Tag: verdeling woning

Wegwijzer woonlasten en gebruiksvergoeding na scheiding

12 juli 2020 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wegwijzer woonlasten en gebruiksvergoeding na scheiding

Woonlasten en gebruiksvergoeding na scheiding

Een veelvoorkomende situatie: een gescheiden stel is samen eigenaar van een woning, die na de scheiding nog een tijdlang onverdeeld blijft. Die onverdeeldheid kan allerlei oorzaken hebben: de woning is moeilijk verkoopbaar, staat ‘onder water’, er zijn problemen met de financiering van de overname enzovoort. Een van de ex-partners heeft intussen de woning verlaten, de ander is er blijven wonen. Ze zijn allebei hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek die op de woning rust. De onverdeeldheid kan soms jaren duren.

De vraag is hoe in deze periode de lasten van de woning moeten worden verdeeld en of de vertrokken partij recht heeft op een zogenaamde gebruiksvergoeding wegens het gemiste woongenot. Over die vraag kan nogal wat discussie ontstaan. Begrijpelijk, zoals we straks zullen zien. Daarom moet met enige regelmaat de rechter de knoop doorhakken.

De rechtspraak laat een uiterst casuïstisch beeld zien. Deze blog is bedoeld als hulpmiddel. Als wegwijzer op hoofdlijnen. Stapsgewijs worden de vragen doorlopen die in een dergelijke situatie aan de orde komen.

Vooraf: het wettelijk kader

Wat zijn de wettelijke regels die bepalen wie de woonlasten moet betalen en of de vertrekkende partij een gebruiksvergoeding toekomt? Dit zijn de vier belangrijkste.

Bij gezamenlijk eigendom hebben de eigenaren in beginsel een gelijk aandeel in de woning. Ieder is eigenaar van de (onverdeelde) helft. Dat staat in art. 3:166 BW. Dit geldt ook wanneer hun aandeel in financiering niet gelijk is en een van de eigenaren de woning bijvoorbeeld deels met privévermogen heeft gefinancierd [i]).

Art. 3:169 BW bepaalt vervolgens dat beide eigenaren het recht hebben de woning te gebruiken, tenzij iets anders is afgesproken. Deze bepaling biedt de grondslag voor de zgn. gebruiksvergoeding voor degene die de woning heeft verlaten [ii].

Volgens  art. 3:172 BW moeten beide eigenaren naar evenredigheid van hun aandeel, in beginsel dus de helft, bijdragen in de uitgaven voor de woning. Wat onder uitgaven voor de woning wordt verstaan, zullen we hieronder (bij vraag 3) zien.

Tenslotte bepaalt art. 6:10 BW dat hoofdelijke schuldenaren moeten bijdragen in de aflossing en kosten van die schuld, ieder voor het deel dat hem in hun onderlinge rechtsverhouding aangaat. De onderlinge draagplicht hangt dus af van de omstandigheden van het geval, zoals: hebben partijen (al dan niet stilzwijgend) afspraken gemaakt, aan wie is de tegenwaarde van de schuld ten goede gekomen, is sprake van ongerechtvaardigde verrijking? Pas als de antwoorden op deze vragen géén aanknopingspunten bieden, geldt dat ieder een gelijk deel moet dragen. Een gelijke draagplicht is dus uitdrukkelijk niét de hoofdregel. Art. 6:10 BW is van belang voor de draagplicht van de hypotheekrente.

De redelijkheid en billijkheid zijn uitdrukkelijk van toepassing verklaard op de rechtsverhouding tussen eigenaren (art. 3:166). Dat geeft ruimte voor uitkomsten, waarbij de hoofdregel opzij wordt gezet en alle omstandigheden van het geval meewegen.

Vraag 1: Waren partijen getrouwd of woonden zij samen?

Voor de vragen die in deze blog centraal staan, maakt het geen verschil of partijen getrouwd waren [iii] of samenwoonden. De wettelijke regels die hiervoor zijn genoemd, zijn in beide situaties van toepassing.

Deze vraag is wel van belang voor de ingangsdatum van een (gewijzigde) woonlastenverdeling en de eventuele aanspraak op een gebruiksvergoeding. Tijdens het huwelijk – dat wil zeggen tot de datum van de inschrijving van de echtscheiding – geldt voor gehuwden de plicht om elkaar te verzorgen (art. 1:181 BW) en om naar evenredigheid van hun inkomens bij te dragen in de kosten van de huishouding (art. 1:184 BW). Daarom zal doorgaans de datum van inschrijving van de echtscheiding het ‘kantelpunt’ zijn. Dit kan anders zijn wanneer er vóór die datum al (aantoonbaar) sprake is van financieel gescheiden huishoudens. Bij samenwoners verandert het regime vanaf de datum waarop de samenleving feitelijk wordt beëindigd en partijen financieel gescheiden huishoudens zijn gaan voeren.

Let op: de omstandigheden van het geval en de redelijkheid en billijkheid kunnen leiden tot een andere ingangsdatum. Ik ga daar in deze blog niet verder op in.

Vraag 2: Welke woonlasten moeten worden verdeeld?

Bij een koopwoning kunnen de woonlasten worden onderverdeeld in gebruikerslasten en eigenaarslasten. Gebruikerslasten zijn kosten van gas, water en licht en gemeentelijke gebruikersbelastingen. Ik ga ervan uit dat gebruikerslasten volledig voor rekening komen van degene die de woning bewoont.

Eigenaarslasten zijn de hypotheeklasten en de overige eigenaarslasten (verzekering, gemeentelijke belastingen, onderhoud). Hypotheeklasten zijn vervolgens onder te verdelen in rente en aflossing. Aflossing is feitelijk een investering in de woning. Als een van de eigenaren meer of minder heeft afgelost dan waartoe hij op grond van zijn aandeel in de woning is verplicht, kan dit worden verrekend bij verdeling van de woning (net als een eventuele financiering met privévermogen). Bij gehuwden gebeurt dit op basis van een wettelijk vergoedingsrecht, bij samenwoners op basis van het algemene verbintenissenrecht (HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707). Op de verrekening van de aflossing ga ik verder niet in.

In deze blog gaat het dus om de verdeling van de hypotheekrente en overige eigenaarslasten, gemakshalve verder aangeduid als woonlasten.

Vraag 3: Wie moet na de scheiding (welk deel van) de woonlasten betalen?

Ik ga uit van de meest voorkomende situatie, namelijk dat partijen samen eigenaar zijn van de woning en beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hypotheek.

Op basis van art. 3:166 BW hebben partijen in beginsel een gelijk aandeel in de woning en volgens art. 3:172 BW moet elke partij naar evenredigheid van zijn aandeel bijdragen in de uitgaven voor de woning. In de rechtspraak worden veelal alle eigenaarslasten onder de werking van art. 3:172 gebracht, waardoor als hoofdregel een gelijke (fiftyfifty) verdeling van de woonlasten resulteert.

Sommige rechters oordelen echter dat de hypotheeklasten op basis van een uitspraak van de Hoge Raad uit 1991 [iv] niét als uitgave voor de woning kwalificeren en dat zodoende alleen art. 6:10 BW bepaalt wie welk deel van de hypotheeklasten moet betalen [v]. Maar bij art. 6:10 BW is een gelijke draagkracht nu juist niét het uitgangspunt en moet eerst worden gekeken of er aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling. Bijvoorbeeld: zijn (stilzwijgend) andere afspraken gemaakt, aan wie is de tegenwaarde van de schuld ten goede gekomen, is er wellicht sprake van ongerechtvaardigde verrijking? [vi]

Een voorbeeld van een afwijkende draagkrachtverdeling is de uitspraak van het Hof Den Bosch van 19 december 2019. Dit gerechtshof is van mening dat de hypotheekrente geen uitgave is in de zin van art. 3:172 en oordeelt op basis van art. 6:10 dat de achterblijvende partij volledig draagplichtig is voor de rente, omdat de tegenwaarde daarvan (lees: het woongenot) volledig aan die partij ten goede is gekomen en het daarnaast de bedoeling is geweest dat deze partij de woning zou overnemen [vii].

Een voorbeeld van een strakke fiftyfifty verdeling zien we in de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2018. In deze zaak heeft de man jarenlang alleen het woongenot en betaalt al die tijd de volledige lasten. Zelfs de partneralimentatie die hij betaalt, is daarop gebaseerd. Niettemin oordeelt het Hof op basis van de hoofdregel van art. 3:172 dat de vrouw (met terugwerkende kracht!) de helft van de lasten moet betalen. Maar – en dat is essentieel – dit wordt daarna grotendeels weer rechtgetrokken, omdat de vrouw een gebruiksvergoeding krijgt toegewezen voor een groot deel van die woonlasten.

De laatste uitspraak laat meteen zien dat de gebruiksvergoeding compensatie kan bieden voor de verplichting om de helft van de woonlasten te betalen.

Vraag 4: Heeft de vertrekkende partij recht op een gebruiksvergoeding?

De grondslag voor de gebruiksvergoeding ligt in art. 3:169 BW, dat bepaalt dat beide eigenaren het recht hebben de woning te gebruiken, tenzij iets anders is afgesproken. Het gaat hier om een schadeloosstelling voor het gemis van gebruik en genot van de woning. De vergoeding moet redelijk en billijk zijn.

In de rechtspraak zien we verschillende manieren om de gebruiksvergoeding vast te stellen.

a) Percentage van de overwaarde

De achterliggende gedachte is hier dat de vertrekkende partij geen rendement kan halen uit zijn/haar deel van de overwaarde zolang de woning niet is verdeeld. Bijvoorbeeld: de woning heeft een overwaarde van € 100.000, die elk voor de helft toekomt. De gebruiksvergoeding wordt bepaald op het geschatte rendement van de helft van de overwaarde. Voorheen was een rendementspercentage van 4% gebruikelijk. Nu de rente al jaren laag staat, zien we (terecht!) steeds lagere percentages, van 2,5% naar recentelijk zelfs 0,5%.

b) Deel van de woonlasten

Deze variant zien we doorgaans in de situatie waarin de woning geen (of nog maar kort) overwaarde heeft. De gebruiksvergoeding wordt  gebaseerd op dat deel van de woonlasten dat voor rekening zou komen van de vertrekkende partij, met als resultaat dat de partij die is blijven wonen uiteindelijk de lasten (vrijwel) volledig betaalt.

De vraag die opkomt is of bij woningen met overwaarde a) en b) kunnen worden gecombineerd. Dat wil zeggen dat de vertrekkende partij een gebruiksvergoeding vraagt, bestaande uit én een deel van de woonlasten én het gemiste rendement. Ik zie geen reden waarom dat niet zou kunnen, maar in de rechtspraak ben ik dit als zodanig niet tegengekomen. Wel komt het voor dat een gebruiksvergoeding op basis van de overwaarde wordt toegekend, terwijl vaststaat dat de achterblijvende partij (bijna) alle woonlasten betaalt (bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2019). Maar het omgekeerde komt ook voor (bijv. Gerechtshof Den Bosch d.d. 26 mei 2020).

c) Huurwaarde

Minder vaak wordt de gebruiksvergoeding berekend op basis van de commerciële huurwaarde van de woning. Hier kunnen de feitelijke woonlasten en eventuele overwaarde samen meetellen. Immers, in de huurwaarde zal (ook) de overwaarde tot uitdrukking komen.

Redelijkheid en billijkheid

Essentieel is dat de redelijkheid en billijkheid als rode draad overal doorheen lopen. De omstandigheden van het geval kunnen altijd leiden tot een afwijkende draagplicht en/of een lage of hoge of helemaal geen gebruiksvergoeding. Voorbeelden van omstandigheden zijn: een (groot) verschil in inkomen van partijen, het feit dat de kinderen in woning zijn blijven wonen, de achterliggende reden dat de woning (lange tijd) onverdeeld is gebleven.

Een greep uit de jurisprudentie

Tot slot een aantal uitspraken, die laten zien hoe casuïstisch dit onderwerp is.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 20 april 2017: De man is na zijn vertrek uit de woning een deel van de woonlasten blijven betalen. Zijn verzoek om een gebruiksvergoeding wordt afgewezen op grond van de redelijkheid en billijkheid, o.a. vanwege het lagere inkomen van de vrouw.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 11 juli 2017: De man betaalt na zijn vertrek uit de woning alle woonlasten. De kantonrechter baseert de gebruiksvergoeding voor de vrouw op de helft van het verschil tussen de huurwaarde (vastgesteld op 4% van van de taxatiewaarde) en de woonlasten. Het Hof doet het anders en baseert de gebruiksvergoeding op het geschatte rendement (2,5%) van de overwaarde.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 13 maart 2018: De man is in de woning blijven wonen en betaalt jarenlang alle woonlasten. De partneralimentatie die hij moet betalen is daarop gebaseerd. De vrouw moet echter alsnog de helft bijdragen, maar krijgt daartegenover wel een gebruiksvergoeding. De gebruiksvergoeding wordt bepaald op een groot deel van de woonlasten. De overwaarde telt niet mee, omdat die pas recent is ontstaan.

Rechtbank Den Haag 3 oktober 2018: De man betaalt na zijn vertrek uit de woning alle woonlasten. De kinderalimentatie is daarop gebaseerd. De vrouw heeft een laag inkomen. De gebruiksvergoeding wordt afgewezen op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 19 december 2019: De achterblijvende partij (de vrouw) betaalt vrijwel de volledige woonlasten. Het Hof kent de man een gebruiksvergoeding toe op basis van het geschatte rendement (2%) van de overwaarde. Dat de vrouw nagenoeg de volledige woonlasten betaalt, doet daar volgens het Hof niet aan af.

Gerechtshof Den Bosch d.d. 19 december 2019: De man is in de woning blijven wonen; de vrouw draagt eerst een tijdlang niet bij aan de woonlasten en gaat daarna op basis van een afspraak de helft van de hypotheekrente betalen. De man eist de helft van de hypotheekrente over die eerste periode; de vrouw eist een gebruiksvergoeding over de tweede periode. Het hof oordeelt (uitdrukkelijk niet op basis van art. 3:172 maar op basis van art. 6:10) dat de man alle woonlasten moet betalen en kent de vrouw een gebruiksvergoeding toe voor de helft van de hypotheeklasten. (vgl. Hof Den Bosch d.d. 27 november 2014 waarin het Hof de hypotheekrente nog wel onder de werking van art. 3:172 brengt en op basis van de redelijkheid en billijkheid tot een 1/3 resp. 2/3 verdeling voor alle woonlasten komt.).

Gerechtshof Den Bosch d.d. 26 mei 2020: De man woont jarenlang alleen in de woning, samen met de kinderen, en traineert de verkoop. De vrouw is altijd de helft van de woonlasten blijven betalen. Zij krijgt een gebruiksvergoeding gebaseerd op het geschatte rendement van de overwaarde. De rechtbank neemt 4%. Het hof gaat uit van 0,5%. Het feit dat de kinderen bij de man zijn blijven wonen, telt daarbij mee.

Samenvatting en conclusie

In dit soort kwesties moet eerst de vraag naar de verdeling van de woonlasten worden beantwoord en daarna de vraag of de vertrekkende partij recht heeft op een gebruiksvergoeding.

Sommige rechters oordelen dat de hypotheekrente geen uitgave is in de zin van art. 3:172 BW. Het maakt verschil of de draagplicht aan art. 3:172 BW of enkel aan art. 6:10 BW wordt getoetst. Dat verschil kan worden rechtgetrokken door middel van de beoordeling van de gebruiksvergoeding.

De gebruiksvergoeding kan op verschillende manieren worden berekend. Als er geen overwaarde is, ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de werkelijke woonlasten. Als er wel overwaarde is, kan m.i. de gebruiksvergoeding bestaan uit twee componenten, nl. een schadeloosstelling wegens gemist woongenot (en daarmee een deel van de woonlasten) én wegens gemist rendement. Het is belangrijk dat degene die aanspraak maakt op een gebruiksvergoeding de grondslag daarvan goed stelt en onderbouwt.

De redelijkheid en billijkheid fungeren als vangnet. Maar het oordeel wat in een individueel geval redelijk en billijk is, heeft onvermijdelijk iets subjectiefs en is in die zin niet goed voorspelbaar. De rechtspraak laat dan ook een zeer gevarieerd beeld zien.

Mijn advies aan ex-partners met een onverdeelde woning: maak vooral tijdig duidelijke afspraken met elkaar, zo nodig met de hulp van een mediator. Laat de dingen niet op hun beloop, het risico op discussies en verrassingen achteraf is simpelweg te groot.


[i] HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938: “Uit art. 3:166 lid 2 vloeit voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. Wel heeft bij verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privé-vermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Niet geheel uitgesloten is, dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14631, NJ 1992, 651), maar het onderhavige geval biedt – naar tussen partijen ook niet in geschil is – hiervoor geen grond.”

[ii] Zie o.a. HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143.

[iii] Waar hier over huwelijk wordt gesproken is mede bedoeld een geregistreerd partnerschap.

[iv] Hoge Raad van 11 oktober 1991, NJ 1992, 600: “Ook echter indien moet worden aangenomen dat de uit die [hypothecaire] leningen verkregen geldmiddelen zijn aangewend ter financiering van de aankoop respectievelijk verbouwing van het gemeenschappelijk pand, brengt dit niet mee dat het aangaan van de leningen kan gelden als een ten behoeve van (onderhoud en instandhouding van) het gemeenschappelijke pand verrichte handeling [in de zin van art. 3:172 BW, hof]. Mocht K. een groter gedeelte van de krachtens die geldleningen verschuldigde bedragen aan rente en aflossing hebben voldaan dan D., dan kan de eventueel uit het door partijen met betrekking tot de leningen overeengekomene voortvloeiende verplichting van D. om ter vereffening van het verschil een betaling aan K. te doen, niet worden aangemerkt als een in het kader van de scheiding en deling van de gemeenschappelijke goederen op het aandeel van D. toe te rekenen schuld.”

[v] Zie bijvoorbeeld Hof Den Bosch 06-03-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:889, Hof Den Bosch 17-12-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4537 en Rechtbank Overijssel 03-07-19, ECLI:NL:RBOVE:2019:2466.

[vi] “Evenmin als in het geldende B.W. nadere bepalingen omtrent de grootte van “zijn aandeel” zijn gegeven, is in de algemene bepaling van het eerste lid [van art. 6:10 BW, hof] nader omschreven hoe het gedeelte van de schuld dat hem “aangaat” moet worden vastgesteld. Hieromtrent toch zijn geen algemene regels te geven. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden; zo beslist de vennootschapsovereenkomst over de onderlinge bijdrageplicht van de firmanten in de firmaschulden. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijke medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. (…) Tenslotte kunnen ook de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking nog een rol spelen. In ieder geval is het niet wenselijk – gelijk in sommige buitenlandse wetboeken is bepaald – als hoofdregel voorop te stellen dat de schuldenaren voor gelijke delen in de schuld moeten bijdragen; de uitzonderingen zouden dan belangrijker zijn dan de hoofdregel. Vanzelfsprekend is echter, indien geen van de hierboven aangegeven omstandigheden en beginselen uitsluitsel geven, een draagplicht voor gelijke delen ook volgens het ontwerp de aangewezen oplossing.” (Parl. Gesch. Boek 6 (algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht), p. 108).

[vii] Hof Den Bosch 17-12-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4537, ro. 3.11.7: “Wél beslissend is hier dat de tegenwaarde van de schuld (hier: de opgekomen rentetermijnen) de man aldus ten goede is (zijn) gekomen in die zin dat alleen hij het gebruik en genot van de woning heeft gehad. Samen met de omstandigheid dat het steeds de bedoeling is geweest van de man dat hij de woning zou overnemen (cva, pt. 16) en hij ook in de woning wilde blijven wonen, brengen die omstandigheden mee dat de schuld (de rentetermijnen) de man in de onderlinge verhouding met de vrouw volledig aangaan. Hem komt dus geen regresvordering toe voor de periode van 1 september 2011 tot en met november 2014.”

 

alimentatie

Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

14 april 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

Samenwonen zonder contract

Vaak zal het niet voorkomen: twee mensen die jarenlang samenwonen, samen een woning kopen en kinderen krijgen, zónder iets te regelen over hun samenleving. Toch gebeurt het. Zolang de liefde duurt, is er weinig aan de hand. Maar wat als de liefde overgaat en er een scheiding komt? Dan kan het knap lastig worden. Er moet van alles worden verdeeld zonder dat daar afspraken over zijn. Als zo’n zaak – niet verwonderlijk – bij de rechtbank belandt, is het aan de rechter om een open vlakte te bewegwijzeren.

Een ronduit spannende taak, getuige de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 6 maart 2018. Wat we zien langskomen zijn tere maar mooie constructies, zoals de stilzwijgende afspraak en de natuurlijke verbintenis. En bovenal vraag je je als lezer automatisch af: heeft de rechter het goed gedaan? Want wat is in deze rechtvaardig?

De casus: wie krijgt wat?

Een man en vrouw gaan na een relatie van achttien jaar uit elkaar. Ze hebben drie kinderen. De vrouw is na de geboorte van de kinderen gestopt met werken en zorgt fulltime voor het gezin. De man is kostwinner. Ze wonen in een huis dat ze samen hebben gekocht. Het huis is betaald met spaargeld van de man, te weten € 350.000,- en een hypotheek (op beider naam) van € 350.000,-. Bij de hypotheek hoort een spaarpolis, ook op beider naam. De man heeft als kostwinner altijd de woonlasten betaald, waaronder de premie voor de spaarpolis.

En dan komt er een scheiding en moet de woning worden verdeeld. De man wil er blijven wonen en wil dus de helft van de vrouw overnemen. De woning is op dat moment € 550.000,- waard en in de spaarpot zit € 50.000,-. Op de hypotheek is niet afgelost. Ik heb voor het leesgemak ronde bedragen gekozen, de bedragen in de echte casus zijn anders.

Grote vraag: hoe gaat de verdeling er financieel uitzien? Dit koppel heeft namelijk niets geregeld over hun samenleving. Ze zijn niet getrouwd, er is geen partnerschap, er is geen samenlevingscontract, geen testament, helemaal niets. Ze hebben zelfs geen gemeenschappelijke bankrekening.

De stellingen: lijnrecht tegenover elkaar

De stellingen van de man en de vrouw staan diametraal tegenover elkaar. De man zegt: wij hebben bewust niks geregeld en onze financiën altijd gescheiden gehouden. Ik wil dat mijn ex alsnog haar helft van de spaarpolis inlegt, te weten € 25.000,-. Ik wil ook mijn investering in de woning terug, het is immers míjn spaargeld. Omdat er dan per saldo een ‘onderwaarde’ resteert van € 100.000,- (hypotheek plus investering minus waarde woning plus spaarpolis) moet mijn ex mij ook de helft daarvan betalen: € 50.000,- dus.

De vrouw is een heel andere mening toegedaan. Zij zegt: wij hebben de taken verdeeld, ik heb altijd voor de kinderen gezorgd, terwijl mijn ex geld kon verdienen. We hebben het huis niet voor niets samen aangekocht. We hebben daarmee stilzwijgend afgesproken dat de spaarpolis voor de helft van mij is, net als de overwaarde van de woning (waarde woning minus hypotheek). Mijn ex moet mij dus € 125.000,- betalen. Hij is dat ook op grond van een natuurlijke verbintenis verplicht: ik moet na de scheiding met de kinderen immers ook een onbezorgde toekomst hebben.

De uitspraak: hof en rechtbank oordelen verschillend

Voordat u verder leest: bedenk eens wat u zou beslissen als u als de rechter was. Wat is redelijk in dit geval? Moet de man delen met de vrouw, omdat hij geld verdiende terwijl zij thuisbleef om voor de kinderen te zorgen? Of omdat het huis op beider naam staat? Of klopt dat niet in deze situatie, waarin niets officieel is geregeld?

Dan de uitspraak.

In eerste instantie krijgt de vrouw van de rechtbank volledig gelijk. De man moet de helft van de overwaarde, inclusief de spaarpot, met de vrouw delen. De motivering kennen we helaas niet, want de uitspraak is niet gepubliceerd.

Maar … de man gaat in hoger beroep. En met succes, want het gerechtshof Den Bosch is het grotendeels met de rechtbank oneens. Het hof beslist in uitgebreid gemotiveerde stappen.

De spaarpot

Allereerst over de spaarpolis. De man had de premies betaald van zijn inkomen. Het hof vindt dat, aangezien de vrouw voor de kinderen zorgde en de man inkomen genereerde, zij stilzwijgend hebben afgesproken dat de man de premies zou betalen. Zonder dat hij later alsnog de helft van de vrouw zou kunnen opeisen.

Het Hof: “In die omstandigheden moet van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst worden uitgegaan die inhoudt dat tegenover de geldelijke meer-inbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meer-inbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn.”

De investering

Vervolgens komt de investering van de man aan bod. Investeren met privévermogen is echt iets anders dan inkomensbesteding, aldus het hof. De stilzwijgende afspraak dat de man inkomen en de vrouw arbeid inbrengt, kan niet zover worden opgerekt dat de man ook zijn geïnvesteerde vermogen met de vrouw zou moeten delen. Er is ook geen natuurlijke verbintenis die de man daartoe verplicht. Het hof leidt dat vooral af uit het feit dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, dat ook de vrouw vermogen kon opbouwen en last but not least dat partijen niets hadden geregeld waaruit je een wederzijdse verzorgingsgedachte zou kunnen afleiden (testament, nabestaandenpensioen of samenlevingsovereenkomst).

Het hof (r.o. 4.3): “De vrouw beroept zich erop dat zij na het einde van de relatie een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan. Het is het hof onduidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt (maar het lijkt haar daarbij vooral te gaan om het afwenden van het gevaar van een restschuld), maar ook verder, in het licht van de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, ook de vrouw vermogen heeft kunnen opbouwen en een verzorgingsgedachte ontbrak in de door de man betoogde zin (geen testament, geen nabestaandenpensioen, geen samenlevingsovereenkomst), is onvoldoende gebleken van het bestaan van een natuurlijke verbintenis.”

De verdeling

Geen stilzwijgende afspraak dus en ook geen natuurlijke verbintenis. Maar hoe moet er dan verdeeld worden? Volgens het hof heeft de man recht op teruggaaf van zijn volledige investering. Het verwijst daarvoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 2006 (Hoge Raad 21 april 2006).

Dat arrest ging – net als hier – over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap: een woning. Beide deelgenoten hadden met privévermogen geïnvesteerd in de woning, maar met verschillende bedragen. De Hoge Raad besliste: beiden hebben eerst recht op teruggaaf van hun investering, vervolgens hebben ze allebei recht op de helft van de overblijvende overwaarde (en dus niet op een deel naar rato van hun privé-investering). Kortom, ieder krijgt eerst zijn/haar eigen geld terug en de resterende overwaarde wordt daarna fiftyfifty gedeeld.

In onze casus heeft de man echter € 350.000,- geïnvesteerd, terwijl de overwaarde van de woning slechts € 250.000,- bedraagt. Zijn investering is dus verliesgevend. Moet de vrouw nu opdraaien voor de helft van dat verlies? Als je de lijn van Hoge Raad 2006 zou volgen: ja, want was er winst geweest, had de vrouw recht gehad op de helft, dus moet ze ook fiftyfifty delen in het verlies.

Edoch, hier behoedt het hof de vrouw voor een fikse restschuld door te oordelen dat het delen van winst niet hetzelfde is als het delen van verlies. Dat verlies moet de man helemaal zelf nemen en kan hij niet (deels) afwentelen op de vrouw. Het is immers de man die, zonder dat hij daarover afspraken heeft gemaakt met de vrouw, heeft geïnvesteerd met privévermogen. En dus moet hij het risico daarvan dragen.

Het hof: “Het gaat niet aan dat de man het risico van zijn investeringen zonder meer, zoals hij wenst, kan afwentelen op de vrouw. Naar zijn eigen stelling hebben partijen bewust voor een ongereguleerde vorm van samenleving gekozen en hebben zij hun financiën altijd gescheiden gehouden. De man heeft dus ook afgezien van de in samenlevingsovereenkomsten wel gebruikelijke clausule dat bij een woning die op beider naam wordt gesteld degene die meer heeft bijgedragen dan de andere deelgenoot, een vorderingsrecht heeft op die andere deelgenoot ten bedrage van de helft van het verschil […]. Met die clausule had de man kunnen bewerkstelligen dat beide deelgenoten ieder voor de helft meedoen in de waarde-schommeling (niet alleen winst, maar ook verlies) van het goed. Dat hij dit niet gedaan heeft, maar gekozen heeft voor, in zijn woorden, ongereguleerd samenwonen, komt dan voor zijn rekening en risico.”

De man hoeft van het hof ook niet de spaarpolis met de vrouw te delen. Het hof vindt dat een logisch gevolg van het feit dat de man recht heeft op teruggaaf van zijn investering.

Slotsom: de man krijgt de woning zonder dat de een iets aan de ander hoeft te betalen.

Is er recht gedaan?

Is hier recht gedaan? Daar kun je verschillend over denken, getuige de uitkomsten bij rechtbank respectievelijk hof.

Wat vindt u? Heeft het hof het goed gedaan?

Ik denk: ja, grotendeels wel. Het onderscheid tussen inkomen (stilzwijgende afspraak) en vermogen (blijft privé) lijkt in dit geval eerlijk. Wellicht was dat anders wanneer de man had geïnvesteerd met geld dat hij tijdens de samenleving had kunnen sparen van zijn salaris. Maar dat was niet zo, leid ik af uit de uitspraak.

De overweging van het hof dat delen in de winst niet betekent dat er ook in het verlies moet worden gedeeld, heeft iets weg van een doelredenering. Want in de regel gaat die redenering bij investeringen natuurlijk niet op. Maar het hof heeft die redenering nodig om weg te blijven bij de (consequenties van de) uitspraak van de Hoge Raad uit 2006, waarin besloten is dat investeren met ongelijke delen recht geeft op een gelijke winst- én verliesverdeling. Doelredenering of niet, de uitkomst ervan is goed.

Er is wel één punt waarover wat mij betreft anders had moeten worden geoordeeld: de spaarpot die bij de hypotheek hoorde. Waarom moet de man daarvan niet de helft aan de vrouw betalen? Waarom mag hij het verlies uit zijn investering compenseren met haar helft van de spaarpot? De man bracht zijn inkomen in, de vrouw haar arbeid. Het deel van het inkomen dat in de spaarpolis werd gestort, komt nu alsnog volledig bij de man terecht. Op die manier mag hij toch een stukje van het verlies op zijn investering op haar afwentelen. Is dat eerlijk? Ik denk: nee.

De slotregel van deze blog laat zich raden. Zorg dat je je samenleving goed regelt, vooral als je samen kinderen krijgt!


Gerechtshof ‘s Hertogenbosch 6 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:886