Tag: Kinderalimentatie

Samengestelde gezinnen en kinderalimentatie (2)

18 oktober 2019 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Samengestelde gezinnen en kinderalimentatie (2)

Samengestelde gezinnen: hoe verdeel je de draagkracht bij kinderen in verschillende gezinnen?

Een samengesteld gezin – ook wel stiefgezin of nieuw gezin genoemd – is een gezin waarbij tenminste één van de partners kinderen heeft uit een vorige relatie. Meestal ontstaat een samengesteld gezin na echtscheiding. Bijvoorbeeld: een gescheiden ouder krijgt een nieuwe partner, die zelf ook kinderen heeft uit een vorige relatie. En uit de nieuwe relatie worden ook weer kinderen geboren.

Het berekenen van kinderalimentatie is in zo’n geval behoorlijk ingewikkeld. Vaak zijn drie personen onderhoudsplichtig voor een kind, namelijk de ouders en een stiefouder. Daarnaast moet de draagkracht van een ouder worden verdeeld over kinderen die in verschillende gezinnen leven.

In deel 1 van dit tweeluik kwam de bijdrageplicht van de stiefouder aan bod. Dit tweede deel gaat over de draagkrachtverdeling als de kinderen in verschillende gezinnen leven, bijvoorbeeld de situatie dat de kinderen na de scheiding bij moeder gaan wonen en vader een kind krijgt met zijn nieuwe partner. Hoe verdeel je de draagkracht in een dergelijk geval? Bestaan daar regels voor?

We beginnen met een paar uitgangspunten.

Uitgangspunten

In een aantal arresten [i] heeft de Hoge Raad belangrijke uitgangspunten gegeven.

Wanneer een ouder kinderen heeft uit meerdere relaties terwijl zijn of haar draagkracht niet voldoende is om in de behoefte van alle kinderen te voorzien, moet zijn draagkracht in beginsel gelijkelijk over alle kinderen worden verdeeld, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn, zoals een duidelijk verschil in behoefte van de kinderen.

Wanneer een gescheiden ouder een kind krijgt met een nieuwe partner moet bij het (her)berekenen van de alimentatie voor de kinderen uit de eerdere relatie de bijdrageplicht van de nieuwe partner voor het nieuwe kind worden meegewogen. Daarbij geldt dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouder en de nieuwe partner moet worden bepaald naar rato van ieders draagkracht, net als de onderlinge bijdrageplicht van de gescheiden ouders.

Tot slot, indien er geen financiële gegevens van de nieuwe partner beschikbaar zijn terwijl deze in het eigen levensonderhoud kan voorzien, mag er vanuit worden gegaan dat de partner ten minste voor de helft bijdraagt.

Knelpunten

Wie even nadenkt over deze uitgangspunten, ziet meteen een paar problemen opdoemen.

Een van de hoofdregels – een gelijke verdeling van draagkracht over alle betrokken kinderen – geldt niet in geval van bijzondere omstandigheden. Maar erg bijzonder hoeven deze omstandigheden niet te zijn, getuige het feit dat een duidelijk verschil in behoefte als zodanig kwalificeert. Kinderen in verschillende gezinnen zullen vrijwel altijd een verschillende behoefte hebben en of dat in een individueel geval een duídelijk verschil is, is vatbaar voor interpretatie. In zijn algemeenheid geeft het criterium van de bijzondere omstandigheden ruimte voor maatwerk, voor een redelijkheidsoordeel.

Het naar rato laten meewegen van de onderhoudsplicht van de partner is bij een tekort aan draagkracht rekenkundig problematisch. Immers, in beíde gezinnen moet de draagkracht naar rato  worden verdeeld. Waar begin je in zo’n geval met rekenen?

Er zijn in de praktijk nogal wat manieren om te rekenen. Aan de hand van een eenvoudig voorbeeld laat ik dat zien.

Verschillende rekenmanieren

In dit eenvoudige voorbeeld is sprake van twee gescheiden ouders die samen twee kinderen hebben (kind 1 en kind 2). De man is hertrouwd en heeft met zijn nieuwe partner ook een kind gekregen (kind 3). De behoefte van kind 1 en 2 bedraagt € 300 per kind. De behoefte van kind 3 bedraagt € 600. De draagkracht van de vrouw is € 50, die van de man € 500 en die van zijn partner € 400 (in alle gevallen per maand). De totale behoefte bedraagt € 1.200 en de totale draagkracht € 950, er is dus een draagkrachttekort.

BH 1+2 BH 3 DK vrouw DK man DK partner Totale BH Totale DK
300 / kind 600 50 500 400 1.200 950

 

De draagkracht van de man kan vervolgens op tenminste vijf manieren worden verdeeld.

1. De draagkracht van de man wordt gelijkelijk over de kinderen verdeeld. Voor elk kind heeft de man dan 167 beschikbaar. Voor kind 1 en 2 is dan in totaal 334 + 50 = 384 beschikbaar. Het tekort voor kind 1 en 2: 216 (108 per kind). Voor kind 3 is in totaal 167 + 400 = 567 beschikbaar. Het tekort voor kind 3: 33.

2. De draagkracht van de man wordt naar rato van de behoefte van alle betrokken kinderen verdeeld, waarbij een eventueel surplus wordt overgeheveld. Voor kind 1 en 2 heeft de man (600/1200 x 500 =) 250 beschikbaar. In totaal is beschikbaar: 250 + 50 = 300. Het tekort voor kind 1 en 2 is: 300 (150 per kind). Voor kind 3 heeft de man 250 beschikbaar. In totaal is beschikbaar 250 + 400 = 650. In de behoefte van kind 3 wordt dus volledig voorzien en er resteert een surplus van 50, dat wordt overgeheveld naar kind 1 en 2. Resteert voor kind 1 en 2 een tekort van 250 (125 per kind).

3. Eerst wordt de behoefte van kind 3 toegerekend aan de ouders (de man en zijn partner) naar rato van hun draagkracht en daarna wordt de draagkracht van de man verdeeld naar rato de behoefte van alle kinderen. Eerst wordt dus een deel van de behoefte van kind 3 toegerekend aan de man. Voor zijn rekening komt dan: 500/900 x 600 = 333. Vervolgens wordt zijn draagkracht over de behoefte van drie kinderen verdeeld, waarbij de behoefte van kind 3 op het aandeel van de man daarin wordt gesteld. Voor kind 1 en 2 heeft de man vervolgens beschikbaar: 600/933 x 500 = 322. In totaal is beschikbaar: 322 + 50 = 372. Het tekort voor kind 1 en 2 is: 228 (114 per kind). Voor kind 3 heeft de man beschikbaar 333/933 = 178. In totaal beschikbaar 178 + 400 = 578. Het tekort voor kind 3 is: 22.

4. De draagkracht van de man wordt (in redelijkheid) zodanig verdeeld dat er voor elk kind een gelijk tekort resteert, in casu 83 per kind.

5. Gezien het tekort aan draagkracht wordt eerst de draagkracht van beide vrouwen volledige aangewend. Voor kind 1 en 2 resteert dan een behoefte van € 275. Voor kind 3 € 200. Daarna wordt de draagkracht van de man verdeeld naar rato van de resterende behoefte. Zijn draagkracht voor voor kind 1 en kind 2 bedraagt dan: 2 x 275/750 x 500 = € 366. Voor kind 3: 200/750 x 500 = € 133. Het tekort voor kind 1 en kind 2 is: € 183. Het tekort voor kind 3 is: 67.

En … tenslotte kun je je nog afvragen wat in dit specifieke geval redelijk is, wat misschien tot nog een andere uitkomst leidt. Duidelijk is dat alle rekenmanieren verschillende uitkomsten geven. Hieronder zijn de resultaten in een tabel weergegeven.

Manier 1 Manier 2 Manier 3 Manier 4 Manier 5
Bijdrage man kind 1,2 333 250 322 383 367
Bijdrage man kind 3 167 250 178 117 133
Tekort kind 1+ 2 217 (88/k) 250 (125/k) 228 (114/k) 166 (83/k) 183 (92/k)
Tekort kind 3 33 22 83 67

Let op: in dit voorbeeld wordt alleen de draagkracht verdeeld. De volgende stap is kijken welke invloed de zorgverdeling heeft en of er gronden zijn voor het toepassen van de zorgkorting.

Een greep uit de jurisprudentie

Een kleine (niet representatieve!) greep uit de jurisprudentie.

In zijn uitspraak van 24 oktober 2018 overweegt het Hof Den Haag dat de man een zwaarwegende en wettelijke onderhoudsverplichting jegens de kinderen uit zijn eerdere relatie heeft en dat de kosten van een nieuw kind daarom niet dermate mogen afwijken dat hij niet langer in de kosten van zijn andere kinderen kan voorzien. De hoge oppaskosten tellen daarom niet mee bij de behoefte van het nieuwe kind. Het hof verdeelt eerst de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen (€ 415 voor de oudere kinderen en € 870 voor het nieuwe kind). Rekening houdend met de bijdrageplicht van de partner resteert voor het nieuwe kind een surplus, dat wordt overgeheveld naar zijn andere kinderen.

In zijn uitspraak van 22 mei 2019 verdeelt het Hof Den Haag de draagkracht van de man gelijkelijk over zijn vier kinderen, omdat de gegevens om de behoefte van kind 3 en 4 te berekenen ontbreken en deze kinderen bij de man wonen.

In de uitspraak van het Hof Den Haag van 4 oktober 2017 heeft de man twee kinderen, één met zijn vorige partner en één met zijn nieuwe partner. Het gezinsinkomen van hem en zijn nieuwe partner is veel hoger dan dat van de (alleenstaande) vorige partner. Ondanks het verschil in behoefte tussen de kinderen verdeelt het hof de draagkracht van de man fifty-fifty. Maar dat is niet alles, want het hof hevelt ook een stuk surplus over naar het oudste kind ‘zodat de situatie van de minderjarige in de thuissituatie bij de vrouw in meerdere mate vergelijkbaar wordt met die van de situatie in het gezin van de man.’ (ro. 5.7)

De rechtbank Noord-Holland overweegt in zijn uitspraak van 3 juli 2019 dat ‘zoveel mogelijk in de kosten van alle kinderen moet worden voorzien’ en verdeelt de draagkracht van de man zodanig dat voor alle kinderen een gelijk tekort resteert.

In de uitspraak van het Hof Arnhem Leeuwarden van 31 januari 2017 hebben partijen een kind, dat bij de man woont. De vrouw heeft een kind uit een nieuw huwelijk en de man heeft drie nieuwe kinderen met zijn nieuwe partner. Het hof houdt rekening met de bijdrageplicht van de nieuwe partners door eerst een deel van de behoefte van de nieuwe kinderen toe te rekenen aan de nieuwe partners. Daarna wordt de draagkracht van partijen naar rato van de behoefte van de kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn verdeeld.

Conclusie

De algemene uitgangspunten voor samengestelde gezinnen laten (veel) ruimte voor maatwerk. Die ruimte wordt door de rechter ook benut. Het voordeel is dat alle omstandigheden van het geval een rol kunnen spelen. Het nadeel is dat zo’n redelijkheidsoordeel vaak subjectief aandoet.

Daar waar rekening moet worden gehouden met de bijdrageplicht van de nieuwe partner, ontstaat een rekenkundig probleem. Want wat is het startpunt van de berekening? Ga je eerst de draagkracht van de hoofdpersoon verdelen naar rato van de behoefte van de kinderen (manier 2) of begin je met het verdelen van de behoefte van de nieuwe kinderen naar rato van de draagkracht van de ouders (manier 3)? Manier 3 lijkt het meest in overeenstemming met de uitgangspunten van de Hoge Raad. Beide methoden worden in de praktijk gebruikt en geven (uiteraard) verschillende uitkomsten.

Dit alles maakt dat procederen over de kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen onvoorspelbare uitkomsten geeft. Is dat te voorkomen? Nee, tenzij je de regels sterk vereenvoudigt en (nog) meer met forfaitaire uitgangspunten gaat werken. We zien hier wéér het aloude dilemma rondom kindalimentatie: de keuze tussen eenvoud en maatwerk.

Ik sluit af met een citaat uit de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 mei 2017. Vóórdat de rechtbank aan een ellenlange rekenexercitie begint, geeft hij de fanatiek strijdende partijen het volgende mee.

‘Het is dan ook inherent aan de berekening van kinderalimentatie dat deze nooit exact overeen zal komen met de werkelijke situatie van partijen, maar dat slechts kan worden gekomen tot een benadering hiervan. Zeker in het geval als het onderhavige, waarin sprake is van meerdere onderhoudsgerechtigden en onderhoudsplichtigen, is een dergelijke exacte benadering onmogelijk. Een dergelijke benadering is bovendien ook niet wenselijk, omdat dan bij iedere kleine wijziging tot een herberekening zou moeten worden overgegaan. De vastgestelde kinderalimentatie dient juist een bepaalde bestendigheid te kennen om te voorkomen dat partijen steeds opnieuw in discussies (en wellicht zelfs procedures) belanden over de hoogte van de kinderalimentatie.’

Dit zouden rechters vaker moeten doen.


Met veel dank aan Hanneke Moons voor het meelezen en het commentaar!

[i] HR 13 december 1991, LJN: ZC0451, NJ 1992, 178: “3.3 (…) Op zichzelf is juist de overweging van het hof dat de wet geen regeling geeft voor een situatie als de onderhavige waarin iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit zijn eerste en uit zijn tweede huwelijk, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen. Een redelijke wetstoepassing brengt evenwel mede dat in zulk een geval het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (…).”  Zie ook HR 22 april 2005, LJN: AS3643, NJ 2005, 379, m.nt. SW.

Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295:  “3.4.1 (…) Ingeval het gaat om kinderalimentatie die door ouders is verschuldigd, zal de omvang van ieders verplichting in beginsel moet worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht (art. 1:404 lid 1 BW). Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust en dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouders in de nieuwe relatie eveneens bepaald dient te worden naar rato van ieders draagkracht. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder. Het hof heeft daarom niet kunnen voorbijgaan aan het betoog van de vrouw dat de man de inkomensgegevens van zijn echtgenote dient over te leggen (vgl. HR 22 april 1988, LJN AD0287, NJ 1989/386, HR 28 mei 1993, LJN ZC0978, NJ 1994/434, HR 11 november 1994, LJN ZC1539, NJ 1995/129 en HR 26 november 2010, LJN BN7055, NJ 2010/633). Voor zover het oordeel van het hof daarop mocht berusten dat de draagkracht van de man ontoereikend is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen – en zijn draagkracht daarom gelijkelijk moet worden verdeeld over alle kinderen – geldt dat het heeft miskend dat het eerst tot deze vaststelling kon komen nadat het de draagkracht van de echtgenote van de man had onderzocht en vastgesteld, nu de voor [kind 1] beschikbare draagkracht van de man daardoor mede op vorenstaande wijze kan worden beïnvloed (HR 22 april 2005, LJN AS3643, NJ 2005/379). 3.4.2 Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder van de kinderen uit de andere relatie benodigde gegevens, staat het hem vrij die draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op art. 21 en 22 Rv., rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen.”

Zie ook Hoge Raad 03-02-2017 ECLI:NL:HR:2017:157 en Hoge Raad 9-3-2018, ECLI:NL:HR:2018:314.

Samengestelde gezinnen en kinderalimentatie (1)

18 oktober 2019 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Samengestelde gezinnen en kinderalimentatie (1)

Samengestelde gezinnen: de onderhoudsplicht van de stiefouder

Een samengesteld gezin – ook wel stiefgezin of nieuw gezin genoemd – is een gezin waarbij tenminste een van de partners kinderen heeft uit een vorige relatie. Meestal ontstaat een samengesteld gezin na echtscheiding. Een gescheiden ouder krijgt een nieuwe partner, die zelf soms ook kinderen heeft. En uit die nieuwe relatie worden soms ook weer kinderen geboren.

Het berekenen van kinderalimentatie kan in zo’n geval behoorlijk ingewikkeld zijn. Vaak zijn er drie personen onderhoudsplichtig voor een kind en moet de draagkracht van ouders worden verdeeld over kinderen die in verschillende gezinnen wonen. Hoe doe je dat? Zijn er regels voor dit soort berekeningen?

Deze blog bestaat uit twee delen. Dit eerste deel gaat over de bijdrageplicht van de stiefouder. Moet de stiefouder net zo veel bijdragen als de biologische ouder? Deel 2 gaat over draagkrachtverdeling van ouders van wie de kinderen in verschillende gezinnen leven.

Wie zijn onderhoudsplichtig voor een kind?

De vraag die aan alles vooraf gaat: wie zijn eigenlijk onderhoudsplichtig voor een kind?

Onderhoudsplichtig voor een kind zijn de ouders en de stiefouders. Een stiefouder is degene met wie een ouder is getrouwd of een geregistreerd partnerschap heeft. Een stiefouder is alleen onderhoudsplichtig voor een kind dat tot zijn gezin behoort. Bijvoorbeeld: een man trouwt met een vrouw die kinderen heeft uit een eerder huwelijk, maar die kinderen bij wonen bij hun vader. De man wordt dan wel stiefouder, maar niét onderhoudsplichtig voor deze kinderen.

Wanneer een ouder gaat samenwonen – zonder huwelijk of partnerschap – ontstaat voor de partner géén onderhoudsplicht [1].

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is een biologische ouder die het kind niet heeft erkend, wél onderhoudsplichtig.

Een wettelijke, maar niet-biologische ouder (denk bijvoorbeeld aan adoptie) is natuurlijk ook gewoon onderhoudsplichtig.

De bijdrageplicht van de stiefouder versus de ouder

De stiefouder moet dus meebetalen aan het levensonderhoud van de stiefkinderen die tot zijn of haar gezin behoren. Maar telt de bijdrageplicht van de stiefouder net zo zwaar als die van de eigen ouders?

De Hoge Raad heeft al in 1994 beslist dat de onderhoudsplicht van een stiefouder niét subsidiair is aan die van de ouders. Met andere woorden: de stiefouder komt niet pas aan bod wanneer de ouders een tekort aan draagkracht hebben. Hoofdregel is een gelijke rang van onderhoudsverplichtingen, dat wil zeggen dat elke onderhoudsplichtige in principe naar rato van zijn draagkracht moet bijdragen (zie ook: Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295).

Maar – en nu komt het – er moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval en dan met name met de bijzondere verhouding tussen ouder en kind en tussen stiefouder en kind. Denk daarbij aan de mate van contact tussen ouder en kind, aan de vraag hoe lang de stiefouder al in beeld is, en het gegeven dat de biologische ouder sowieso nauwer verwant is met het kind dan een stiefouder. Deze onderlinge verhoudingen kunnen reden zijn om af te wijken van de hoofdregel. Het laat zich raden dat dit bijzondere-verhouding criterium veel ruimte laat voor (subjectieve) appreciatie.

Een greep uit de jurisprudentie

Hieronder een kleine (niet representatieve!) greep uit de jurisprudentie.

In de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 18 september 2018 heeft een man twee kinderen uit een vorige relatie en is hij stiefvader van het kind van zijn nieuwe partner. Het hof overweegt klip-en-klaar dat ‘de verplichting tot levensonderhoud door de eigen ouders voorop staat’. En omdat het hof ervan uitgaat dat de eigen ouders van het stiefkind ruimschoots in diens behoefte kunnen voorzien, telt het stiefkind niet mee bij het verdelen van de draagkracht van de man. Het hof maakt hier de onderhoudsplicht van de stiefvader zonder meer subsidiair aan die van de wettelijke ouders.

Op 20 december 2018 oordeelt het Hof Den Bosch over de situatie waarin de biologische vader en het kind al jaren geen contact meer hebben en het kind al zo’n vier jaar deel uitmaakt van het gezin van stiefvader. Het hof vindt het in dit geval redelijk dat de stiefvader een derde deel van de kosten van het kind draagt. Het overige deel wordt naar rato van de draagkracht van de vader en de moeder verdeeld.

In de uitspraak van het Hof Den Bosch van 5 juli 2018 hebben vader en moeder twee kinderen, waarvan de jongmeerderjarige al jaren bij een tante woont. Moeder is hertrouwd en het jongste kind woont bij haar en stiefvader. De rechtbank rekende vader een groter aandeel in de kosten toe dan stiefvader, maar het hof is het daar niet mee eens. Het hof oordeelt dat hier de hoofdregel van gelijke rang moet gelden en en verdeelt daarom ieders draagkracht naar rato over de kosten van de kinderen.

Het Hof Amsterdam oordeelt op 18 augustus 2017 over de situatie van gescheiden ouders met één kind, waarbij moeder is hertrouwd en het kind bij haar en stiefvader woont. Tussen vader en kind is regelmatig contact en het huwelijk van moeder is nog vers. Zowel vader als stiefvader kunnen volledig in de behoefte van het kind voorzien, de draagkracht van moeder is gering. Het hof vindt het in dit geval niet redelijk om de draagkracht naar rato over de kosten van het kind te verdelen, want dan zou stiefvader net zo veel als vader betalen. Daarom vindt het Hof dat vader en moeder samen twee derde moeten bijdragen.

Conclusie

De bijdrageplicht van de stiefouder wordt soms op nihil gesteld, soms op een derde deel van de kosten, dan weer naar rato van draagkracht over de kosten verdeeld. De praktijk kent ongetwijfeld nog (veel) meer variaties. De rechter heeft veel ruimte voor maatwerk, voor een redelijkheidsoordeel. Waardoor de rechtspraak onvermijdelijk casuïstisch wordt, en subjectief aandoet.

Voor de rechtszekerheid was het beter geweest wanneer de Hoge Raad de bijdrageplicht van de stiefouder subsidiair had gemaakt aan die van de ouders. Dan was er een duidelijke, voor alle gevallen toepasbare regel geweest. Voor het volledig afschaffen van de stiefouderlijke onderhoudsplicht wordt intussen al jaren gepleit [2]. Tot nu toe zonder resultaat.

De slotsom luidt dat procederen over dit onderwerp wel iets weg heeft van een kansspel. Voor ouders des te meer reden om – zo nodig met hulp van een mediator – samen goede afspraken te maken.


[1] De vraag of bij samenwonen een onderhoudsplicht voor de niet-ouder moet ontstaan, net als voor de stiefvader, speelt al jaren en wordt af en toe aan de rechter voorgelegd. Tot nu toe heeft alleen een (lagere) rechter in zeer uitzonderlijke omstandigheden rekening gehouden met het feit dat een samenwonende vader financieel de zorg droeg voor de kinderen van zijn partner (Rb. Noord-Holland, 20-04-2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3147).

[2] Zie ook het wetsvoorstel herziening kinderalimentatie, Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 34 154, nr. 3, pagina 18.

Naschrift 

Recent oordeelde de rechtbank Rotterdam dat bij co-ouderschap een kind in twee gezinnen woont en dat de stiefouder (dus) onderhoudsplichtig is. Zie ECLI:NL:RBROT:2020:554. Een terecht uitspraak.

Partneralimentatie en kindgebonden budget

13 augustus 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Partneralimentatie en kindgebonden budget

Kortsluiting bij partneralimentatie en kindgebonden budget

Wij mensen maken het recht. Het recht is er om ons te dienen, nietwaar?

Toch is er steeds vaker iets vreemds aan de hand. Het recht gedraagt als een enorm uitdijend netwerk dat bezig is zijn eigen leven te gaan leiden. Wanneer ergens in de kluwen een schakeltje wordt omgezet, kan elders zomaar kortsluiting ontstaan.

Neem het dossier alimentatie en kindgebonden budget. Een minidrama in vogelvlucht.

De aanleiding

Een paar jaar geleden besloot de overheid de kindregelingen te vereenvoudigen. Een aantal ervan werd afgeschaft. In de plaats daarvan werd o.a. het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders fors opgehoogd. Het kindgebonden budget (kgb) is een netto toeslag op het inkomen, net als de huurtoeslag en zorgtoeslag.

Mooi zou je zeggen, elke vereenvoudiging is welkom. Klopt, ware het niet dat niemand van tevoren had bedacht dat deze vereenvoudiging elders in het netwerk kortsluiting zou veroorzaken en wel bij het berekenen van alimentatie … een onderwerp dat toch al standaard voor hoofdbrekens zorgt.

Kinderalimentatie en kindgebonden budget

De problemen begonnen bij de kinderalimentatie. Bij de berekening daarvan kijk je altijd eerst: hoeveel kosten de kinderen [i]?Dat bedrag is de maximale alimentatie. De vraag die met de introductie van het hoge kindgebonden budget opkwam: moest je nou dat hele kgb, oplopend tot wel € 450 per maand, beschouwen als een potje om de kosten van de kinderen mee te betalen? Anders gezegd: verminderde dat hoge kgb 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie? Een ‘ja’ zou betekenen dat alleenstaande ouders met een hoog kgb plotseling veel minder kinderalimentatie zouden krijgen.

De Trema-normen, intussen aangepast aan gewijzigde kindregelingen, zeiden: ja, het kgb is er om de kinderkosten mee te betalen en vermindert dus 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie. Gevolg was dat veel alimentatiebetalers, doorgaans vaders, naar de rechter stapten om de alimentatie te laten verlagen. Aanvankelijk met succes.

Maar hier werd al snel een stokje voor gestoken. Veel rechters en advocaten meenden dat dit niet de bedoeling kon zijn. Want terwijl het inkomen van een alleenstaande ouder nauwelijks was gewijzigd (het hoge kgb kwam immers in de plaats van andere voordelen) ging de kinderalimentatie opeens omlaag, soms wel met een paar honderd euro per maand. Gevolg was dat sommige rechters de Trema-normen links lieten liggen. Ze gingen verschillend oordelen, de een deed zus, de ander zo. Verwarring alom.

Hoge Raad I

Er zat niks anders op dat de principiële vraag voor te leggen aan ons hoogste rechtscollege. De Hoge Raad antwoordde snel en duidelijk: het kgb is bedoeld als inkomensondersteuning. Daarom telt het bij de berekening van kinderalimentatie mee als inkomen bij de alimentatieontvanger en kan het voor allerlei kosten (zoals eten, drinken, wonen) worden gebruikt en is het niet alleen bestemd voor de kosten van de kinderen. Ergo: het kgb vermindert niet 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie.

Dit was een uitspraak die iedereen wel kon begrijpen. Reuze vervelend alleen dat nogal wat alimentatiebetalers opnieuw naar de rechter of mediator moesten om de eerder te laag vaststelde alimentatie te laten wijzigen.

Partneralimentatie en kindgebonden budget

Was toen alles opgelost? Nou nee, want toen kwam de volgende vraag, en wel een die veel weg had van de vorige. Dat zit zo. Het kan zijn dat degene die aanspraak heeft op kinderalimentatie – meestal de vrouw – een hoger bedrag aan kgb ontvangt dan haar aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt (dit is af te lezen uit de berekening van kinderalimentatie). De vraag is dan: als je vervolgens de partneralimentatie berekent, telt dit surplus aan kgb dan mee als inkomen van de ontvanger, waardoor de aanspraak op partneralimentatie minder wordt? Of moet je het kgb helemaal buiten beschouwing laten, omdat het voor de kinderen is bestemd?

Opnieuw een periode van onzekerheid: de ene rechter oordeelde zus, de ander zo. Daarom werd ook deze vraag in aller ijl voorgelegd aan de de Hoge Raad, die op 7 juli jl. antwoord gaf. Een antwoord dat allesbehalve verlossend lijkt.

Hoge Raad II

Wie had gedacht dat de Hoge Raad in lijn met zijn uitspraak over de kinderalimentatie zou zeggen: ‘het kgb is een inkomensondersteunende maatregel en dus telt het surplus mee als inkomen van de alimentatieontvanger’, die komt bedrogen uit. De Hoge Raad constateert dat het bedrag aan kgb afhangt van het inkomen van degene die er recht op heeft en dat dit inkomen onder meer bestaat uit …. juist ja, partneralimentatie. Ofwel hoe meer alimentatie iemand krijgt, hoe lager de aanspraak op kgb. En daar zit volgens de Hoge Raad de crux: het is niet de bedoeling om de overheid op kosten te jagen daar waar een ex-partner ook ruimte heeft om te betalen. Zo is het ook bij de zorg- en huurtoeslag, die tellen ook niet mee als inkomen bij het berekenen van alimentatie [ii].

Dit alles leidt tot de wonderlijke slotsom dat bij kinderalimentatie het kgb wordt gezien als inkomen van de alimentatieontvanger om de alimentatie zo hoog mogelijk te krijgen, terwijl bij partneralimentatie het surplus aan kgb opeens geen inkomen meer is om precies dezelfde reden. Bovendien – en nu wordt het bont – geldt dit volgens de Hoge Raad zelfs wanneer de alimentatieontvanger uiteindelijk meer te besteden heeft dan de betaler, omdat deze anders indirect toch zou meeprofiteren van het kgb. Met andere woorden: ook bij de zgn. jusvergelijking telt het kgb niet mee als inkomen.

(Als u het niet meer begrijpt, geen zorg, u bent in goed gezelschap …)

Onlogisch

De uitkomst van Hoge Raad II is onlogisch.

Ten eerste. De afgeschafte alleenstaande ouderkorting – een korting op de inkomstenbelasting – telde logischerwijs mee bij het inkomen van de partneralimentatieontvanger [iii]. Waarom het hoge kgb dat hiervoor in de plaats in gekomen dan niet? Of is dit ‘gewoon’ de bijvangst (leuk voor de overheid) van de operatie vereenvoudiging-kindregelingen?

Ten tweede. Zoals gezegd kan het kgb meer bedragen dan de ontvanger kwijt is aan kinderkosten [iv]. Maar bij de berekening van partneralimentatie wordt dat restdeel gewoon weggegumd. Dat klopt toch niet? Nee hoor, zegt de Hoge Raad, zo moet je dat niet zien: kinderkosten worden immers forfaitair (Nibud) berekend en kunnen dus in werkelijkheid hoger zijn. Jaha, zo kan ik het ook. Dat is wat je noemt tussentijds de spelregels veranderen. We berekenen de kinderkosten altijd forfaitair, maar uuh nu even niet …

Echt oneerlijk wordt het wanneer de alimentatieontvanger onder de streep meer overhoudt dan de betaler en het kgb-surplus niet in de jus mag worden gebruikt.

De praktijk

Grote praktische vraag is natuurlijk: in hoeveel gevallen speelt deze partneralimentatie-problematiek eigenlijk en wat zijn dan de financiële consequenties per geval? Ik weet het niet, maar het kan zijn dat we bezig zijn ons het hoofd te breken over moeilijke theorie, terwijl het in werkelijkheid weinig zal voorkomen dat een surplus aan kgb tot een lagere partneralimentatie leidt. En – mocht dat al zo zijn – dat het gaat om kleine bedragen gaat. Best mogelijk dat een heel leger juristen bezig is na te denken over een probleem waarvan we de (financiële) impact niet kennen, een impact die misschien gering is.

Vertrouwen

Punt is – en dan zijn we terug bij af – dat niks van dit alles van tevoren bedacht, laat staan zo bedoeld is. Dit hele gedoe is louter en alleen het onbedoelde gevolg van een herschikking elders in het systeem van regels. Beangstigend als je er over nadenkt. Want behalve dat het mensen boos maakt en op kosten jaagt, holt het uiteindelijk ons vertrouwen in het recht uit. Terwijl juist vertrouwen de brandstof is van het hele systeem.


Naschrift: zie ook het blog Alimentatie en de f(r)ictie van de toeslagen. Ook de huur- en zorgtoeslag tellen sinds jaar en dag niet mee als inkomen aan de kant van de alimentatieontvanger. Wanneer er daarnaast ook een substantieel surplus aan kindgebonden budget is, kan er zomaar zo’n € 600 netto per maand buiten de berekening blijven.

[i] Voor de kinderkosten zijn Nibudtabellen: afhankelijk van de hoogte van het gezinsinkomen laten de tabellen zien hoeveel een kind gemiddeld per maand kost.

[ii] Al in 1995 besloot de Hoge Raad dat de huur- en zorgtoeslag niet meetellen als inkomen bij de alimentatiegerechtigde, omdat deze toeslagen van ‘aanvullende aard’ zijn. Ook hier is de redenering: als de alimentatieplichtige ruimte heeft om te betalen, is het niet aan de overheid om dat te doen. De huur- en zorgtoeslag tellen wel mee bij de jusvergelijking.

[iii] Voor werkenden gold de alleenstaande ouderkorting. Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering kregen een toeslag op de uitkering. In beide gevallen telde die korting resp. toeslag als inkomen mee bij de partneralimentatie.

[iv] Voor een geval waarbij het kgb hoger was dan het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen zie bijv. deze casus die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.

 

 

 

 

 

 

Forfaitaire woonlasten bij kinderalimentatie: eeuwig dilemma

28 september 2016 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Forfaitaire woonlasten bij kinderalimentatie: eeuwig dilemma

Forfaitaire berekening woonlasten

Per 1 april 2013 is de berekening van kinderalimentatie vereenvoudigd. Er wordt geen rekening meer gehouden met de werkelijke woonlasten van degene die alimentatie moet betalen. In plaats daarvan geldt een forfaitair systeem: de woonlasten worden gesteld op 30% van het netto inkomen. In de praktijk betekent dit dat een alimentatieplichtige met lage woonlasten ‘geluk’ heeft en iemand met hoge woonlasten ‘pech’.[i]

De bedoeling van een forfaitair systeem is om de berekening eenvoudiger te maken. En duurzamer, zodat niet elke wijziging in iemands woonlasten kan leiden tot discussie en een nieuw alimentatiebedrag.

De bedoeling is goed: de regels vereenvoudigen, zodat iedereen ze zelf kan toepassen en mensen weten waar ze aan toe zijn. Dat leidt tot minder discussies, minder procedures, minder (advocaat)kosten, en de rechterlijke macht wordt minder belast.

Is eenvoud rechtvaardig?

Maar pakt dat ook werkelijk zo uit? En is die eenvoudige regel ook rechtvaardig?

Dat is het eeuwige dilemma. Kiezen tussen eenvoud en maatwerk.

Het Gerechtshof Den Haag moest onlangs oordelen over dat dilemma. In deze zaak had degene die alimentatie moest betalen een forfaitaire woonlast van € 1.388,– per maand. Zijn werkelijke woonlast was € 484,– per maand. Een verschil van maar liefst € 904,–. Als bij de berekening van de kinderalimentatie de forfaitaire woonlast zou worden genomen, zou er voor de kinderen minder geld zijn dan waarop ze (volgens Nibud-tabellen) recht zouden hebben. En daarom zei het Hof:

“Voor de kinderen is het van essentieel belang dat ook in financiële zin goed voor hen wordt gezorgd. (…) Nu er een aanmerkelijke discrepantie is tussen de werkelijke woonkosten en de forfaitaire woonkosten en dit ten koste gaat van de kinderen, acht het hof het hanteren van het forfaitair systeem in het onderhavige geval in strijd met de uitgangspunten van de wetgever (…).”

Eenvoud versus maatwerk

Het Hof koos dus voor maatwerk. Wat uiteraard de deur openzet voor andere mensen die met alimentatie van doen hebben en die ook maatwerk willen. Dan is de vraag: wanneer precies wordt de eenvoudige regel te onrechtvaardig? Wanneer wijken iemands woonlasten zodanig af van het forfait dat het niet meer acceptabel is? Het beantwoorden van die vraag is – ben ik bang – alweer … maatwerk.

Een eeuwig dilemma. Tussen aan de ene kant het streven naar eenvoud, kostenbesparing. Een aan de andere kant het streven naar recht doen aan individuele omstandigheden, rechtvaardigheid.

Het lijkt onoplosbaar. Tenzij je erkent dat ‘de’ oplossing niet bestaat. Dat het altijd zoeken zal blijven, naar een balans. Te veel eenvoud pakt onrechtvaardig uit. Te veel maatwerk is duur en ingewikkeld.

Daarom: het berekenen van alimentatie zal voorlopig wel specialistenwerk blijven. En de uitkomst van een procedure bij de rechter in min of meerdere mate onzeker.

Gelukkig slagen veel mensen er in om samen – buiten de rechter om – afspraken te maken over de alimentatie. En in alle gevallen moeten we maar bedenken: het ‘enige juiste bedrag’ bestaat niet.


[i] Noot: Een uitzondering kan volgens de TREMA-normen worden gemaakt als er sprake is van ‘dubbele’ woonlasten, wat bij scheiding regelmatig voorkomt. De alimentatieplichtige betaalt dan bijvoorbeeld nog een tijdlang (de helft van) de hypotheek van de voormalige echtelijke woning en heeft intussen ook eigen woonlasten. In dat geval zal de rechter doorgaans rekening houden met de werkelijke woonlasten.

 

Kindgebonden budget en alimentatie: alweer gedoe!

28 februari 2016 familierecht Reacties uitgeschakeld voor Kindgebonden budget en alimentatie: alweer gedoe!

Kindgebonden budget … alweer gedoe

Vorig jaar ontstond veel discussie over de manier waarop het kindgebonden budget (KGB) moet meetellen in de berekening van kinderalimentatie. De Hoge Raad moest er aan te pas komen om duidelijkheid te brengen. Maar nu blijkt dat die uitspraak van de Hoge Raad zelf weer tot discussie leidt met als gevolg opnieuw onzekerheid voor mensen die met alimentatie te maken hebben.

Wat vooraf ging: de uitspraak van de Hoge Raad

Per 1 januari 2015 is er voor alleenstaande ouders met een laag inkomen recht op een hoog kindgebonden budget (KGB). Hoog wil zeggen: honderden euro’s, tot wel € 450 per maand.

Dat gaf vorig jaar een boel discussie, want op welke manier moest dat KGB nou meetellen bij de berekening van kinderalimentatie? Een nogal technisch verhaal, maar simpel gezegd: als je het KBG zou zien als een bedrag dat echt bedoeld was voor de kosten van kinderen, dan moet je het rechtstreeks aftrekken van wat de kinderen nodig hebben, met als gevolg een laag bedrag aan kinderalimentatie, ook wanneer de andere ouder best meer alimentatie zou kunnen betalen. Zie je het KGB daarentegen als ondersteuning van het gezinsinkomen, dan moet je het optellen bij het inkomen van de alimentatieontvanger en krijg je een ander, vaak veel hoger bedrag aan alimentatie.

Rechters oordeelden verschillend. Met als gevolg: grote rechtsonzekerheid én ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

De Hoge Raad moest de knoop doorhakken. Dat deed hij op 9 oktober 2015. De Hoge Raad zei: het KGB is een inkomensondersteunende maatregel en moet dus bij het inkomen van de alimentatieontvanger worden opgeteld. Het gevolg was dat veel eerder vastgestelde alimentaties opnieuw konden worden berekend en vaak hoger uitkwamen.

Allemaal heel vervelend voor betrokkenen, maar zou je zeggen: nu is er tenminste duidelijkheid.

Tja …………………

Uitspraak leidt tot nieuwe discussie

Je zou het haast niet geloven maar de uitspraak van de Hoge Raad heeft tot een nieuwe discussie geleid. Want wat te doen met het KGB bij het berekenen van partneralimentatie? Telt dat KBG mee als inkomen van de alimentatieontvanger of niet? Voor de duidelijkheid: bij partneralimentatie wordt de behoefte aan alimentatie (d.i. hoeveel heeft iemand nodig) meestal bepaald door 60% te nemen van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk. Van die behoefte moet je vervolgens het eigen inkomen (na de scheiding) aftrekken, wat logisch is want voor zover iemand in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien is er natuurlijk geen behoefte aan een bijdrage van de ex-partner..

Het maakt dus uit of je het KGB aftrekt van de behoefte of juist buiten beschouwing laat. Aftrekken betekent: een lagere behoeftigheid en dus een lagere alimentatieaanspraak.

Dat hier verschillend over gedacht kan worden, blijkt intussen uit uitspraken van rechters. Voorbeeld: het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zegt: KGB moet worden afgetrokken van de behoefte. Voorbeeld: het gerechtshof Den Haag zegt: het KGB telt niet mee.

Wat nu?

Het maakt alweer verschil bij welke rechter je terecht komt met een alimentatiegeschil. Dat mag natuurlijk niet. Het zou dus goed zijn als deze vraag zo snel mogelijk aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.

Iets anders maar niet minder belangrijk: dit probleem laat ‘prachtig’ zien hoe complex onze regels zijn geworden. Ons recht is als alsmaar uitdijend bouwwerk met veel te veel architecten en miljoenen bewoners met eigen wensen. Een bouwwerk met sluiproutes, wenteltrappen en donkere kamers. Een bouwwerk met een zo langzamerhand griezelig gebrekkige constructie: als je op de ene plek een steen weghaalt, stort elders een muur in.

Waarmee wij op ons stokpaard komen. Wij moeten het recht beheersen en niet andersom. Maak de regels niet nodeloos ingewikkeld en voorzie ze van een ‘gebruiksaanwijzing’ die iedereen snapt.

Laat ons recht alsjeblieft geen doolhof worden!

Heeft u vragen over kinder- of partneralimentatie: bel of mail met Hedy Bollen.