Tag: verdeling woning

Verdeling woning bij samenlevers zonder contract

13 juni 2021 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Verdeling woning bij samenlevers zonder contract

Verdeling woning bij samenlevers zonder contract

Sommige samenlevers kopen samen een woning zonder goede afspraken met elkaar te maken. Bij een scheiding kunnen dan forse discussies ontstaan. Want hoe moet de woning worden verdeeld? In deze blog worden drie uitspraken van rechters besproken, die laten zien dat er geen eenduidige lijn bestaat in dit soort zaken.

Samenlevers zonder contract

Veel mensen gaan samenwonen zonder samenlevingscontract.[i] Sommigen kopen samen een woning, waarbij het kan voorkomen dat de een méér geld in de woning investeert dan de ander, alweer zonder nadere afspraken te maken. Bijvoorbeeld: de een betaalt een deel van de aankoop met eigen middelen of de ander betaalt een latere verbouwing. In zo’n situatie bestaat de kans dat later forse problemen ontstaan. Immers, de liefde kan overgaan en dan moet de woning worden verdeeld. De vraag is: wat gebeurt er op zo’n moment met de investeringen van partijen, bestaat er recht op teruggaaf?

Wettelijk kader voor samenlevers

De eerste vraag is: welke wettelijke regels gelden er eigenlijk voor (informeel) samenwonenden? Ik doel hier met name op de kwestie waarover lange tijd discussie is gevoerd, namelijk of je de regels voor echtgenoten en geregistreerd partners analoog mag toepassen op samenlevers.[ii] Intussen heeft de Hoge Raad op 10 mei 2019 het antwoord gegeven en dat luidt: neen. Dit betekent dat de wettelijke vergoedingsrechten van de artt. 1:87 en 1:95 BW niet (analoog) gelden voor samenlevers en dat samenlevers zijn aangewezen op het algemene verbintenissenrecht van Boek 6 BW.

Daarnaast is van belang dat bij gezamenlijke aankoop van een woning een eenvoudige gemeenschap ontstaat, zodat in dat geval ook de regels van titel 7 afdeling 1 van Boek 3 BW van toepassing zijn. De redelijkheid en billijkheid uit het verbintenissenrecht, gelden uitdrukkelijk ook tussen deelgenoten van een gemeenschap.[iii]

Ik beperk me in deze blog tot die gevallen waarbij sprake is van een gezamenlijke woning, zodat we met Boek 6 en Boek 3 te maken hebben.

Zaak 1: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 6 maart 2018

De eerste zaak die ik bespreek, speelde bij het hof ‘s-Hertogenbosch.

Twee samenlevers gingen na een jarenlange, ongeregelde samenleving uit elkaar en waren samen eigenaar van een woning. De woning was betaald met een hypotheek op beider naam en daarnaast met een zeer aanzienlijk bedrag (het ging om tonnen) eigen middelen van de man. De man wilde de woning overnemen en eiste bij verdeling zijn volledige investering terug. Omdat de woning op dat moment een forse onderwaarde had – en de investering van de man dus verliesgevend was – eiste de man dat de vrouw hem de helft van zijn verlies betaalde.

Het hof oordeelde dat de man in beginsel recht had op teruggaaf van zijn volledige investering en verwees daarvoor naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat wanneer partijen een gemeenschappelijk goed met ongelijke investeringen hebben verkregen, dit niet betekent dat hun aandeel in het goed niet gelijk is. Wél hebben de deelgenoten bij verdeling eerst recht op vergoeding van hun investering uit de gemeenschap en vervolgens hebben ze allebei recht op de helft van de overwaarde. In de casus van de Hoge Raad ging het om een bijzondere gemeenschap tussen echtgenoten. Maar, overwoog het Hof, de Hoge Raad heeft uitleg gegeven over art. 3:166 BW en die bepaling geldt voor álle gemeenschappen, daarom mag je deze uitspraak ook toepassen op samenlevers met een eenvoudige gemeenschap.[iv]

Bij de Hoge Raad ging het om een woning met overwaarde, in de casus bij het hof was echter sprake van onderwaarde. Wanneer je de redenering van de Hoge Raad over de overwaarde – partijen hebben een gelijk aandeel in het goed, daarom moet de overwaarde fiftyfity worden verdeeld – zou toepassen op onderwaarde, dan zou de ene partij bij verdeling de helft van het verlies van de ander moeten betalen. Maar daar ging het hof niet in mee. Delen in de winst is iets anders dan delen in het verlies, vond het hof. De man had geïnvesteerd met privévermogen zonder afspraken te maken met de vrouw. Het verliesrisico kon hij daarom niet op haar afwentelen.

Het hof ’s-Hertogenbosch heeft deze lijn, waarbij wordt aangehaakt bij de uitspraak van de Hoge Raad uit 2006, herhaald in o.a. zijn uitspraak van 23 juli 2019.

In een eerdere blog heb ik de casus bij het hof uitgebreid omschreven.

Zaak 2: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 mei 2021

De tweede zaak betreft een zeer recente uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden.

Twee informeel samenwonenden kochten samen een woning. De woning werd betaald met een hypotheek op beider naam en daarnaast met ca. € 13.000 spaargeld van de man. De relatie eindigde zeven jaar later en bij verdeling eiste de man zijn privéinvestering terug. Aangezien de woning op dat moment onderwaarde had, vond hij dat de vrouw hem de helft van zijn verlies moest betalen.

De rechtbank wees de vordering van de man toe. Maar de vrouw ging in hoger beroep en het hof koos voor een andere route. Het hof begon met de overweging dat een eenvoudige gemeenschap geen afgezonderd vermogen is en dat gemeenschapsschulden niet op de gemeenschap kunnen worden verhaald. Er kan dus uitsluitend een vergoedingsrecht jegens de andere partij ontstaan, aldus het hof.

Vervolgens overwoog het hof dat partijen – bij gebrek aan andersluidende afspraken – de woning elk voor de onverdeelde helft hebben gekocht en dat zij zodoende hoofdelijk aansprakelijk en elk voor de helft draagplichtig waren voor de koopprijs van de woning. Omdat de man meer dan de helft van de koopprijs betaalde, ontstond op dat moment een regresvordering op de vrouw. Die regresvordering werd, alweer bij gebrek aan andersluidende afspraken, direct opeisbaar en dergelijke vorderingen verjaren na verloop van vijf jaren. En zodoende was vordering van de man verjaard.[v]

De man stelde dat partijen dit niet zo hadden bedoeld en deed een beroep op de redelijkheid en billijkheid, maar het hof passeerde die stellingen met de overwegingen dat de man afspraken had kunnen maken met de vrouw over (de opeisbaarheid van) zijn vordering. Dat hij dat niet had gedaan, kwam voor zijn risico.[vi]

Zaak 3: Gerechtshof Den Haag 10 december 2019

Ook in de derde zaak, die speelde bij het hof Den Haag, ging het om samenlevers zonder samenlevingscontract die samen een woning hadden gekocht.[vii] De man had een groter aandeel van de koopprijs betaald en bovendien met eigen middelen een ingrijpende verbouwing gefinancierd. Hun samenleving eindigde vele jaren later en toen de woning moest worden verdeeld, eiste de man de helft van zijn totale investering op bij de vrouw. De vrouw beriep zich (onder meer) op verjaring.

Over de investering bij aankoop oordeelde het hof als volgt. Iedere deelgenoot moet conform zijn aandeel bijdragen in de kosten van de woning. En omdat beiden voor de helft eigenaar waren en de man meer had bijgedragen dan de vrouw, had hij een vorderingsrecht op haar voor de helft van het meerdere.[viii]

De man kreeg ook een regresrecht voor de helft van de verbouwingskosten. Daartoe overwoog het hof dat de man had geïnvesteerd in een gezamenlijke woning en dat die investering zodoende ook het aandeel van de vrouw ten goede was gekomen.

Tenslotte was de vordering van de man niét verjaard, want – zei het hof – de rechtsverhouding tussen partijen brengt met zich mee dat de vordering van de man pas bij verdeling van de woning opeisbaar was geworden. De verjaringstermijn was dus pas bij verdeling gaan lopen. [ix]  Aardig te vermelden is dat de rechtbank tot hetzelfde resultaat was gekomen, maar op andere gronden. De rechtbank oordeelde dat de vordering op het moment van investeren opeisbaar was geworden, maar paste vervolgens de verjaringsregels voor echtgenoten en geregistreerde partners analoog toe op deze samenlevers. Zoals bekend heeft de wet gehuwden en geregistreerd partners geholpen met een verlengde verjaringstermijn tot zes maanden na ontbinding van het huwelijk of het partnerschap, juist om een potentiële bron van onrust tijdens de relatie te elimineren. Maar het hof overwoog expliciet dat de uitspraak van de rechtbank op dit punt niet juist is.[x]

Verdeelde rechtspraak

Wat kunnen we van deze uitspraken leren? Ik ga proberen antwoord te geven aan de hand van de volgende twee vragen.

Vraag 1: Heeft de partij die met eigen middelen heeft geïnvesteerd in de aankoop of verbouwing van een gezamenlijke woning recht op teruggaaf of regres en zo ja, wat is de grondslag van dat recht?

In alle drie uitspraken zien we dat er in beginsel recht is op volledige teruggaaf of regres. Echter, de grondslag voor dit recht verschilt.

Volgens het hof ’s-Hertogenbosch (zaak 1) heeft de partij die (meer) heeft geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed bij verdeling een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap, een en ander overeenkomstig de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2006, want dat arrest mag volgens het hof ook worden toegepast op de eenvoudige gemeenschap. Als het vergoedingsrecht niet (volledig) uit de gemeenschap kan worden voldaan, is er niet automatisch recht jegens de andere partij op vergoeding van de helft van het verlies.

Volgens het hof Arnhem-Leeuwarden (zaak 2) kan er bij een eenvoudige gemeenschap geen vergoedingsrecht jegens de gemeenschap bestaan, omdat de eenvoudige gemeenschap geen afgescheiden vermogen is, maar ontstaat er (alleen) een vorderingsrecht jegens de andere partij, gebaseerd op het gelijke aandeel in het goed en zodoende een gelijke draagplicht voor de koopprijs (art. 6:10 BW).

Ook het hof Den Haag leidt een gelijke bijdrageplicht voor de koopprijs af uit een gelijk aandeel in de woning. Het regresrecht voor de verbouwingskosten lijkt eveneens te zijn gebaseerd op die gelijke bijdrageplicht. In beide gevallen ontstaat er een vorderingsrecht jegens de andere partij.

We kunnen in elk geval concluderen dat het recht op teruggaaf of regres ontstaat, omdat er wordt geïnvesteerd in een gemeenschappelijke woning. Een partner die investeert in de woning van de ander, heeft een veel meer onzekere positie (zie Hoge Raad 10 mei 2019).

Het recht op teruggaaf of regres is er in beginsel. Het kan immers zijn dat partijen stilzwijgend iets anders hebben afgesproken of dat sprake van een natuurlijke verbintenis om dat recht niet geldend te maken. De vrouw in zaak 1 deed een beroep op deze rechtsfiguren en werd in eerste instantie door de rechtbank in het gelijk gesteld.

Vraag 2: Wanneer wordt het recht op teruggaaf of regres opeisbaar en wanneer verjaart het?

Een geldvordering verjaart normaal gesproken vijf jaar nadat deze opeisbaar is geworden (art. 3:308 BW) Voor gehuwden en geregistreerd partners geldt een verlengde verjaringstermijn tot zes maanden na de scheiding (art. 3:321 BW).

Het hof Arnhem-Leeuwaarden (zaak 2) koos voor een strakke benadering. De (regres)vordering op de andere partij werd opeisbaar op het moment van ontstaan en verjaarde na vijf jaar.

Het hof Den Haag (zaak 3) keek naar de rechtsverhouding tussen samenlevers en vond daarom dat de vordering pas bij verdeling opeisbaar werd. Soms wordt in de rechtspraak de verlengde verjaringstermijn voor gehuwden en geregistreerd partners analoog toegepast op samenlevers, zoals ook de rechtbank dat deed in deze zaak. De kans dat rechters dit blijven doen, is wellicht kleiner geworden na het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2019, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de titels 6-8 van Boek 1 BW niet analoog mogen worden toegepast op samenlevers. De regels voor verjaring staan echter niet in Boek 1, maar in Boek 3. Voor analoge toepassing lijkt dus nog steeds ruimte.

Het hof ’s-Hertogenbosch (zaak 1) hoefde zich over de vraag niet uit te laten,

Wat is redelijk?

Los van ingewikkelde regels en grondslagen heb ik mij afgevraagd: wat zou nou een redelijke uitkomst zijn in dit soort gevallen?

Is het redelijk dat iemand die investeert in een gezamenlijk woning (of enig ander goed) gedurende vijf jaar een volledig recht op regres geldend kan maken en dat dit recht daarna is verdampt? Anders gezegd, is de strakke, alles-of-niets lijn van het hof Arnhem-Leeuwarden redelijk? Ik denk: neen.

In de praktijk zal het doorgaans zo zijn, dat de ene partij bij aankoop van een woning over vermogen beschikt en de ander nu juist niet of minder. Ligt het in zo’n situatie niet meer voor de hand om uit te gaan van een (stilzwijgende) afspraak over een ongelijke draagplicht voor de koopprijs? Dat sluit ook aan bij de omstandigheid dat degene die niet of minder heeft geïnvesteerd, veelal ook later de middelen niet zal hebben om (bij) te betalen.

Mij lijkt het redelijk dat de investerende partij bij verdeling van de woning in beginsel recht heeft op nominale teruggaaf van zijn investering uit de gemeenschap. De Hoge Raad heeft hiervoor een mooie, eenvoudige, praktische regel neergezet. Die regel impliceert tevens dat verlies (onderwaarde) niet zonder meer op de andere partij kan worden afgewenteld en ook dat lijkt redelijk. Op deze manier krijgt de partij die geen vermogen had om te investeren, niet plotseling een rekening gepresenteerd die hij of zij niet kan betalen. Dit laatste is in de benadering van het Hof Arnhem-Leeuwarden wél het geval, tenminste als de vordering binnen vijf jaar wordt ingesteld.

Ik begrijp ook niet goed waarom het feit dat een eenvoudige gemeenschap geen afgescheiden vermogen vormt, ertoe moet leiden dat er geen vergoedingsrecht jegens die gemeenschap kan bestaan. De redenering daarachter is, neem ik aan, dat schulden die gerelateerd zijn aan die gemeenschap, niet op de gemeenschap kunnen worden verhaald (maar alleen op de aandelen van de deelgenoten in het goed). Maar is een vergoedingsrecht wegens een investering in de gemeenschappelijk goed wel gelijk te stellen met een schuld? Moet je dat vergoedingsrecht niet zien als een bepaalde onderlinge gerechtigdheid met betrekking tot het goed? En waar loopt het in juridische zin precies spaak wanneer dat vergoedingsrecht wél zou worden aangenomen? Anders gezegd: hoe precies staat dat niet afgescheiden vermogen in de weg aan het ontstaan van een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap?

Ik merk tenslotte nog op dat man in zaak 2 ook bij toepassing van de lijn in zaak 1 vermoedelijk met lege handen zou hebben gestaan, immers, de woning had onderwaarde. Ik denk echter dat het voor een rechtszoekende een groot verschil maakt op welke grond diens vordering strandt: op verjaring waar hij of zij niet op bedacht is geweest of op een verliesrisico dat niet zonder meer op het bord van de ander mag worden gelegd.

Conclusie

De rechtspraak laat een verdeeld beeld zien als het gaat om de verdeling van een eenvoudige gemeenschap bij samenlevers. Die verdeeldheid zien we wel vaker en is het gevolg van de enorme complexiteit van onze regelgeving. Daarnaast is en blijft het recht mensenwerk. Zo beschouwd is het onvermijdelijk dat er regelmatig bugs in het systeem ontstaan in de vorm van onduidelijkheden, leemtes en tegenstrijdigheden.[xi]

Het is essentieel voor de rechtspraktijk dat verdeeldheid over rechtsvragen zo snel mogelijk wordt weggenomen. Met rechtspraktijk bedoel ik niet alleen de zaken die bij een advocaat terecht komen, maar ook de (omvangrijke) mediationpraktijk. Een mediator moet immers (desgevraagd) partijen voorlichten over de juridische contouren van hun scheiding en dat is lastig wanneer een kwestie bij de rechter ‘alle kanten op kan gaan’.

De mogelijkheid bestaat om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De onderhavige problematiek leent zich daarvoor, lijkt mij. Eén van de vragen zou kunnen zijn: geldt de uitspraak van de Hoge Raad uit 2006 ook voor de eenvoudige gemeenschap? En een andere: valt er in zijn algemeenheid iets te zeggen over verjaring bij informeel samenwonenden?

Natuurlijk zal hiermee een zekere onvoorspelbaarheid van de uitkomst in dit soort zaken niet helemaal worden weggenomen. Dat hoeft ook niet. De rechter zal – gelukkig – altijd ruimte houden voor maatwerk op grond van de (tussen deelgenoten en samenlevers geldende) redelijkheid en billijkheid.

Intussen geldt het aloude advies voor samenlevers: zorg alsjeblieft dat je je samenleving goed regelt, zeker wanneer je samen een woning koopt.


In deze blog is zaak 1 uitgebreid omschreven.

[i] Uit een (klein) onderzoek in 2017 blijkt dat meer dan de helft van de samenwonenden geen samenlevingsovereenkomst heeft. Zie Ruim helft samenwonenden heeft geen samenlevingscontract (wijzeringeldzaken.nl)

[ii]  Zie de artt. 87 en 96 Boek 1 BW.

[iii] Artikel 3:166 lid 3 jo. Artikel 6:2 BW.

[iv] “6.6.16 Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW. (…) In zijn arrest van 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU8938, NJ 2007, 395, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen: “3.4.3 (…) Uit art. 3:166 lid 2 vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Wel heeft bij verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privé-vermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Niet geheel uitgesloten is, dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14631, NJ 1992, 651), maar het onderhavige geval biedt – naar tussen partijen ook niet in geschil is – hiervoor geen grond. Hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen van de waarde of, bij vervreemding, van de opbrengst van het goed resteert, komt iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap – en dus niet naar evenredigheid van hetgeen hij ten behoeve van de verkrijging heeft besteed uit zijn privé-vermogen – toe.” Het hof is van oordeel dat voornoemde overweging zich ook leent voor toepassing op het onderhavige geval, nu de bepaling van art. 3:166 BW betrekking heeft op deelgenoten in het algemeen, ongeacht de aard van het deelgenootschap. Het hof verwijst voorts naar de conclusie van AG Rank-Berenschot van 20 december 2013 (m.n. voetnoot 12), ECLI:NL:PHR 2013:2374; conclusie van AG Wissink voor HR 8 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV9539, pt. 2.4.1.”

[v] “5.22 Om te kunnen beoordelen of de vordering van [geïntimeerde] is verjaard zal eerst moeten worden beoordeeld wat de grondslag van de vordering is. Vast staat dat partijen in 2008 de onderhavige woning gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, in eigendom hebben verkregen en dat wat betreft die woning sprake is van een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW. Anders dan bij een bijzondere gemeenschap, zoals een ontbonden huwelijksgemeenschap, omvat een eenvoudige gemeenschap enkel het goed of de goederen die aan de deelgenoten gezamenlijk toebehoren. Het is geen afgezonderd vermogen, en schulden die voor rekening komen van een eenvoudige gemeenschap kunnen niet op goederen van de gemeenschap worden verhaald. Als gevolg van het van toepassing zijn van het algemene vermogensrecht kan dus uitsluitend een vorderingsrecht geldend worden gemaakt jegens de andere partner en niet jegens een dergelijke gemeenschap. (..)”

“5.23Omdat partijen de woning gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, hebben gekocht en zij daar geen afwijkende afspraken over hebben gemaakt, waren zij ten opzichte van de verkoper van de woning hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de voor de verkrijging van de woning verschuldigde koopsom en kosten, waarbij zij in hun onderlinge verhouding ieder verplicht zijn om voor het deel dat hen aangaat, namelijk de helft, in de schuld en in de kosten bij te dragen (artikel 6:10 lid 1 BW). (…) Een en ander brengt mee dat [geïntimeerde] op grond van het bepaalde in artikel 6:10 lid 2 BW op het moment van betaling, 15 februari 2008, jegens [appellante] een regresvordering tot dat bedrag heeft gekregen.”

[vi] “5.25 Het hof gaat daarmee voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat hij de vordering direct na de betaling van de koopsom zou opeisen. De daartoe door [geïntimeerde] gestelde omstandigheden, waaronder dat partijen zonder de inbreng de woning niet zouden hebben kunnen kopen en dat het dan onlogisch is om het bedrag van de inbreng al voor het beëindigen van de relatie op te eisen, zijn daarvoor niet voldoende. [geïntimeerde] had immers met [appellante] afspraken kunnen maken over het moment en de wijze waarop hij jegens [appellante] aanspraak zou kunnen maken op de helft van het door hem ingebrachte bedrag. Uit het proces-verbaal van 23 november 2017 blijkt evenwel dat beide partijen hebben verklaard dat zij niets hebben afgesproken betreffende de woning voor het geval zij uit elkaar zouden gaan. Dat [geïntimeerde] er niet voor heeft gezorgd dat afspraken over de terugbetaling van zijn inbreng zijn gemaakt komt dan ook voor zijn risico.”

[vii] In deze casus sloten partijen een aantal jaren na aankoop van de woning een samenlevingsovereenkomst, maar daarin werden zaken niet of niet goed geregeld.

[viii] “43. (…) De woning betreft een eenvoudige gemeenschap tussen de man en de vrouw. Dit betekent dat iedere deelgenoot conform zijn aandeel in het goed dient bij te dragen in de kosten daarvan. Vaststaat dat partijen ieder voor 50% gerechtigd zijn in het goed.(…)”

[ix] “35 (…) De verbouwing heeft ten voordele gestrekt van het aandeel van de vrouw in de woning. In beginsel dient de vrouw dan ook de helft van de kosten van de verbouwing te dragen. De vraag die beantwoord moet worden is, wanneer de vordering van de man op de vrouw met betrekking tot de verbouwing opeisbaar is geworden. De rechtsverhouding die tussen partijen bestond brengt met zich mee dat, zolang de woning niet is verdeeld de vordering van de man op de vrouw met betrekking tot de verbouwingskosten niet opeisbaar is. Eerst na verdeling van de woning kan de man jegens de vrouw aanspraak maken op zijn vordering in verband met de door hem gestelde verbouwingskosten.”

[x] (…) Op andere gronden dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering van de man op de vrouw met betrekking tot de verbouwingskosten nog niet is verjaard, aangezien de vordering eerst opeisbaar is bij de verdeling van de woning. Wel is het hof met de vrouw van mening dat de regels voor verjaring met betrekking tot echtgenoten of geregistreerde partners niet van toepassing zijn op formeel of informeel samenwonende partners. De grief van de vrouw treft dus geen doel.

[xi] Recente voorbeelden zijn de problemen rondom het  kindgebonden budget en het woonlastenforfait bij kinderalimentatie. Ook kan het erg lang duren voordat een controverse in de rechtspraak wordt beslecht, denk aan de reprise van de consumptief bestede erfenis onder uitsluitingsclausule.

 

 

 

Wegwijzer woonlasten en gebruiksvergoeding na scheiding

12 juli 2020 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wegwijzer woonlasten en gebruiksvergoeding na scheiding

Woonlasten en gebruiksvergoeding na scheiding

Een veelvoorkomende situatie: een stel is samen eigenaar van een woning, die na de scheiding nog een tijdlang onverdeeld blijft. De vraag is hoe de lasten van de woning in zo’n situatie moeten worden verdeeld. Daarover kunnen flinke discussies ontstaan. Deze blog geeft een wegwijzer.

Onverdeelde woning na scheiding

Een veelvoorkomende situatie: een stel is samen eigenaar van een woning, die na de (echt)scheiding nog een tijdlang onverdeeld blijft. Die onverdeeldheid kan allerlei oorzaken hebben: de woning is moeilijk verkoopbaar, staat ‘onder water’, er zijn problemen met de financiering van de overname enzovoort. Een van de ex-partners heeft intussen de woning verlaten, de ander is er blijven wonen. Ze zijn allebei hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek die op de woning rust. De onverdeeldheid kan soms jaren duren.

De vraag is hoe in deze periode de lasten van de woning moeten worden verdeeld en of de vertrokken partij recht heeft op een zogenaamde gebruiksvergoeding wegens het gemiste woongenot. Over die vraag kan nogal wat discussie ontstaan. Begrijpelijk, zoals we straks zullen zien. Daarom moet met enige regelmaat de rechter de knoop doorhakken.

De rechtspraak laat een uiterst casuïstisch beeld zien. Deze blog is bedoeld als hulpmiddel. Als wegwijzer op hoofdlijnen. Stapsgewijs worden de vragen doorlopen die in een dergelijke situatie aan de orde komen.

Vooraf: het wettelijk kader

Wat zijn de wettelijke regels die bepalen wie de woonlasten moet betalen en of de vertrekkende partij een gebruiksvergoeding toekomt? Dit zijn de vier belangrijkste.

Bij gezamenlijk eigendom hebben de eigenaren in beginsel een gelijk aandeel in de woning. Ieder is eigenaar van de (onverdeelde) helft. Dat staat in art. 3:166 BW. Dit geldt ook wanneer hun aandeel in financiering niet gelijk is en een van de eigenaren de woning bijvoorbeeld deels met privévermogen heeft gefinancierd [i]).

Art. 3:169 BW bepaalt vervolgens dat beide eigenaren het recht hebben de woning te gebruiken, tenzij iets anders is afgesproken. Deze bepaling biedt de grondslag voor de zgn. gebruiksvergoeding voor degene die de woning heeft verlaten [ii].

Volgens  art. 3:172 BW moeten beide eigenaren naar evenredigheid van hun aandeel, in beginsel dus de helft, bijdragen in de uitgaven voor de woning. Wat onder uitgaven voor de woning wordt verstaan, zullen we hieronder (bij vraag 3) zien.

Tenslotte bepaalt art. 6:10 BW dat hoofdelijke schuldenaren moeten bijdragen in de aflossing en kosten van die schuld, ieder voor het deel dat hem in hun onderlinge rechtsverhouding aangaat. De onderlinge draagplicht hangt dus af van de omstandigheden van het geval, zoals: hebben partijen (al dan niet stilzwijgend) afspraken gemaakt, aan wie is de tegenwaarde van de schuld ten goede gekomen, is sprake van ongerechtvaardigde verrijking? Pas als de antwoorden op deze vragen géén aanknopingspunten bieden, geldt dat ieder een gelijk deel moet dragen. Een gelijke draagplicht is dus uitdrukkelijk niét de hoofdregel. Art. 6:10 BW is van belang voor de draagplicht van de hypotheekrente.

De redelijkheid en billijkheid zijn uitdrukkelijk van toepassing verklaard op de rechtsverhouding tussen eigenaren (art. 3:166). Dat geeft ruimte voor uitkomsten, waarbij de hoofdregel opzij wordt gezet en alle omstandigheden van het geval meewegen.

Vraag 1: Waren partijen getrouwd of woonden zij samen?

Voor de vragen die in deze blog centraal staan, maakt het geen verschil of partijen getrouwd waren [iii] of samenwoonden. De wettelijke regels die hiervoor zijn genoemd, zijn in beide situaties van toepassing.

Deze vraag is wel van belang voor de ingangsdatum van een (gewijzigde) woonlastenverdeling en de eventuele aanspraak op een gebruiksvergoeding. Tijdens het huwelijk – dat wil zeggen tot de datum van de inschrijving van de echtscheiding – geldt voor gehuwden de plicht om elkaar te verzorgen (art. 1:181 BW) en om naar evenredigheid van hun inkomens bij te dragen in de kosten van de huishouding (art. 1:184 BW). Daarom zal doorgaans de datum van inschrijving van de echtscheiding het ‘kantelpunt’ zijn. Dit kan anders zijn wanneer er vóór die datum al (aantoonbaar) sprake is van financieel gescheiden huishoudens. Bij samenwoners verandert het regime vanaf de datum waarop de samenleving feitelijk wordt beëindigd en partijen financieel gescheiden huishoudens zijn gaan voeren.

Let op: de omstandigheden van het geval en de redelijkheid en billijkheid kunnen leiden tot een andere ingangsdatum. Ik ga daar in deze blog niet verder op in.

Vraag 2: Welke woonlasten moeten worden verdeeld?

Bij een koopwoning kunnen de woonlasten worden onderverdeeld in gebruikerslasten en eigenaarslasten. Gebruikerslasten zijn kosten van gas, water en licht en gemeentelijke gebruikersbelastingen. Ik ga ervan uit dat gebruikerslasten volledig voor rekening komen van degene die de woning bewoont.

Eigenaarslasten zijn de hypotheeklasten en de overige eigenaarslasten (verzekering, gemeentelijke belastingen, onderhoud). Hypotheeklasten zijn vervolgens onder te verdelen in rente en aflossing. Aflossing is feitelijk een investering in de woning. Als een van de eigenaren meer of minder heeft afgelost dan waartoe hij op grond van zijn aandeel in de woning is verplicht, kan dit worden verrekend bij verdeling van de woning (net als een eventuele financiering met privévermogen). Bij gehuwden gebeurt dit op basis van een wettelijk vergoedingsrecht, bij samenwoners op basis van het algemene verbintenissenrecht (HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707). Op de verrekening van de aflossing ga ik verder niet in.

In deze blog gaat het dus om de verdeling van de hypotheekrente en overige eigenaarslasten, gemakshalve verder aangeduid als woonlasten.

Vraag 3: Wie moet na de scheiding (welk deel van) de woonlasten betalen?

Ik ga uit van de meest voorkomende situatie, namelijk dat partijen samen eigenaar zijn van de woning en beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hypotheek.

Op basis van art. 3:166 BW hebben partijen in beginsel een gelijk aandeel in de woning en volgens art. 3:172 BW moet elke partij naar evenredigheid van zijn aandeel bijdragen in de uitgaven voor de woning. In de rechtspraak worden veelal alle eigenaarslasten onder de werking van art. 3:172 gebracht, waardoor als hoofdregel een gelijke (fiftyfifty) verdeling van de woonlasten resulteert.

Sommige rechters oordelen echter dat de hypotheeklasten op basis van een uitspraak van de Hoge Raad uit 1991 [iv] niét als uitgave voor de woning kwalificeren en dat zodoende alleen art. 6:10 BW bepaalt wie welk deel van de hypotheeklasten moet betalen [v]. Maar bij art. 6:10 BW is een gelijke draagkracht nu juist niét het uitgangspunt en moet eerst worden gekeken of er aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling. Bijvoorbeeld: zijn (stilzwijgend) andere afspraken gemaakt, aan wie is de tegenwaarde van de schuld ten goede gekomen, is er wellicht sprake van ongerechtvaardigde verrijking? [vi]

Een voorbeeld van een afwijkende draagkrachtverdeling is de uitspraak van het Hof Den Bosch van 19 december 2019. Dit gerechtshof is van mening dat de hypotheekrente geen uitgave is in de zin van art. 3:172 en oordeelt op basis van art. 6:10 dat de achterblijvende partij volledig draagplichtig is voor de rente, omdat de tegenwaarde daarvan (lees: het woongenot) volledig aan die partij ten goede is gekomen en het daarnaast de bedoeling is geweest dat deze partij de woning zou overnemen [vii].

Een voorbeeld van een strakke fiftyfifty verdeling zien we in de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2018. In deze zaak heeft de man jarenlang alleen het woongenot en betaalt al die tijd de volledige lasten. Zelfs de partneralimentatie die hij betaalt, is daarop gebaseerd. Niettemin oordeelt het Hof op basis van de hoofdregel van art. 3:172 dat de vrouw (met terugwerkende kracht!) de helft van de lasten moet betalen. Maar – en dat is essentieel – dit wordt daarna grotendeels weer rechtgetrokken, omdat de vrouw een gebruiksvergoeding krijgt toegewezen voor een groot deel van die woonlasten.

De laatste uitspraak laat meteen zien dat de gebruiksvergoeding compensatie kan bieden voor de verplichting om de helft van de woonlasten te betalen.

Vraag 4: Heeft de vertrekkende partij recht op een gebruiksvergoeding?

De grondslag voor de gebruiksvergoeding ligt in art. 3:169 BW, dat bepaalt dat beide eigenaren het recht hebben de woning te gebruiken, tenzij iets anders is afgesproken. Het gaat hier om een schadeloosstelling voor het gemis van gebruik en genot van de woning. De vergoeding moet redelijk en billijk zijn.

In de rechtspraak zien we verschillende manieren om de gebruiksvergoeding vast te stellen.

a) Percentage van de overwaarde

De achterliggende gedachte is hier dat de vertrekkende partij geen rendement kan halen uit zijn/haar deel van de overwaarde zolang de woning niet is verdeeld. Bijvoorbeeld: de woning heeft een overwaarde van € 100.000, die elk voor de helft toekomt. De gebruiksvergoeding wordt bepaald op het geschatte rendement van de helft van de overwaarde. Voorheen was een rendementspercentage van 4% gebruikelijk. Nu de rente al jaren laag staat, zien we (terecht!) steeds lagere percentages, van 2,5% naar recentelijk zelfs 0,5%.

b) Deel van de woonlasten

Deze variant zien we doorgaans in de situatie waarin de woning geen (of nog maar kort) overwaarde heeft. De gebruiksvergoeding wordt  gebaseerd op dat deel van de woonlasten dat voor rekening zou komen van de vertrekkende partij, met als resultaat dat de partij die is blijven wonen uiteindelijk de lasten (vrijwel) volledig betaalt.

De vraag die opkomt is of bij woningen met overwaarde a) en b) kunnen worden gecombineerd. Dat wil zeggen dat de vertrekkende partij een gebruiksvergoeding vraagt, bestaande uit én een deel van de woonlasten én het gemiste rendement. Ik zie geen reden waarom dat niet zou kunnen, maar in de rechtspraak ben ik dit als zodanig niet tegengekomen. Wel komt het voor dat een gebruiksvergoeding op basis van de overwaarde wordt toegekend, terwijl vaststaat dat de achterblijvende partij (bijna) alle woonlasten betaalt (bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2019). Maar het omgekeerde komt ook voor (bijv. Gerechtshof Den Bosch d.d. 26 mei 2020).

c) Huurwaarde

Minder vaak wordt de gebruiksvergoeding berekend op basis van de commerciële huurwaarde van de woning. Hier kunnen de feitelijke woonlasten en eventuele overwaarde samen meetellen. Immers, in de huurwaarde zal (ook) de overwaarde tot uitdrukking komen.

Redelijkheid en billijkheid

Essentieel is dat de redelijkheid en billijkheid als rode draad overal doorheen lopen. De omstandigheden van het geval kunnen altijd leiden tot een afwijkende draagplicht en/of een lage of hoge of helemaal geen gebruiksvergoeding. Voorbeelden van omstandigheden zijn: een (groot) verschil in inkomen van partijen, het feit dat de kinderen in woning zijn blijven wonen, de achterliggende reden dat de woning (lange tijd) onverdeeld is gebleven.

Een greep uit de jurisprudentie

Tot slot een aantal uitspraken, die laten zien hoe casuïstisch dit onderwerp is.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 20 april 2017: De man is na zijn vertrek uit de woning een deel van de woonlasten blijven betalen. Zijn verzoek om een gebruiksvergoeding wordt afgewezen op grond van de redelijkheid en billijkheid, o.a. vanwege het lagere inkomen van de vrouw.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 11 juli 2017: De man betaalt na zijn vertrek uit de woning alle woonlasten. De kantonrechter baseert de gebruiksvergoeding voor de vrouw op de helft van het verschil tussen de huurwaarde (vastgesteld op 4% van van de taxatiewaarde) en de woonlasten. Het Hof doet het anders en baseert de gebruiksvergoeding op het geschatte rendement (2,5%) van de overwaarde.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 13 maart 2018: De man is in de woning blijven wonen en betaalt jarenlang alle woonlasten. De partneralimentatie die hij moet betalen is daarop gebaseerd. De vrouw moet echter alsnog de helft bijdragen, maar krijgt daartegenover wel een gebruiksvergoeding. De gebruiksvergoeding wordt bepaald op een groot deel van de woonlasten. De overwaarde telt niet mee, omdat die pas recent is ontstaan.

Rechtbank Den Haag 3 oktober 2018: De man betaalt na zijn vertrek uit de woning alle woonlasten. De kinderalimentatie is daarop gebaseerd. De vrouw heeft een laag inkomen. De gebruiksvergoeding wordt afgewezen op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 19 december 2019: De achterblijvende partij (de vrouw) betaalt vrijwel de volledige woonlasten. Het Hof kent de man een gebruiksvergoeding toe op basis van het geschatte rendement (2%) van de overwaarde. Dat de vrouw nagenoeg de volledige woonlasten betaalt, doet daar volgens het Hof niet aan af.

Gerechtshof Den Bosch d.d. 19 december 2019: De man is in de woning blijven wonen; de vrouw draagt eerst een tijdlang niet bij aan de woonlasten en gaat daarna op basis van een afspraak de helft van de hypotheekrente betalen. De man eist de helft van de hypotheekrente over die eerste periode; de vrouw eist een gebruiksvergoeding over de tweede periode. Het hof oordeelt (uitdrukkelijk niet op basis van art. 3:172 maar op basis van art. 6:10) dat de man alle woonlasten moet betalen en kent de vrouw een gebruiksvergoeding toe voor de helft van de hypotheeklasten. (vgl. Hof Den Bosch d.d. 27 november 2014 waarin het Hof de hypotheekrente nog wel onder de werking van art. 3:172 brengt en op basis van de redelijkheid en billijkheid tot een 1/3 resp. 2/3 verdeling voor alle woonlasten komt.).

Gerechtshof Den Bosch d.d. 26 mei 2020: De man woont jarenlang alleen in de woning, samen met de kinderen, en traineert de verkoop. De vrouw is altijd de helft van de woonlasten blijven betalen. Zij krijgt een gebruiksvergoeding gebaseerd op het geschatte rendement van de overwaarde. De rechtbank neemt 4%. Het hof gaat uit van 0,5%. Het feit dat de kinderen bij de man zijn blijven wonen, telt daarbij mee.

Samenvatting en conclusie

In dit soort kwesties moet eerst de vraag naar de verdeling van de woonlasten worden beantwoord en daarna de vraag of de vertrekkende partij recht heeft op een gebruiksvergoeding.

Sommige rechters oordelen dat de hypotheekrente geen uitgave is in de zin van art. 3:172 BW. Het maakt verschil of de draagplicht aan art. 3:172 BW of enkel aan art. 6:10 BW wordt getoetst. Dat verschil kan worden rechtgetrokken door middel van de beoordeling van de gebruiksvergoeding.

De gebruiksvergoeding kan op verschillende manieren worden berekend. Als er geen overwaarde is, ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de werkelijke woonlasten. Als er wel overwaarde is, kan m.i. de gebruiksvergoeding bestaan uit twee componenten, nl. een schadeloosstelling wegens gemist woongenot (en daarmee een deel van de woonlasten) én wegens gemist rendement. Het is belangrijk dat degene die aanspraak maakt op een gebruiksvergoeding de grondslag daarvan goed stelt en onderbouwt.

De redelijkheid en billijkheid fungeren als vangnet. Maar het oordeel wat in een individueel geval redelijk en billijk is, heeft onvermijdelijk iets subjectiefs en is in die zin niet goed voorspelbaar. De rechtspraak laat dan ook een zeer gevarieerd beeld zien.

Mijn advies aan ex-partners met een onverdeelde woning: maak vooral tijdig duidelijke afspraken met elkaar, zo nodig met de hulp van een mediator. Laat de dingen niet op hun beloop, het risico op discussies en verrassingen achteraf is simpelweg te groot.


[i] HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938: “Uit art. 3:166 lid 2 vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Wel heeft bij verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privé-vermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Niet geheel uitgesloten is, dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14631, NJ 1992, 651), maar het onderhavige geval biedt – naar tussen partijen ook niet in geschil is – hiervoor geen grond.”

[ii] Zie o.a. HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143.

[iii] Waar hier over huwelijk wordt gesproken is mede bedoeld een geregistreerd partnerschap.

[iv] Hoge Raad van 11 oktober 1991, NJ 1992, 600: “Ook echter indien moet worden aangenomen dat de uit die [hypothecaire] leningen verkregen geldmiddelen zijn aangewend ter financiering van de aankoop respectievelijk verbouwing van het gemeenschappelijk pand, brengt dit niet mee dat het aangaan van de leningen kan gelden als een ten behoeve van (onderhoud en instandhouding van) het gemeenschappelijke pand verrichte handeling [in de zin van art. 3:172 BW, hof]. Mocht K. een groter gedeelte van de krachtens die geldleningen verschuldigde bedragen aan rente en aflossing hebben voldaan dan D., dan kan de eventueel uit het door partijen met betrekking tot de leningen overeengekomene voortvloeiende verplichting van D. om ter vereffening van het verschil een betaling aan K. te doen, niet worden aangemerkt als een in het kader van de scheiding en deling van de gemeenschappelijke goederen op het aandeel van D. toe te rekenen schuld.”

[v] Zie bijvoorbeeld Hof Den Bosch 06-03-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:889, Hof Den Bosch 17-12-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4537 en Rechtbank Overijssel 03-07-19, ECLI:NL:RBOVE:2019:2466.

[vi] “Evenmin als in het geldende B.W. nadere bepalingen omtrent de grootte van “zijn aandeel” zijn gegeven, is in de algemene bepaling van het eerste lid [van art. 6:10 BW, hof] nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat hem “aangaat” moet worden vastgesteld. Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden; zo beslist de vennootschapsovereenkomst over de onderlinge bijdrageplicht van de firmanten in de firmaschulden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geven, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.” (Parl. Gesch. Boek 6 (algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht), p. 108).

[vii] Hof Den Bosch 17-12-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4537, ro. 3.11.7: “Wél beslissend is hier dat de tegenwaarde van de schuld (hier: de opgekomen rentetermijnen) de man aldus ten goede is (zijn) gekomen in die zin dat alleen hij het gebruik en genot van de woning heeft gehad. Samen met de omstandigheid dat het steeds de bedoeling is geweest van de man dat hij de woning zou overnemen (cva, pt. 16) en hij ook in de woning wilde blijven wonen, brengen die omstandigheden mee dat de schuld (de rentetermijnen) de man in de onderlinge verhouding met de vrouw volledig aangaan. Hem komt dus geen regresvordering toe voor de periode van 1 september 2011 tot en met november 2014.”

 

alimentatie

Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

14 april 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

Samenwonen zonder contract

Vaak zal het niet voorkomen: twee mensen die jarenlang samenwonen, samen een woning kopen en kinderen krijgen, zónder iets te regelen over hun samenleving. Toch gebeurt het. Zolang de liefde duurt, is er weinig aan de hand. Maar wat als de liefde overgaat en er een scheiding komt? Dan kan het knap lastig worden. Er moet van alles worden verdeeld zonder dat daar afspraken over zijn. Als zo’n zaak – niet verwonderlijk – bij de rechtbank belandt, is het aan de rechter om een open vlakte te bewegwijzeren.

Een ronduit spannende taak, getuige de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 6 maart 2018. Wat we zien langskomen zijn tere maar mooie constructies, zoals de stilzwijgende afspraak en de natuurlijke verbintenis. En bovenal vraag je je als lezer automatisch af: heeft de rechter het goed gedaan? Want wat is in deze rechtvaardig?

De casus: wie krijgt wat?

Een man en vrouw gaan na een relatie van achttien jaar uit elkaar. Ze hebben drie kinderen. De vrouw is na de geboorte van de kinderen gestopt met werken en zorgt fulltime voor het gezin. De man is kostwinner. Ze wonen in een huis dat ze samen hebben gekocht. Het huis is betaald met spaargeld van de man, te weten € 350.000,- en een hypotheek (op beider naam) van € 350.000,-. Bij de hypotheek hoort een spaarpolis, ook op beider naam. De man heeft als kostwinner altijd de woonlasten betaald, waaronder de premie voor de spaarpolis.

En dan komt er een scheiding en moet de woning worden verdeeld. De man wil er blijven wonen en wil dus de helft van de vrouw overnemen. De woning is op dat moment € 550.000,- waard en in de spaarpot zit € 50.000,-. Op de hypotheek is niet afgelost. Ik heb voor het leesgemak ronde bedragen gekozen, de bedragen in de echte casus zijn anders.

Grote vraag: hoe gaat de verdeling er financieel uitzien? Dit koppel heeft namelijk niets geregeld over hun samenleving. Ze zijn niet getrouwd, er is geen partnerschap, er is geen samenlevingscontract, geen testament, helemaal niets. Ze hebben zelfs geen gemeenschappelijke bankrekening.

De stellingen: lijnrecht tegenover elkaar

De stellingen van de man en de vrouw staan diametraal tegenover elkaar. De man zegt: wij hebben bewust niks geregeld en onze financiën altijd gescheiden gehouden. Ik wil dat mijn ex alsnog haar helft van de spaarpolis inlegt, te weten € 25.000,-. Ik wil ook mijn investering in de woning terug, het is immers míjn spaargeld. Omdat er dan per saldo een ‘onderwaarde’ resteert van € 100.000,- (hypotheek plus investering minus waarde woning plus spaarpolis) moet mijn ex mij ook de helft daarvan betalen: € 50.000,- dus.

De vrouw is een heel andere mening toegedaan. Zij zegt: wij hebben de taken verdeeld, ik heb altijd voor de kinderen gezorgd, terwijl mijn ex geld kon verdienen. We hebben het huis niet voor niets samen aangekocht. We hebben daarmee stilzwijgend afgesproken dat de spaarpolis voor de helft van mij is, net als de overwaarde van de woning (waarde woning minus hypotheek). Mijn ex moet mij dus € 125.000,- betalen. Hij is dat ook op grond van een natuurlijke verbintenis verplicht: ik moet na de scheiding met de kinderen immers ook een onbezorgde toekomst hebben.

De uitspraak: hof en rechtbank oordelen verschillend

Voordat u verder leest: bedenk eens wat u zou beslissen als u als de rechter was. Wat is redelijk in dit geval? Moet de man delen met de vrouw, omdat hij geld verdiende terwijl zij thuisbleef om voor de kinderen te zorgen? Of omdat het huis op beider naam staat? Of klopt dat niet in deze situatie, waarin niets officieel is geregeld?

Dan de uitspraak.

In eerste instantie krijgt de vrouw van de rechtbank volledig gelijk. De man moet de helft van de overwaarde, inclusief de spaarpot, met de vrouw delen. De motivering kennen we helaas niet, want de uitspraak is niet gepubliceerd.

Maar … de man gaat in hoger beroep. En met succes, want het gerechtshof Den Bosch is het grotendeels met de rechtbank oneens. Het hof beslist in uitgebreid gemotiveerde stappen.

De spaarpot

Allereerst over de spaarpolis. De man had de premies betaald van zijn inkomen. Het hof vindt dat, aangezien de vrouw voor de kinderen zorgde en de man inkomen genereerde, zij stilzwijgend hebben afgesproken dat de man de premies zou betalen. Zonder dat hij later alsnog de helft van de vrouw zou kunnen opeisen.

Het Hof: “In die omstandigheden moet van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst worden uitgegaan die inhoudt dat tegenover de geldelijke meer-inbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meer-inbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn.”

De investering

Vervolgens komt de investering van de man aan bod. Investeren met privévermogen is echt iets anders dan inkomensbesteding, aldus het hof. De stilzwijgende afspraak dat de man inkomen en de vrouw arbeid inbrengt, kan niet zover worden opgerekt dat de man ook zijn geïnvesteerde vermogen met de vrouw zou moeten delen. Er is ook geen natuurlijke verbintenis die de man daartoe verplicht. Het hof leidt dat vooral af uit het feit dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, dat ook de vrouw vermogen kon opbouwen en last but not least dat partijen niets hadden geregeld waaruit je een wederzijdse verzorgingsgedachte zou kunnen afleiden (testament, nabestaandenpensioen of samenlevingsovereenkomst).

Het hof (r.o. 4.3): “De vrouw beroept zich erop dat zij na het einde van de relatie een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan. Het is het hof onduidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt (maar het lijkt haar daarbij vooral te gaan om het afwenden van het gevaar van een restschuld), maar ook verder, in het licht van de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, ook de vrouw vermogen heeft kunnen opbouwen en een verzorgingsgedachte ontbrak in de door de man betoogde zin (geen testament, geen nabestaandenpensioen, geen samenlevingsovereenkomst), is onvoldoende gebleken van het bestaan van een natuurlijke verbintenis.”

De verdeling

Geen stilzwijgende afspraak dus en ook geen natuurlijke verbintenis. Maar hoe moet er dan verdeeld worden? Volgens het hof heeft de man recht op teruggaaf van zijn volledige investering. Het verwijst daarvoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 2006 (Hoge Raad 21 april 2006).

Dat arrest ging – net als hier – over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap: een woning. Beide deelgenoten hadden met privévermogen geïnvesteerd in de woning, maar met verschillende bedragen. De Hoge Raad besliste: beiden hebben eerst recht op teruggaaf van hun investering, vervolgens hebben ze allebei recht op de helft van de overblijvende overwaarde (en dus niet op een deel naar rato van hun privé-investering). Kortom, ieder krijgt eerst zijn/haar eigen geld terug en de resterende overwaarde wordt daarna fiftyfifty gedeeld.

In onze casus heeft de man echter € 350.000,- geïnvesteerd, terwijl de overwaarde van de woning slechts € 250.000,- bedraagt. Zijn investering is dus verliesgevend. Moet de vrouw nu opdraaien voor de helft van dat verlies? Als je de lijn van Hoge Raad 2006 zou volgen: ja, want was er winst geweest, had de vrouw recht gehad op de helft, dus moet ze ook fiftyfifty delen in het verlies.

Edoch, hier behoedt het hof de vrouw voor een fikse restschuld door te oordelen dat het delen van winst niet hetzelfde is als het delen van verlies. Dat verlies moet de man helemaal zelf nemen en kan hij niet (deels) afwentelen op de vrouw. Het is immers de man die, zonder dat hij daarover afspraken heeft gemaakt met de vrouw, heeft geïnvesteerd met privévermogen. En dus moet hij het risico daarvan dragen.

Het hof: “Het gaat niet aan dat de man het risico van zijn investeringen zonder meer, zoals hij wenst, kan afwentelen op de vrouw. Naar zijn eigen stelling hebben partijen bewust voor een ongereguleerde vorm van samenleving gekozen en hebben zij hun financiën altijd gescheiden gehouden. De man heeft dus ook afgezien van de in samenlevingsovereenkomsten wel gebruikelijke clausule dat bij een woning die op beider naam wordt gesteld degene die meer heeft bijgedragen dan de andere deelgenoot, een vorderingsrecht heeft op die andere deelgenoot ten bedrage van de helft van het verschil […]. Met die clausule had de man kunnen bewerkstelligen dat beide deelgenoten ieder voor de helft meedoen in de waarde-schommeling (niet alleen winst, maar ook verlies) van het goed. Dat hij dit niet gedaan heeft, maar gekozen heeft voor, in zijn woorden, ongereguleerd samenwonen, komt dan voor zijn rekening en risico.”

De man hoeft van het hof ook niet de spaarpolis met de vrouw te delen. Het hof vindt dat een logisch gevolg van het feit dat de man recht heeft op teruggaaf van zijn investering.

Slotsom: de man krijgt de woning zonder dat de een iets aan de ander hoeft te betalen.

Is er recht gedaan?

Is hier recht gedaan? Daar kun je verschillend over denken, getuige de uitkomsten bij rechtbank respectievelijk hof.

Wat vindt u? Heeft het hof het goed gedaan?

Ik denk: ja, grotendeels wel. Het onderscheid tussen inkomen (stilzwijgende afspraak) en vermogen (blijft privé) lijkt in dit geval eerlijk. Wellicht was dat anders wanneer de man had geïnvesteerd met geld dat hij tijdens de samenleving had kunnen sparen van zijn salaris. Maar dat was niet zo, leid ik af uit de uitspraak.

De overweging van het hof dat delen in de winst niet betekent dat er ook in het verlies moet worden gedeeld, heeft iets weg van een doelredenering. Want normaal gesproken gaat die redenering bij investeringen natuurlijk niet op. Maar het hof heeft die redenering nodig om weg te blijven bij de (consequenties van de) uitspraak van de Hoge Raad uit 2006, waarin besloten lijkt te liggen dat investeren met ongelijke delen recht geeft op een gelijke winst- resp. verliesverdeling. Doelredenering of niet, de uitkomst ervan is goed.

Er is wel één punt waarover wat mij betreft anders had moeten worden geoordeeld: de spaarpot die bij de hypotheek hoorde. Waarom moet de man daarvan niet de helft aan de vrouw betalen? Waarom mag hij het verlies uit zijn investering compenseren met haar helft van de spaarpot? De man bracht zijn inkomen in, de vrouw haar arbeid. Het deel van het inkomen dat in de spaarpolis werd gestort, komt nu alsnog volledig bij de man terecht. Op die manier mag hij toch een stukje van het verlies op zijn investering op haar afwentelen. Is dat eerlijk? Ik denk: nee.

De slotregel van deze blog laat zich raden. Zorg dat je je samenleving goed regelt, vooral als je samen kinderen krijgt!


Gerechtshof ‘s Hertogenbosch 6 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:886