Tag: gemeenschap van goederen

Schulden en scheiding: de verdeling van gemeenschapsschulden

24 maart 2021 familierecht Reacties uitgeschakeld voor Schulden en scheiding: de verdeling van gemeenschapsschulden

Schulden en scheiding 

Bij (echt)scheiding moeten de gemeenschapsschulden in beginsel fiftyfifty worden verdeeld. Maar er zijn uitzonderingen. Die worden in deze blog besproken.

Een harde hoofdregel

Wanneer echtgenoten zijn getrouwd in gemeenschap van goederen [i], moeten bij echtscheiding niet alleen de bezittingen maar ook de schulden van de gemeenschap worden verdeeld. De hoofdregel voor de verdeling is eenvoudig: de bezittingen worden bij helfte verdeeld en de schulden bij helfte gedragen, tenzij bij huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant afwijkende afspraken zijn gemaakt.[ii]

In beginsel is het dus samen uit samen thuis bij een goederengemeenschap.

De fiftyfifty-verdeling van de schulden kan hard uitpakken en niet zelden komt een van de echtgenoten voor onaangename verrassingen te staan. Hij of zij heeft echter wel een paar opties om zich tegen de gelijke verdeling te verweren. Die opties zal ik hieronder bespreken.

Vooraf: welke schulden vallen in de gemeenschap?

Bij een volledige gemeenschap van goederen vallen in beginsel alle schulden van de echtgenoten in de gemeenschap, ook de voorhuwelijkse schulden. Het maakt niet uit op wiens naam de schulden staan. Niét in de gemeenschap vallen privéschulden. Privéschulden zijn schulden gerelateerd aan privévermogen, bijvoorbeeld de hypotheek op een vakantiewoning, gekocht met een erfenis verkregen onder uitsluitingsclausule. Ook zogenaamde verknochte schulden vallen niet in de gemeenschap; deze worden hieronder besproken.

Bij een beperkte gemeenschap van goederen vallen alleen de schulden tijdens het huwelijk ontstaan en de schulden die vóór het huwelijk door partijen samen zijn aangegaan, in de beperkte gemeenschap. Ook hier geldt dat privéschulden en verknochte schulden buiten de gemeenschap vallen.

Vooraf: onderscheid tussen aansprakelijkheid en draagplicht

Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de aansprakelijkheid en draagplicht.

Aansprakelijkheid geldt ‘naar buiten toe’: het betreft de relatie met de schuldeiser(s). Bij echtscheiding worden de echtgenoten op het moment dat de gemeenschap wordt ontbonden, automatisch hoofdelijk aansprakelijk voor álle gemeenschapsschulden, dus ook voor de schulden die de ander is aangegaan.[iii]

De draagplicht betreft de onderlinge relatie tussen de (ex)echtgenoten. Zoals gezegd geldt bij een gemeenschap van goederen als hoofdregel een fiftyfifty draagplicht.

Aansprakelijkheid laat de draagplicht onverlet, en omgekeerd.

Eerste uitzondering op de fiftyfifty verdeling: verknochte schulden

Verknochte schulden zijn schulden die vanwege hun hoogstpersoonlijke karakter buiten de gemeenschap vallen. Verknochte schulden hoeven daarom niet te worden verdeeld en komen volledig voor rekening van degene die de schuld aangaat. De categorie hoogstpersoonlijke schulden is echter ultraklein en voorbeelden zijn er nauwelijks. Tot nu toe zijn alleen schulden die zijn ontstaan door onrechtmatig handelen als verknocht bestempeld, waarbij het onrechtmatig handelen op zich allerminst voldoende was om een schuld als verknocht aan te merken. Voor dat laatste moet iets zeer ernstigs of zeer bijzonders aan de hand zijn.

Als verknocht beschouwde het Gerechtshof Den Bosch de schadevergoeding die een man moest betalen aan zijn slachtoffer voor het plegen van een zedendelict. De aard en ernst van het delict waren hierbij bepalend.

Hoogstpersoonlijk was volgens de Rechtbank Amsterdam ook de schuld van een man wegens verduistering, gepleegd enkele jaren nádat partijen gescheiden waren gaan leven en waarbij de vrouw niet (ook niet onbedoeld) had meegeprofiteerd van het fraudegeld.

Maar de meeste verwijtbare schulden, zoals een verkeersboete, een fraudeschuld of een gokschuld, worden in beginsel als niet-verknocht en dus als gemeenschapsschuld gezien. Ook schulden waarvan de ander geen weet had en die tijdens de scheiding als een (zure) surprise komen bovendrijven, vallen als regel gewoon in de gemeenschap.

Tweede uitzondering op de fiftyfifty verdeling: de redelijkheid en billijkheid

De redelijkheid en billijkheid kunnen een corrigerende werking hebben en zodoende nopen tot een andere verdeling van een of meerdere schulden. Tot 1 januari 2018 gold dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kon worden afgeweken van de verdeling bij helfte. Na deze datum is er voor de ontbonden gemeenschap met een negatief saldo iets meer lucht gekomen.

Er moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen schulden waar bezittingen tegenover staan en schulden waarbij dat niet zo is.

1. Schulden waar bezittingen tegenover staan

Voor schulden die ‘gedekt’ worden door goederen van de gemeenschap, geldt dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van een fiftyfifty-verdeling, namelijk daar waar dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De schuld blijft wel een gemeenschapsschuld, maar de draagplicht kan volledig naar een van de partners worden geschoven. De jurisprudentie laat zien dat in deze gevallen er daadwerkelijk iets heel bijzonders aan de hand moet zijn.

Een voorbeeld geeft het arrest van de Hoge Raad uit 2012. De echtgenoten waren in dat geval nog maar heel kort getrouwd, hadden niet of nauwelijks samengewoond en in elk geval geen gemeenschappelijke huishouding gehad. De schulden van de man dateerden van voor het huwelijk en de vrouw kreeg pas weet van deze schulden tijdens de echtscheidingsprocedure. Last but not least, de vrouw had op geen enkele manier meegeprofiteerd. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden, zei de Hoge Raad, kan worden afgeweken van fiftyfifty draagplicht.

Een ander voorbeeld is deze uitspraak van  het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het ging hier om een forse lening die de man – zonder dat de vrouw het wist – met zijn zus was aangegaan, op het moment dat partijen al in scheiding lagen en niet meer samenwoonden. De man kon niet laten zien dat hij het geleende geld had besteed aan de gemeenschap, zodat de rechter ervan uitging dat de vrouw niet had meegeprofiteerd van het geleende geld. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden moest de man de schuld volledig dragen.

Een recent voorbeeld tenslotte is deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag. In deze zaak deed de man slechts enkele maanden voor de scheiding een forse belegging in bitcoins van een dubieuze aanbieder, onder meer met geld dat hij had geleend van zijn ouders. De vrouw wist nergens van: niet van de lening en niet van de belegging. De man werd slachtoffer van zgn. brokerfraude en raakte zijn volledige belegging kwijt. Ook hier vond de rechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de vrouw de helft van de lening moest dragen.

2. Schulden waar géén bezittingen tegenover staan

Per 1 januari 2018 is artikel 1:100 BW gewijzigd. De wijziging houdt in dat de rechter gemakkelijker tot een afwijkende draagplicht kan beslissen, indien en voor zover het saldo van de ontbonden gemeenschap negatief is, namelijk daar waar uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een afwijkende verdeling voortvloeit.[iv]

In de parlementaire geschiedenis zijn als voorbeeldeen genoemd de echtgenoot die buiten medeweten van de ander veel schulden is aangegaan en hij of zij die schulden is aangegaan om onverantwoorde uitgaven te doen.

Een recent voorbeeld van deze minder zware redelijkheidstoets is de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2020. De gemeenschap had een negatief saldo. De vrouw kon onderbouwen dat de man veel schulden was aangegaan zonder dat zij het wist en dat hij een deel van de administratie voor haar verborgen had gehouden. De man stelde dat de vrouw had meegeprofiteerd van het geld, maar kon dat niet onderbouwen.

De harde hoofdregel: een greep uit de jurisprudentie

Dat de hoofdregel hard kan uitpakken laten de voorbeelden hieronder zien.

In de zaak waarover het Gerechtshof Amsterdam moest oordelen, had de man een voorhuwelijkse studieschuld die in de gemeenschap was gevallen. Kort na het huwelijk kreeg de man een ongeluk, waardoor hij langdurig buitenshuis moest worden verpleegd. Hij maakte zijn studie niet af – terwijl dat prima had gekund, volgens vrouw – en raakte, eenmaal hersteld, op het slechte pad. Dit alles was volgens het niet bijzonder genoeg om studieschuld als verknocht te bestempelen of af te wijken van gelijke draagplicht.

Hof ro. 5.4: De enkele stelling dat het aan de man zelf te wijten is dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt, wat daarvan ook zij, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de studieschuld als verknocht aan te merken. (…) Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. Dat partijen een periode niet hebben samengewoond, berust, zo begrijpt het hof, niet op een afspraak tussen partijen, maar is het gevolg van het ongeval dat de man is overkomen en de langdurige verzorging die hij daarna nodig had. De duur van het huwelijk en het niet hebben van een gemeenschappelijke bankrekening zijn niet zulke uitzonderlijke omstandigheden dat deze een afwijking van artikel 1: 100 BW rechtvaardigen. De gevangenisstraf die de man aan het eind van het huwelijk opgelegd heeft gekregen, heeft niets te maken met de studieschuld. Het hof neemt bij dit alles ook in aanmerking dat de vrouw niet heeft betwist dat de man, net zoals zij zelf, studeerde. Evenmin heeft zij een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat gezien het regime waaronder de man valt ten aanzien van zijn van DUO ontvangen studiegelden, deze van meet af aan een lening betreffen die pas op het moment van afstuderen in een gift worden omgezet en dat zij bekend was met dit systeem van studiefinanciering.

In de zaak waarover het hof Arnhem-Leeuwaarden zich moest buigen, ging het om een echtpaar dat op latere leeftijd trouwde. Beiden waren eerder getrouwd geweest en de man moest een fors bedrag aan partneralimentatie aan zijn ex betalen. Ook het tweede huwelijk liep op de klippen: de man raakte zijn baan kwijt, werd depressief en liet zijn geldzaken versloffen. Bij de scheiding had hij een schuld van meer dan € 20.000 wegens achterstallige partneralimentatie en was van mening dat de vrouw die voor de helft diende te dragen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden gaf de man gelijk: een schuld wegens achterstallige partneralimentatie niet verknocht is en de omstandigheden waren niet bijzonder genoeg om af te wijken van een gelijke draagplichtverdeling.

Hof ro. 5.6: Voor een uitzondering op deze hoofdregel op grond van artikel 1:94 lid 3 BW in verband met verknochtheid is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd – dat deze schuld een hoogstpersoonlijk karakter heeft, dat maatschappelijke opvattingen zich ertegen verzetten dat de schuld in de gemeenschap valt en dat zij in het huwelijk geen voordeel heeft genoten van die schuld – is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de schuld als verknocht aan te merken.’ Ro. 5.7: Wat betreft het subsidiaire standpunt van de vrouw is het hof van oordeel dat dat de vrouw onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die met zich brengen dat in dit geval dient te worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 1:100 BW. De vrouw wist dat de man een onderhoudsplicht had jegens [A.] en door – na een geregistreerd partnerschap – met de man te huwen in gemeenschap van goederen wist zij (dan wel behoorde zij te weten) dat een eventuele schuld wegens achterstallige alimentatie tot de huwelijksgoederengemeenschap zou (gaan) behoren.’

In de zaak die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden ging het om een man die gelden van zijn werkgever had verduisterd en met deze gelden de verbouwing van de echtelijke woning had bekostigd. De werkgever ontdekte de fraude en de man moest alles terugbetalen. De vrouw wist niets van de fraude van de man. De man vond dat de vrouw moest opdraaien voor de helft. Het hof gaf de man gelijk: de fraudeschuld was niet verknocht en een gelijke verdeling was niet onredelijk. Een belangrijke overweging was dat de vrouw had ‘meegeprofiteerd’ van de fraude, omdat het geld was besteed aan de gezamenlijke woning.

Hof ro. 2.6: Onrechtmatig handelen van één van beide echtgenoten en onwetendheid van de andere echtgenoot rechtvaardigt op zichzelf geen afwijking van artikel 1:100 BW. Daar komt bij dat (…) de verduisterde gelden voor een groot deel zijn besteed aan de bouw van de woning van partijen. Ook de vrouw heeft dit niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de gemeenschap, en dus ook de vrouw, in elk geval in zoverre geprofiteerd heeft van de gelden. Voor zover de verduisterde gelden aan andere doelen zijn besteed is niet voldoende onderbouwd en niet komen vast te staan dat de gemeenschap – en dus ook de vrouw – niet geprofiteerd heeft van het handelen van de man.

Nota bene: het is belangrijk te bedenken dat zaken over gemeenschappen die vóór 1 januari 2018 zijn ontbonden, onder de huidige regelgeving anders worden beoordeeld, indien en voor zover de betreffende gemeenschap een negatief saldo zou hebben.

Conclusie

De hoofdregel is dat echtgenoten na scheiding allebei de helft van de gemeenschapsschulden moeten dragen. Dat kan soms hard uitpakken voor degene die de schuld(en) niet zelf is aangegaan. Een echtgenoot kan zich verweren tegen een fiftyfifty verdeling door te stellen dat de schuld verknocht is aan de andere echtgenoot en/of dat verdeling bij helfte onredelijk is.

Tot nu toe zijn alleen schulden ontstaan door ernstig onrechtmatig handelen als verknocht aangemerkt.

Daar waar de schulden ‘gedekt’ worden door bezittingen is er weinig ruimte voor correctie door de redelijkheid en billijkheid. Heeft de gemeenschap een negatief saldo, dan is de redelijkheidstoets minder zwaar.


Deze blog is een geactualiseerde versie van Schulden en scheiding: samen uit samen thuis? uit 2019.

[i] Waar in deze blog gesproken wordt over huwelijk/echtgenoten, wordt tevens bedoeld geregistreerd partnerschap/geregistreerde partners.

[ii]  Artikel 1:100 lid 1 BW: De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

[iii] Artikel 1:102 BW:Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3. De rechtsvordering tot voldoening van de in de tweede volzin bedoelde schuld verjaart tegelijkertijd met de rechtsvordering tegen de echtgenoot, in wiens persoon de in die volzin bedoelde gemeenschapsschuld is ontstaan.

[iv] Artikel 1:100 lid 2 BW: Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. Zie ook Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:636.

Schulden en scheiding … samen uit, samen thuis?

10 februari 2019 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Schulden en scheiding … samen uit, samen thuis?

SCHULDEN EN SCHEIDING

Bij echtscheiding moeten gemeenschapsschulden fiftyfifty worden gedragen. Bestaan er uitzonderingen op deze harde hoofdregel? Daarover gaat deze blog.

Drie stellen

Drie in gemeenschap van goederen getrouwde stellen. Driemaal echtscheiding. En driemaal dezelfde vraag.

Moet de ene partner in geval van echtscheiding opdraaien voor de schulden van de ander, ongeacht wat voor schulden dat zijn? Is het werkelijk samen uit samen thuis als je in gemeenschap van goederen bent getrouwd?

Ik schets drie verschillende situaties. Denkt u mee?

Echtpaar 1: Het studerende duo

Marian1 en Menno1 trouwen in 2015 wanneer ze allebei nog studeren. Ze zijn verliefd, hebben grootse plannen voor de toekomst en willen alles samen delen.

Maar dan … veel sneller dan ze kunnen vermoeden, slaat het leven toe. Nog geen paar maanden nadat ze elkaar het jawoord hebben gegeven, krijgt Menno een ongeluk en moet hij lange tijd revalideren. Het is een zware periode. Na zijn herstel lijkt Menno veranderd. Hij kan zijn draai niet vinden, krijgt met iedereen problemen en komt zelfs in aanraking met de politie. De droom van Marian is kapot. Ze besluit echtscheiding aan te vragen. Bij de scheiding heeft Menno een forse studieschuld bij DUO, want hij is intussen ook gestopt met studeren en zonder diploma wordt de studielening niet omgezet in een gift.

De vraag is: moet Marian1 na de scheiding de helft van Menno’s studieschuld dragen?

Echtpaar 2: Trouwen voor de tweede keer

Marian2 en Menno2 trouwen in 2005, het is voor hun allebei het tweede huwelijk. Menno is kortgeleden gescheiden van zijn ex, aan wie hij maandelijks een fors bedrag aan partneralimentatie moet betalen. Over de vormgeving van hun huwelijksgoederenregime denken Marian en hij amper na, veel te blij zijn ze dat ze elkaar hebben gevonden.

Maar dan … raakt Menno zijn baan kwijt. Het is crisis op de arbeidsmarkt en het lukt Menno niet om snel weer aan het werk te komen. Hij voelt zich nutteloos en wordt depressief. Zijn geldzaken laat hij versloffen, of eigenlijk stopt hij die weg, hij kan het allemaal niet meer aan. Ook zijn relatie met Marian loopt op de klippen en bij de scheiding maken ze ruzie over alles. Intussen blijkt Menno een schuld van meer dan € 20.000 te hebben opgebouwd wegens achterstallige alimentatie aan zijn ex . Hij vindt dat Marian die voor de helft moet dragen, hij heeft immers ook zijn uitkering altijd op de gezamenlijke rekening gestort.

De vraag is: moet Marian2 de helft van Menno’s alimentatieschuld dragen?

Echtpaar 3: Een villa in het Gooi

Marian3 en Menno3 trouwen in 2010. Het is een sprookjeshuwelijk met alles erop en eraan. Menno is een flamboyante man die van een groots leven houdt. Hij werkt hard, verdient goed en na een paar jaar kopen hij en Marian een villa in het Gooi. De villa moet helemaal worden verbouwd, het is een driejaren plan, maar het wordt prachtig!

Maar dan … staat opeens de recherche voor de deur. Menno wordt opgepakt voor fraude. Hij heeft zijn werkgever voor een paar ton benadeeld door malversaties. Het geld heeft Menno onder meer besteed aan de verbouwing van de villa. Marian is volledig verrast. Zij wist van niets. Menno krijgt straf én moet het bedrag terugbetalen. Marian wil niet met hem verder en vraagt de scheiding aan.

De vraag is: moet Marian3 de helft van Menno’s fraudeschuld dragen?

Regels, rechtvaardigheid en muizengaatjes

Rechtvaardigheid

Over de antwoorden op deze vragen kunnen we lang nadenken. We kunnen er verhitte discussies over voeren. Ik vermoed dat veel mensen extra vragen zouden stellen alvorens een oordeel te vellen. Want hoe zat dat nou precies? Waarom stopte Menno1 met zijn studie? Was het onwil of valt zijn keuze te billijken? En wist Marian 3 echt niks van de fraude? Had er bij haar misschien een belletje moeten gaan rinkelen? En die arme Marian2, waarom zou zij in hemelsnaam moeten betalen voor het levensonderhoud van de ex-vrouw van haar partner?!

De hiervoor geschetste situaties triggeren ons gevoel voor rechtvaardigheid. Onze ingebouwde antenne zegt wellicht: ieder het zijne. Tit-for-tat.

Maar als het om de regels gaat, kunnen we ons morele kompas in dit geval maar beter thuislaten.

Ferme hoofdregel

We hebben hier namelijk te maken met een ferme wettelijke regel die al jaren fier overeind staat en nu eens niét is uitgegroeid tot een ingewikkeld netwerk van ‘ja tenzij’ en ‘nee mits’.

Die regel luidt: in geval van een gemeenschap van goederen worden bij scheiding de bezittingen fiftyfifty verdeeld en de schulden fiftyfifty gedragen. Hoezeer dat in sommige situaties ook indruist tegen onze moraal: het is samen uit, samen thuis.

Er zijn maar twee (hele kleine) muizengaatjes die een uitweg kunnen bieden als het om de draagplicht voor schulden gaat.

Eerste muizengaatje: een verknochte schuld

Verknochte schulden, dat wil zeggen schulden met een hoogstpersoonlijk karakter, vallen niet in de gemeenschap. Maar de categorie hoogstpersoonlijk is ultraklein en voorbeelden zijn er nauwelijks. Tot nu toe zijn alleen schulden die zijn ontstaan door onrechtmatig handelen als verknocht bestempeld, waarbij het onrechtmatig handelen op zich allerminst voldoende was om een schuld als verknocht aan te merken. Er moet iets zeer ernstigs of zeer bijzonders aan de hand zijn, wil van dat laatste sprake kunnen zijn.

Als verknocht beschouwde het Gerechtshof Den Bosch de schadevergoeding die een man moest betalen aan zijn slachtoffer voor het plegen van een zedendelict. De aard en ernst van het delict waren hierbij bepalend.

Hoogstpersoonlijk was volgens de Rechtbank Amsterdam ook de schuld van een man wegens verduistering, gepleegd enkele jaren nadat partijen gescheiden waren gaan leven en waarbij de vrouw niet (ook niet onbedoeld) had meegeprofiteerd van het fraudegeld.

Maar de meeste verwijtbare schulden, zoals een verkeersboete, een fraudeschuld of een gokschuld, worden in beginsel als niet-verknocht en dus als gemeenschapsschuld gezien. Ook schulden waarvan de ander geen weet had en die tijdens de scheiding als een (zure) surprise komen bovendrijven, vallen als regel gewoon in de gemeenschap.

Tweede muizengaatje: redelijkheid en billijkheid

Daarnaast kunnen er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn waardoor het fiftyfifty verdelen van een gemeenschapsschuld redelijkerwijs onacceptabel zou zijn. Er is dan wel sprake van een gemeenschapsschuld, maar de draagplicht kan volledig naar een van de (ex)partners worden geschoven. De jurisprudentie laat zien dat er in zo’n geval ook echt iets heel bijzonders aan de hand moet zijn.

Een voorbeeld geeft het arrest van de Hoge Raad uit 2012. De echtgenoten waren in dat geval nog maar heel kort getrouwd, hadden niet of nauwelijks samengewoond en in elk geval geen gemeenschappelijke huishouding gehad. De schulden van de man dateerden van voor het huwelijk en de vrouw kreeg pas weet van deze schulden tijdens de echtscheidingsprocedure. Last but not least, de vrouw had op geen enkele manier meegeprofiteerd. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden, zei de Hoge Raad, kan worden afgeweken van fiftyfifty draagplicht.

Een ander voorbeeld is deze zaak bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het ging hier om een forse lening die de man – zonder dat de vrouw het wist – met zijn zus was aangegaan, op het moment dat partijen al in scheiding lagen en niet meer samenwoonden. De man kon niet laten zien dat hij het geleende geld had besteed aan de gemeenschap, zodat de rechter ervan uitging dat de vrouw niet had meegeprofiteerd van het door haar ex geleende geld. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden moest de man de schuld volledig dragen.

Terug naar de drie stellen

De hierboven aangehaalde jurisprudentie betekent voor Marian1, Marian2 en Marian3 niet veel goeds. Een schuld wordt zelden als verknocht gezien en op basis van de redelijkheid en billijkheid wordt alleen afgeweken van de fiftyfifty-hoofdregel als er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.

De verhalen van de drie echtparen (Marian en Menno) zijn fictief, door mij ingekleurd, maar wel aan de jurisprudentie ontleend. We gaan kijken naar hoe de rechter in vergelijkbare gevallen heeft geoordeeld.

1. De studieschuld

Op 15 januari 2019 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam over de draagplicht van een studieschuld van de man. De vrouw stelde primair dat schuld verknocht was, omdat de man zonder noodzaak was gestopt met zijn studie en subsidiair dat het gezien alle omstandigheden volstrekt onredelijk was dat zij de helft zou moeten betalen.

Maar volgens het hof maakt het feit dat de man – mogelijk verwijtbaar – zijn studie niet afmaakte, nog niet dat de schuld als verknocht kan worden aangemerkt. Bovendien kende de vrouw het systeem van studiefinanciering, ze studeerde immers zelf ook toen ze trouwde.

Dat partijen maar heel kort hadden samengewoond, telt volgens het hof niet mee, omdat partijen hier niet zelf voor hadden gekozen; de man had een ongeval gehad en moest lange tijd buitenshuis worden verzorgd. Dat de man tenslotte een misstap beging en aan het einde van het huwelijk een gevangenisstraf moest uitzitten, had met zijn studieschuld niets te maken.

Anders gezegd: er is hier géén sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden, die een afwijkende draagplicht zouden rechtvaardigden.

Hof ro. 5.4: De enkele stelling dat het aan de man zelf te wijten is dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt, wat daarvan ook zij, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de studieschuld als verknocht aan te merken. (…) Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. Dat partijen een periode niet hebben samengewoond, berust, zo begrijpt het hof, niet op een afspraak tussen partijen, maar is het gevolg van het ongeval dat de man is overkomen en de langdurige verzorging die hij daarna nodig had. De duur van het huwelijk en het niet hebben van een gemeenschappelijke bankrekening zijn niet zulke uitzonderlijke omstandigheden dat deze een afwijking van artikel 1: 100 BW rechtvaardigen. De gevangenisstraf die de man aan het eind van het huwelijk opgelegd heeft gekregen, heeft niets te maken met de studieschuld. Het hof neemt bij dit alles ook in aanmerking dat de vrouw niet heeft betwist dat de man, net zoals zij zelf, studeerde. Evenmin heeft zij een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat gezien het regime waaronder de man valt ten aanzien van zijn van DUO ontvangen studiegelden, deze van meet af aan een lening betreffen die pas op het moment van afstuderen in een gift worden omgezet en dat zij bekend was met dit systeem van studiefinanciering.

2. De achterstallige partneralimentatie

Op 2 februari 2017 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden over de draagplicht voor achterstallige partneralimentatie. Ook hier stelde de vrouw primair: de schuld is verknocht. En subsidiair: een gelijke verdeling zou volstrekt onredelijk zijn.

Maar het hof ging niet met haar mee. Een schuld wegens partneralimentatie is – kort samengevat – niet bijzonder. In de wetenschap dat tot nu toe alleen schulden die aan (ernstige) misdrijven kleefden, als verknocht zijn beschouwd, is dat oordeel begrijpelijk.

Het hof overweegt vervolgens dat de vrouw wist waar ze aan begon, toen ze in gemeenschap van goederen trouwde. Ze wist dat haar partner een alimentatieplicht had en had volgens het hof dus ook behoren te weten dat dergelijke schulden in de gemeenschap vallen. Dit laatste voelt wat mij betreft echt zuur. Gevoelsmatig is partneralimentatie nu juist iets wat doorgaans als ‘hoogstpersoonlijk’ zal worden ervaren.

Hof ro. 5.6: Voor een uitzondering op deze hoofdregel op grond van artikel 1:94 lid 3 BW in verband met verknochtheid is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd – dat deze schuld een hoogstpersoonlijk karakter heeft, dat maatschappelijke opvattingen zich ertegen verzetten dat de schuld in de gemeenschap valt en dat zij in het huwelijk geen voordeel heeft genoten van die schuld – is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de schuld als verknocht aan te merken.’ Ro. 5.7: Wat betreft het subsidiaire standpunt van de vrouw is het hof van oordeel dat dat de vrouw onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die met zich brengen dat in dit geval dient te worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 1:100 BW. De vrouw wist dat de man een onderhoudsplicht had jegens [A.] en door – na een geregistreerd partnerschap – met de man te huwen in gemeenschap van goederen wist zij (dan wel behoorde zij te weten) dat een eventuele schuld wegens achterstallige alimentatie tot de huwelijksgoederengemeenschap zou (gaan) behoren.’

3. De fraudeschuld

Op 3 oktober 2017 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden over een situatie waarin de man fraude had gepleegd en met dat fraudegeld o.a. de echtelijke woning had verbouwd, terwijl de vrouw van niks wist. We zien de intussen bekende stellingen aan de kant van de vrouw. En ook deze vrouw kreeg van de rechter het lid op de neus.

Dat de fraudeschuld niet als verknocht is aangemerkt, is niet verwonderlijk, gezien de stand van de jurisprudentie. Maar de vrouw kreeg het ook niet voor elkaar de man een groter deel van de schuld te laten dragen dan zij. Het hof zei: het enkele feit dat de een iets doet wat niet mag en de ander daarvan geen weet heeft, rechtvaardigt niet een afwijking van de fiftyfifty-regel. Doorslaggevend lijkt vervolgens dat de vrouw (weliswaar onbedoeld maar toch) had meegeprofiteerd van de fraude. Het geld was immers deels in de echtelijke woning gestoken en zodoende in de gemeenschap terecht gekomen.

Dit profijtcriterium valt te begrijpen, althans voor zover het geld of de goederen nog aanwezig zijn tijdens de scheiding. Iedereen kan begrijpen dat het niet de bedoeling is dat de vrouw bij verdeling de helft krijgt van de overwaarde van de woning die is gefinancierd met fraudegeld.

Maar dit criterium geldt ook wanneer het geld weliswaar aan de gemeenschap is besteed, maar intussen foetsie is. Denk aan uitgaven voor de huishouding of een vakantie. En dan wordt het wel weer een zuur verhaal voor degene die oprecht van niks wist.

Hof ro. 2.6: Onrechtmatig handelen van één van beide echtgenoten en onwetendheid van de andere echtgenoot rechtvaardigt op zichzelf geen afwijking van artikel 1:100 BW. Daar komt bij dat (…) de verduisterde gelden voor een groot deel zijn besteed aan de bouw van de woning van partijen. Ook de vrouw heeft dit niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de gemeenschap, en dus ook de vrouw, in elk geval in zoverre geprofiteerd heeft van de gelden. Voor zover de verduisterde gelden aan andere doelen zijn besteed is niet voldoende onderbouwd en niet komen vast te staan dat de gemeenschap – en dus ook de vrouw – niet geprofiteerd heeft van het handelen van de man.

Snoeihard

Concluderend kunnen we stellen dat als Marian1, Marian 2 en Marian3 hun zaak aan de rechter zouden voorleggen, ze waarschijnlijk alle drie nul op rekest zouden krijgen.

De zakelijke kant van het huwelijk kan in de praktijk snoeihard uitpakken.

Handdoek in de ring?

Betekent dit nou dat iedereen die bij scheiding geconfronteerd wordt met een dubieuze schuld van zijn of haar ex meteen de handdoek in de ring moet werpen?

Nou, nee. Ten eerste scheiden veel mensen via overleg, door samen – met hulp van een advocaat of mediator – afspraken te maken zonder dat de rechter eraan te pas komt. En in onderling overleg kan een afwijkende draagplicht worden afgesproken. Ik adviseer wel om dergelijke afspraken altijd fiscaal te laten controleren.

Wie uiteindelijk toch bij de rechter terecht komt, kan altijd proberen te laten zien dat zijn of haar situatie zeer uitzonderlijk is. Daarvoor moet wel een uitgebreid verhaal worden verteld: de rechter moet voldoende bijzondere feiten en omstandigheden aangereikt krijgen om de afslag naar een van de twee muizengaatjes te kunnen nemen.

Beperkte gemeenschap sinds 2018

In de drie voorbeelden van Marian en Menno ging het om huwelijken van vóór 2018. Sinds 2018 geldt een gewijzigd huwelijksgoederenregime. Mensen die nu trouwen en die geen huwelijkse voorwaarden afspreken, zijn automatisch in een beperkte gemeenschap van goederen getrouwd. Dat betekent dat bezittingen én schulden die er vóór het huwelijk al waren, sowieso buiten de gemeenschap vallen. Dat kan de pijn verzachten.

Maar voor schulden die wél in de gemeenschap vallen, blijft het regime van de hoofdregel en de muizengaatjes onverkort gelden.

Moraal van dit verhaal

Een goede voorlichting voor iedereen die gaat trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaat, is essentieel. En wie kiest voor een (beperkte) gemeenschap van goederen, moet zich goed realiseren dat de financiële zaken van de ander ook zijn of haar financiële zaken worden.

We kunnen (gelukkig) niet alles dichttimmeren in het leven, maar soms zijn dingen misschien te voorkomen door iets meer aandacht te besteden aan de zakelijke kant van het huwelijk. Een kant die weinig romantisch is, maar wel lelijk kan uitpakken.


Naschrift

Per 1 januari 2018 is art. 100 lid 2 BW – dat handelt over de draagplicht van schulden bij echtscheiding – gewijzigd. De wijziging houdt in dat de rechter iets gemakkelijker tot een afwijkende draagplicht kan beslissen, indien en voor zover het saldo van de gemeenschap negatief is. Zie Hoge Raad 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:636). De Hoge Raad gaat er in deze uitspraak vanuit dat art. 100 lid vanaf 1 januari 2018 van toepassing is op de verdeling van een huwelijksgemeenschap die na die datum wordt ontbonden. Voor een voorbeeld van deze lichtere toets zie Rechtbank Rotterdam 18 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:12489.

Met dank aan Hanneke Moons en Sonja Alferink voor hun input.

Lees ook: schulden bij scheiding I – de algemene regels bij een volledige gemeenschap van goederen.

Lees ook: schulden bij scheiding II – de algemene regels bij een beperkte gemeenschap van goederen.