die de ander is aangegaan.[iii]

De draagplicht betreft de onderlinge relatie tussen de (ex)echtgenoten. Zoals gezegd geldt bij een gemeenschap van goederen als hoofdregel een fiftyfifty draagplicht.

Aansprakelijkheid laat de draagplicht onverlet, en omgekeerd.

Eerste uitzondering op de fiftyfifty verdeling: verknochte schulden

Verknochte schulden zijn schulden die vanwege hun hoogstpersoonlijke karakter buiten de gemeenschap vallen. Verknochte schulden hoeven daarom niet te worden verdeeld en komen volledig voor rekening van degene die de schuld aangaat. De categorie hoogstpersoonlijke schulden is echter ultraklein en voorbeelden zijn er nauwelijks. Tot nu toe zijn alleen schulden die zijn ontstaan door onrechtmatig handelen als verknocht bestempeld, waarbij het onrechtmatig handelen op zich allerminst voldoende was om een schuld als verknocht aan te merken. Voor dat laatste moet iets zeer ernstigs of zeer bijzonders aan de hand zijn.

Als verknocht beschouwde het Gerechtshof Den Bosch de schadevergoeding die een man moest betalen aan zijn slachtoffer voor het plegen van een zedendelict. De aard en ernst van het delict waren hierbij bepalend.

Hoogstpersoonlijk was volgens de Rechtbank Amsterdam ook de schuld van een man wegens verduistering, gepleegd enkele jaren nádat partijen gescheiden waren gaan leven en waarbij de vrouw niet (ook niet onbedoeld) had meegeprofiteerd van het fraudegeld.

Maar de meeste verwijtbare schulden, zoals een verkeersboete, een fraudeschuld of een gokschuld, worden in beginsel als niet-verknocht en dus als gemeenschapsschuld gezien. Ook schulden waarvan de ander geen weet had en die tijdens de scheiding als een (zure) surprise komen bovendrijven, vallen als regel gewoon in de gemeenschap.

Tweede uitzondering op de fiftyfifty verdeling: de redelijkheid en billijkheid

De redelijkheid en billijkheid kunnen een corrigerende werking hebben en zodoende nopen tot een andere verdeling van een of meerdere schulden. Tot 1 januari 2018 gold dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kon worden afgeweken van de verdeling bij helfte. Na deze datum is er voor de ontbonden gemeenschap met een negatief saldo iets meer lucht gekomen.

Er moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen schulden waar bezittingen tegenover staan en schulden waarbij dat niet zo is.

1. Schulden waar bezittingen tegenover staan

Voor schulden die ‘gedekt’ worden door goederen van de gemeenschap, geldt dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van een fiftyfifty-verdeling, namelijk daar waar dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De schuld blijft wel een gemeenschapsschuld, maar de draagplicht kan volledig naar een van de partners worden geschoven. De jurisprudentie laat zien dat in deze gevallen er daadwerkelijk iets heel bijzonders aan de hand moet zijn.

Een voorbeeld geeft het arrest van de Hoge Raad uit 2012. De echtgenoten waren in dat geval nog maar heel kort getrouwd, hadden niet of nauwelijks samengewoond en in elk geval geen gemeenschappelijke huishouding gehad. De schulden van de man dateerden van voor het huwelijk en de vrouw kreeg pas weet van deze schulden tijdens de echtscheidingsprocedure. Last but not least, de vrouw had op geen enkele manier meegeprofiteerd. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden, zei de Hoge Raad, kan worden afgeweken van fiftyfifty draagplicht.

Een ander voorbeeld is deze uitspraak van  het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het ging hier om een forse lening die de man – zonder dat de vrouw het wist – met zijn zus was aangegaan, op het moment dat partijen al in scheiding lagen en niet meer samenwoonden. De man kon niet laten zien dat hij het geleende geld had besteed aan de gemeenschap, zodat de rechter ervan uitging dat de vrouw niet had meegeprofiteerd van het geleende geld. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden moest de man de schuld volledig dragen.

Een recent voorbeeld tenslotte is deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag. In deze zaak deed de man slechts enkele maanden voor de scheiding een forse belegging in bitcoins van een dubieuze aanbieder, onder meer met geld dat hij had geleend van zijn ouders. De vrouw wist nergens van: niet van de lening en niet van de belegging. De man werd slachtoffer van zgn. brokerfraude en raakte zijn volledige belegging kwijt. Ook hier vond de rechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de vrouw de helft van de lening moest dragen.

2. Schulden waar géén bezittingen tegenover staan

Per 1 januari 2018 is artikel 1:100 BW gewijzigd. De wijziging houdt in dat de rechter gemakkelijker tot een afwijkende draagplicht kan beslissen, indien en voor zover het saldo van de ontbonden gemeenschap negatief is, namelijk daar waar uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een afwijkende verdeling voortvloeit.[iv]

In de parlementaire geschiedenis zijn als voorbeeldeen genoemd de echtgenoot die buiten medeweten van de ander veel schulden is aangegaan en hij of zij die schulden is aangegaan om onverantwoorde uitgaven te doen.

Een recent voorbeeld van deze minder zware redelijkheidstoets is de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2020. De gemeenschap had een negatief saldo. De vrouw kon onderbouwen dat de man veel schulden was aangegaan zonder dat zij het wist en dat hij een deel van de administratie voor haar verborgen had gehouden. De man stelde dat de vrouw had meegeprofiteerd van het geld, maar kon dat niet onderbouwen.

De harde hoofdregel: een greep uit de jurisprudentie

Dat de hoofdregel hard kan uitpakken laten de voorbeelden hieronder zien.

In de zaak waarover het Gerechtshof Amsterdam moest oordelen, had de man een voorhuwelijkse studieschuld die in de gemeenschap was gevallen. Kort na het huwelijk kreeg de man een ongeluk, waardoor hij langdurig buitenshuis moest worden verpleegd. Hij maakte zijn studie niet af – terwijl dat prima had gekund, volgens vrouw – en raakte, eenmaal hersteld, op het slechte pad. Dit alles was volgens het niet bijzonder genoeg om studieschuld als verknocht te bestempelen of af te wijken van gelijke draagplicht.

Hof ro. 5.4: De enkele stelling dat het aan de man zelf te wijten is dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt, wat daarvan ook zij, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de studieschuld als verknocht aan te merken. (…) Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. Dat partijen een periode niet hebben samengewoond, berust, zo begrijpt het hof, niet op een afspraak tussen partijen, maar is het gevolg van het ongeval dat de man is overkomen en de langdurige verzorging die hij daarna nodig had. De duur van het huwelijk en het niet hebben van een gemeenschappelijke bankrekening zijn niet zulke uitzonderlijke omstandigheden dat deze een afwijking van artikel 1: 100 BW rechtvaardigen. De gevangenisstraf die de man aan het eind van het huwelijk opgelegd heeft gekregen, heeft niets te maken met de studieschuld. Het hof neemt bij dit alles ook in aanmerking dat de vrouw niet heeft betwist dat de man, net zoals zij zelf, studeerde. Evenmin heeft zij een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat gezien het regime waaronder de man valt ten aanzien van zijn van DUO ontvangen studiegelden, deze van meet af aan een lening betreffen die pas op het moment van afstuderen in een gift worden omgezet en dat zij bekend was met dit systeem van studiefinanciering.

In de zaak waarover het hof Arnhem-Leeuwaarden zich moest buigen, ging het om een echtpaar dat op latere leeftijd trouwde. Beiden waren eerder getrouwd geweest en de man moest een fors bedrag aan partneralimentatie aan zijn ex betalen. Ook het tweede huwelijk liep op de klippen: de man raakte zijn baan kwijt, werd depressief en liet zijn geldzaken versloffen. Bij de scheiding had hij een schuld van meer dan € 20.000 wegens achterstallige partneralimentatie en was van mening dat de vrouw die voor de helft diende te dragen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden gaf de man gelijk: een schuld wegens achterstallige partneralimentatie niet verknocht is en de omstandigheden waren niet bijzonder genoeg om af te wijken van een gelijke draagplichtverdeling.

Hof ro. 5.6: Voor een uitzondering op deze hoofdregel op grond van artikel 1:94 lid 3 BW in verband met verknochtheid is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd – dat deze schuld een hoogstpersoonlijk karakter heeft, dat maatschappelijke opvattingen zich ertegen verzetten dat de schuld in de gemeenschap valt en dat zij in het huwelijk geen voordeel heeft genoten van die schuld – is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de schuld als verknocht aan te merken.’ Ro. 5.7: Wat betreft het subsidiaire standpunt van de vrouw is het hof van oordeel dat dat de vrouw onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die met zich brengen dat in dit geval dient te worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 1:100 BW. De vrouw wist dat de man een onderhoudsplicht had jegens [A.] en door – na een geregistreerd partnerschap – met de man te huwen in gemeenschap van goederen wist zij (dan wel behoorde zij te weten) dat een eventuele schuld wegens achterstallige alimentatie tot de huwelijksgoederengemeenschap zou (gaan) behoren.’

In de zaak die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden ging het om een man die gelden van zijn werkgever had verduisterd en met deze gelden de verbouwing van de echtelijke woning had bekostigd. De werkgever ontdekte de fraude en de man moest alles terugbetalen. De vrouw wist niets van de fraude van de man. De man vond dat de vrouw moest opdraaien voor de helft. Het hof gaf de man gelijk: de fraudeschuld was niet verknocht en een gelijke verdeling was niet onredelijk. Een belangrijke overweging was dat de vrouw had ‘meegeprofiteerd’ van de fraude, omdat het geld was besteed aan de gezamenlijke woning.

Hof ro. 2.6: Onrechtmatig handelen van één van beide echtgenoten en onwetendheid van de andere echtgenoot rechtvaardigt op zichzelf geen afwijking van artikel 1:100 BW. Daar komt bij dat (…) de verduisterde gelden voor een groot deel zijn besteed aan de bouw van de woning van partijen. Ook de vrouw heeft dit niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de gemeenschap, en dus ook de vrouw, in elk geval in zoverre geprofiteerd heeft van de gelden. Voor zover de verduisterde gelden aan andere doelen zijn besteed is niet voldoende onderbouwd en niet komen vast te staan dat de gemeenschap – en dus ook de vrouw – niet geprofiteerd heeft van het handelen van de man.

Nota bene: het is belangrijk te bedenken dat zaken over gemeenschappen die vóór 1 januari 2018 zijn ontbonden, onder de huidige regelgeving anders worden beoordeeld, indien en voor zover de betreffende gemeenschap een negatief saldo zou hebben.

Conclusie

De hoofdregel is dat echtgenoten na scheiding allebei de helft van de gemeenschapsschulden moeten dragen. Dat kan soms hard uitpakken voor degene die de schuld(en) niet zelf is aangegaan. Een echtgenoot kan zich verweren tegen een fiftyfifty verdeling door te stellen dat de schuld verknocht is aan de andere echtgenoot en/of dat verdeling bij helfte onredelijk is.

Tot nu toe zijn alleen schulden ontstaan door ernstig onrechtmatig handelen als verknocht aangemerkt.

Daar waar de schulden ‘gedekt’ worden door bezittingen is er weinig ruimte voor correctie door de redelijkheid en billijkheid. Heeft de gemeenschap een negatief saldo, dan is de redelijkheidstoets minder zwaar.


Deze blog is een geactualiseerde versie van Schulden en scheiding: samen uit samen thuis? uit 2019.

[i] Waar in deze blog gesproken wordt over huwelijk/echtgenoten, wordt tevens bedoeld geregistreerd partnerschap/geregistreerde partners.

[ii]  Artikel 1:100 lid 1 BW: De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

[iii] Artikel 1:102 BW:Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3. De rechtsvordering tot voldoening van de in de tweede volzin bedoelde schuld verjaart tegelijkertijd met de rechtsvordering tegen de echtgenoot, in wiens persoon de in die volzin bedoelde gemeenschapsschuld is ontstaan.

[iv] Artikel 1:100 lid 2 BW: Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. Zie ook Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:636.