Tag: familierecht

Waarheid in het recht

17 april 2022 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Waarheid in het recht

Waarheid in het recht

Eén van de pijlers van het recht is waarheidsvinding. Waarheidsvinding wil zeggen dat er gedegen feitenonderzoek wordt gedaan, voordat de rechter een beslissing neemt.

Een vooronderstelling daarbij is dat de waarheid zich toont in de feiten. Maar in de praktijk blijken vele percepties van waarheid te bestaan. Daarover gaat deze blog.

Het probleem van waarheidsvinding

In civiele rechtszaken hebben alle partijen de wettelijke verplichting om de feiten die voor de zaak van belang zijn, volledig en naar waarheid te benoemen. Het doel mag duidelijk zijn: de rechter moet goed geïnformeerd worden, zodat hij een rechtvaardige beslissing kan nemen.

Op het eerste gezicht lijkt de opdracht helder. We verzamelen de relevante feiten en komen op die manier tot waarheid. Wat we bij deze voorstelling van zaken vergeten is dat feiten altijd duiding nodig hebben, dat ze altijd geïnterpreteerd moeten worden in het kader van de complexe werkelijkheid waarvan ze deel uitmaken. Als wij het hebben over waarheid, vooronderstellen we dat wij de feiten rationeel en objectief kunnen interpreteren. De praktijk leert anders. Wat in de psychologie allang bekend is, lijkt in de dagelijkse rechtspraktijk maar mondjesmaat door te dringen: wij zijn veel minder rationeel dan we denken.

Hoe komen wij tot waarheid?

Het is interessant om eerst een kort kijkje te nemen in de lange (filosofische) geschiedenis van het concept waarheid, van hoe de mens tot ware kennis komt.

Lange tijd had de mens maar weinig begrip van de wereld om hem heen. Pas met de Verlichting en de opkomst van de moderne wetenschap kwam de menselijke rede centraal te staan. Door zijn verstand, zijn rede te gebruiken zou de mens de werkelijkheid om hem heen kunnen duiden en begrijpen. De menselijke geest werd gezien als iets dat los stond van de materie, een onafhankelijk instrument van onderzoek. Louter door te denken, konden wij tot objectieve kennis komen. Dit heet rationalisme.

Een tegenstroming vormden de empiristen, die meenden dat mensen alleen kennis kon krijgen door te ervaren. Het verkrijgen van kennis werd daarmee iets relatiefs.

Het was Immanuel Kant die de brug bouwde. Kant stelde dat de werkelijkheid een samenspel is tussen de wereld om ons heen én wat ons denken daarmee doet. Anders gezegd: een strikt onderscheid tussen de werkelijkheid en onze interpretatie daarvan, is niet te maken. Feiten en interpretatie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

In onze postmoderne tijd is waarheid steeds meer een menselijke constructie geworden. Iets wat wij ervan maken. Waarheid kan worden gemaakt door macht (wie de macht heeft, bepaalt wat waar is), door perspectief (ik bepaal zelf wat waar is), door taal (de werkelijkheid bestaat uit woorden), door nut (iets dat nut heeft, is waar). Misschien wel de meest vergaande uitspraak komt van Friedrich Nietzsche: er zijn geen feiten, slechts interpretaties.

In dit perspectief is het vinden van waarheid is geen sinecure. En toch is dat precies wat wij van het recht verwachten.

Ons feilbare denken

Rechtstoepassing vereist rationeel, logisch denken. Het verzamelen en interpreteren van feiten moet volgens het recht objectief gebeuren. Uit de psychologie weten we echter dat ons brein allesbehalve een computer is.

Wanneer wij denken maken wij voortdurend gebruik van heuristieken – zeg maar mentale vuistregels – om tot oordelen te komen. Vuistregels zijn handig, maar bepaald niet nauwkeurig. Daarnaast is ons brein vatbaar voor allerlei basale denkfouten, ook wel cognitieve bias genoemd. [i]

Heuristieken en bias

Ik noem enkele bekende heuristieken en bias, die we ook in het recht vaak tegenkomen.

Tunnelvisie

Wij hebben de neiging om feiten die passen bij onze eigen overtuiging te bevoordelen boven feiten die daarmee in tegenspraak zijn. Dat heet tunnelvisie. Feiten die met onze eigen stellingen corresponderen, aanvaarden we. Botsende feiten negeren we of kleuren we in.

De wet van de kleine getallen

De wet van de kleine getallen betekent dat mensen liever patronen zien dan te accepteren dat de werkelijkheid vaak willekeurig verloopt. Omdat wij onzekerheid moeilijk kunnen verdragen, zijn we geneigd om consistentie of causaliteit te zien, daar waar deze in werkelijkheid niet bestaat. We houden er kortom geen rekening mee dat we te weinig weten: wat we zien, is alles wat er is.

Framing

Wij zijn enorm gevoelig voor wat tegenwoordig framing heet: de manier waarop bepaalde informatie wordt gepresenteerd, bepaalt ons gevoel hierover. Bijvoorbeeld: een toetje dat wordt aangeprezen als ‘90 procent vetvrij’ zullen we eerder kopen dan een toetje ‘met 10 procent vet’. Verhalen vertellen (‘storytelling’) is een vorm van framing. We nemen een aansprekend voorbeeld uit de werkelijkheid en maken daarvan een logisch eenduidig verhaal, in een poging de complexe werkelijkheid te verklaren.

Behoefte aan eenduidigheid

De mechanismen die ik hierboven heb genoemd, zijn maar een kleine greep uit wat de psychologie ons aanreikt. Rode draad is onze behoefte aan duiding, aan zekerheid, aan controle in een eindeloos complexe wereld.  Op zoek naar zekerheid maken wij denkfouten en zijn we gevoelig voor manipulatie.

Politici en marketeers maken sinds jaar en dag handig gebruik van deze mechanismen. In het recht bestaat maar weinig aandacht voor iets essentieels als ons feilbare denken, mogelijk omdat het daar eigenlijk niet mag bestaan. Van partijen verwachten we dat ze de bestanddelen voor waarheid aanleveren. Van de rechter verwachten we dat hij waarheid destilleert. Dat recht mensenwerk is, wordt nogal eens uit het oog verloren.

Complexe familierechtzaken

In complexe familierechtzaken waar kinderen bij zijn betrokken, klinkt al jaren de roep om beter feitenonderzoek. Het gaat dan om zaken rondom omgang en gezag, waarbij in uiterste instantie de rechter wordt gevraagd een kinderbeschermingsmaatregel te nemen in de vorm van een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing. Deze zaken mag je met recht ‘wicked problems’ noemen, omdat ze een bont pallet aan aspecten hebben. Het gaat doorgaans om langdurige ingewikkelde interacties tussen mensen, ieder met hun eigen karakter en geschiedenis. Het gaat om steeds verschillende omstandigheden, om snel veranderende maatschappelijke opvattingen en last but not least om zaken die zich deels afspelen in het privédomein, in de beslotenheid van het gezin.

Er worden brede maatschappelijke pogingen gedaan om het feitenonderzoek in dit soort zaken te verbeteren. Maar wie de rapportages leest, zal tevergeefs zoeken naar de diepere laag onder het probleem. De aanbevelingen bestaan voornamelijk uit (overigens goede) procedurele verbeterpunten, zoals het werken aan een betere samenwerking tussen professionals en ouders (lees: meer begrip krijgen voor elkaar) en meer hoor-en-wederhoor. Echter als het gaat om het cruciale punt van de feiteninterpretatie, geldt slechts de aloude aanbeveling dat feiten en meningen beter moeten worden gescheiden. Nogal een dooddoener: dat objectieve duiding van de feiten een welhaast onmogelijke opgave is in dit soort zaken, blijft onbelicht.

Het Expertteam dat over ouderverstoting rapporteerde, heeft – zij het voorzichtig – dit wezenlijke punt wel benoemd. Als het gaat om feitenonderzoek, stelt het team: ‘Anderzijds levert feitenonderzoek niet altijd geldige uitspraken op. Overtuigingen, vooroordelen en aannames zijn niet uitgesloten. De uitkomst is nooit 100% objectief.’

Praktijkvoorbeelden

Ik noem een voorbeeld dat iedereen die betrokken is bij dit soort zaken, zal herkennen. In een complexe scheiding geeft een ouder bij herhaling aan dat hij of zij ernstige zorgen heeft over de situatie bij de andere ouder. Dit feit – de uiting van zorg – wordt vaak opgevat als onderdeel van de strijd, waardoor het een heel andere lading krijgt. Reden waarom sommige ouders hun zorgen niet durven te uiten, uit angst te worden weggezet als kwaadwillende ex. Dit zijn de situaties waar je tunnelvisie, framing en de wet van de kleine getallen allemaal voorbij ziet komen. Het kost hier veel denkkracht om alle scenario’s open te houden.

Een ander voorbeeld is een situatie waar op dit moment aandacht voor ontstaat, namelijk scheiding en huiselijk geweld. De praktijk leert dat waar in complexe scheidingen sprake is (geweest) van huiselijk geweld, het geweld in het frame van de scheiding wordt geplaatst. Daardoor wordt aangestuurd op overleg tussen de (ex)partners – want overleg is nu eenmaal de standaardinterventie bij scheiding – terwijl dat ongepast en schadelijk kan zijn. Ook hier wordt de complexe werkelijkheid in een mal geduwd, met soms akelige gevolgen.

Tot slot een voorbeeld van een andere orde. De huidige berichtgeving over de jeugdzorg is zorgwekkend eenzijdig, zwart-wit, zoals wij de wereld kennelijk graag zien. Van jeugdzorg deugt niets en wie het waagt een positieve ervaring te melden, moet zich bij voorbaat verontschuldigen. Het blijkt een hele opgave om ernstige problemen onder ogen te zien en tegelijkertijd oog te houden voor de dingen die wel goed gaan.

De oplossing?

Over het onderwerp van deze blog valt veel te zeggen, maar één ding is zeker: de werkelijkheid om ons heen is eindeloos complex en wij zijn lang niet altijd in staat die werkelijkheid objectief of eensgezind te duiden. Die constatering an sich is al winst.

Dé oplossing bestaat daarom niet. Wat we wel kunnen doen is een andere houding aannemen. Minder snel oordelen, nieuwsgierig zijn, open vragen stellen, doorvragen. En vooral: ruimte laten voor onzekerheid, erkennen dat we iets níet weten, hoe moeilijk dat ook is.


 

[i] De Israëlische psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman deed jarenlang onderzoek en schreef het boek – Ons feilbare denken – dat verplichte leerstof zou moeten zijn voor álle studies die opleiden tot logisch denken.

Bronnen:

Ons feilbare denken – Daniël Kahneman (2011)

De ware toedracht – Ton Derksen (2014)

De wetenschap is geen mening en geen absolute waarheid. Maar wat is het dan wel? – De Correspondent

Hoe waarheid een product werd – De Correspondent

Actieplan Verbetering Feitenonderzoek in de Jeugdbeschermingsketen | Tweede Kamer der Staten-Generaal

Samen werken aan feitenonderzoek | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl)

Bijlage 1 – Adviesrapport-Expertteam Ouderverstoting-Complexe omgangsproblematiek januari 2021 | Rapport | Rijksoverheid.nl

 

Familierecht gaat over mensen

9 juni 2021 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Familierecht gaat over mensen

Familierecht gaat over mensen 

Als wij conflicten hebben, gaan we ervan uit dat het recht deze voor ons kan oplossen, óók als het gaat om conflicten van zeer persoonlijke aard, zoals in het familierecht. Maar is dat wel terecht? Wat mogen we eigenlijk van dat recht verwachten? En wat niet? Daar gaat deze blog over.

Het gevoelige familierecht

Het familierecht is een bijzonder rechtsgebied. Dat komt omdat het zo dicht op onze huid zit. Het volgt ons van geboorte tot de dood en bemoeit zich met hoogstpersoonlijke zaken. Het gaat over de naam die we krijgen, wie onze ouders zijn, het bemoeit zich met onze liefdesrelaties, met de kinderen die we krijgen en – ultiem – onze nalatenschap.

Logisch dus dat conflicten over dit soort zaken, familiezaken, vaak erg gevoelig liggen.

Maatschappelijke opvattingen

Daar komt bij dat de maatschappelijke opvattingen over deze zaken razendsnel veranderen.

We kunnen ons nu nauwelijks meer indenken dat tot ver in de vorige eeuw vrouwen moesten stoppen met werken als ze gingen trouwen en dat overspel en mishandeling voorwaarden om te kunnen scheiden. Intussen is scheiden de normaalste zaak van de wereld en zijn er gezinnen in alle soorten en maten: het eenoudergezin, het fusiegezin, het regenbooggezin en zo verder. Het huwelijk is allang niet meer de enige manier om liefde te bezegelen. Co-ouderschap burgert razendsnel in, terwijl wij alweer bezig zijn met nadenken over nieuwe vormen van ouderschap, waardoor een kind straks misschien wel vier juridische ouders kan hebben.

Een megaklus voor het recht

Het recht heeft er een megaklus aan om mee te bewegen met al deze maatschappelijke ontwikkelingen. En belangrijker: het lijkt het simpelweg onmogelijk regels te bedenken die recht doen aan die eindeloos gevarieerde werkelijkheid, regels die in alle gevallen passend en eerlijk uitpakken.

Bedenk daarbij: elk mens is uniek. Twee mensen samen zijn uniek in het kwadraat. Tel daar hun kinderen bij op en je hebt een systeem dat door niemand volledig kan worden doorgrond.

Ik noem zomaar een paar vragen uit de praktijk. Is co-ouderschap in deze specifieke situatie geëigend? Moet de vastgelopen omgang bij deze ouders worden afgedwongen? Moet deze stiefvader meebetalen aan het levensonderhoud van zijn stiefkinderen? Mag deze moeder met de kinderen verhuizen?

Ga er maar aan staan.

Hoge verwachtingen

De rode draad in al deze zaken is: ze gaan over mensen. In haar boek ‘Mensen zijn ingewikkeld’ schrijft psychiater Floortje Scheepers dat de samenleving torenhoge en niet-realistische verwachtingen heeft van de geestelijke gezondheidszorg, die mensen in hokjes stopt en behandelingen geeft die lang niet altijd werken. Vul voor geestelijke gezondheidszorg recht in en de uitspraak klopt evengoed. Wij verwachten (te) veel van het recht. Wij verwachten dat het recht onze problemen, ook die van hoogstpersoonlijke aard, kan oplossen door ze te vangen in regels en uitspraken.

Maar dat klopt niet: het recht is niet een soort groot wijs lichaam dat overal antwoord op heeft.

Fricties

De vraag is uiteraard: waar gaat het dan mis, wat kan het recht precies niet? Ik noem drie belangrijke fricties die zich kunnen voordoen, wanneer mensen het recht aanspreken om hun problemen op te lossen.

Ten eerste: het recht is vaak onvoorspelbaar in zijn uitkomsten. Dat komt – simpel gezegd – omdat algemene normen moeten worden toegepast op specifieke, individuele situaties. Alleen al de bulk aan uitspraken die dagelijks door de gerechten wordt afgeleverd, toont feitelijk aan hoe lastig het is om rechtsregels toe te passen in een complexe praktijk. Immers, als dat gemakkelijk zou zijn, hoefden wij de rechter niet aan de lopende band om een oordeel te vragen. Zeker het familierecht dat enerzijds zo ultrapersoonlijk is en anderzijds wordt gedragen door algemene normen zoals het belang van het kind en de redelijkheid en billijkheid, is gevoelig voor deze onvoorspelbaarheid.

Ten tweede: het recht kan krom zijn. Recht komt tot stand door democratische besluitvorming, maar dat wil niet zeggen dat het in alle gevallen rechtvaardig uitpakt. De toeslagenaffaire heeft dat uitvergroot laten zien. Ook in het familierecht zijn er regels die – afhankelijk van wiens perspectief je neemt – als oneerlijk worden ervaren, neem de intussen afgeschafte regel dat de aanspraak op partneralimentatie in beginsel twaalf jaar duurt.

En last but not least: soms lost het recht niets op. In het familierecht spelen emoties als woede en verdriet een grote rol en niet zelden lijkt het erop dat rechtszaken worden gevoerd als vergeldingsproject in plaats van dat men treurt en het verlies verwerkt. In haar boek ‘Woede en vergeving’ zegt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum het als volgt: Het voelt een stuk beter als we een vergeldingsproject kunnen opzetten en het druk krijgen met het uitvoeren ervan (de slechte arts een proces aandoen, je ex beroven van de voogdij over een kind) dan onze verliezen te accepteren, en de reële machteloosheid waarmee het leven ons heeft opgezadeld.’

Een mensgerichte advocatuur

Dit is geen pleidooi tegen het recht. Integendeel. Het is het fundament van onze democratie, waarin we eindeloos moeten investeren. Maar het is ook belangrijk om rekening te houden met de beperkingen ervan.

Ik heb me afgevraagd wat dit voor mij betekent, voor mijn vak als familierechtadvocaat. En ik denk dat wij, advocaten, (nog) meer mensgericht moeten durven te werken. We moeten leren om de cliënt in de eerste plaats als mens te zien en pas daarna als subject van rechtsregels. Dat vergt opleiding en samenwerking, maar je kunt een begin maken door elke cliënt vragen te stellen.

Wie ben jij? Wat vind jij belangrijk? Wil je daar nog eens rustig op reflecteren? Heb je daar hulp bij nodig? Ken jij de belangen van de ander? Wat heb jij nodig om verder te kunnen?

Mijn ervaring is dat veel cliënten het als een bevrijding ervaren om zo naar hun zaak te kijken. Opeens is hun zaak niet meer alleen een rechtszaak. Opeens gaat het om meer dan de toepassing van ingewikkelde regels, waar zij zicht noch grip op hebben. Het is hun eigen zaak en zij moeten bij zichzelf te rade.

Het recht is een constructie van en voor mensen … we zouden het bijna vergeten, soms.


Aangehaalde literatuur:

Floortje Scheepers – Mensen zijn ingewikkeld (2021), hfdst. 6 pag. 1 e.v.

Martha Nussbaum – Woede en vergeving (2016), hfdst. 2, pag. 39.

Links:

Procedure gezamenlijke toegang ouders | Rechtspraak

scheiden zonder schade – YouTube

Tegengif

17 augustus 2019 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Tegengif

TEGENGIF

Soms vind ik het niet gemakkelijk om advocaat te zijn en dat heeft niets te maken met de groeiende complexiteit van het vak. Mijn ongemak komt voort uit het feit dat elke zaak op een keiharde strijd kan uitdraaien, hoezeer ik ook mijn best doe om dat te voorkomen. Een strijd waarbij alle middelen worden ingezet voor dat eendimensionale einddoel: winnen.

Terwijl juist het familierecht weinig echte winnaars kent (wel veel verliezers). En ik van nature gevoelig ben voor andermans leed. Ik heb daarom een sterke behoefte aan tegengif. Een tegengif om zacht te blijven. Het hart zacht te houden als ik thuiskom van iets wat lijkt op een strijdtoneel.

Bruine ogen

Mijn tegengif kwispelt en heeft bruine ogen. Mag ik u voorstellen? Peddel, de bruine labrador, gevoeligste ziel op aarde, zwembeest. Mika, de oudduitse herder, indrukwekkende verschijning, sterk & slim. En Billie Parker, het franse bulldogje, als lieve grappige benjamin. Klopt, een wonderlijke (volkomen toevallige) combinatie. Maar eentje die uitstekend past.

Het zijn deze lieve, altijd opgewekte wezens die ervoor zorgen dat ik dagelijks een shot onversneden liefde krijg. En terug mag geven. Als ik thuiskom na een werkdag die te zwaar beladen was, krijg ik domweg de kans niet te gaan zitten somberen op de bank. Ik moet aan de bak, en wel meteen.

Eigenlijk hoef ik alleen maar naar ze te kijken – die blije koppies, die zwaaiende staarten – en alle zware gedachten laten los, dwarrelen het hoofd uit, klaar om te worden weggeblazen. Ik pak de riemen, de handdoeken, de balletjes, ik laad het trio in de auto, en daar gaan we, óp naar het water. Een hele onderneming, niet in het minst vanwege de after-party (alles en iedereen afdrogen), maar we worden er collectief vrolijk van (en lekker moe). Het zachte-hart-gevoel heeft dan definitief gewonnen.

Gezond

Een bekend verhaal natuurlijk: uit bergen wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het hebben van een hond gezond is, zowel fysiek als mentaal. De hond geeft structuur aan het dagelijkse leven van zijn baas en is tegelijk een oxytocinetrigger van jewelste.

Als de baas het moeilijk heeft, boos of verdrietig of eenzaam is, kan een hond de pijn verzachten. Vroeger waren er alleen hulphonden voor praktische zaken. Tegenwoordig worden honden ook opgeleid om mensen met PTTS, epilepsie en autisme te helpen.

Kwetsbare kinderen krijgen een buddyhond.

In Rotterdam mag bij het verhoor van slachtoffers van ernstige zedenmisdrijven een aaihond aanwezig zijn.

Een hond op kantoor leidt tot een verbeterde werksfeer én lager ziekteverzuim.

En rechter Romke de Vries die blind is en meer dan 35 jaar rechter was, verklaarde dat zijn geleidehonden meestal een ‘ongedwongen, haast huiselijke sfeer in de rechtszaal’ creëerden.

Een ding is zeker: honden beschikken over gaven die mensen vaak niet hebben.

Een hond in de rechtszaal

Dus waarom doen we dat eigenlijk niet? Honden in de rechtspraak. Je komt het gerechtsgebouw binnen, bent de bewaking gepasseerd en meld je vervolgens bij de bode met zijn blonde labrador. Geheid dat bij veel mensen al iets van hun spanning wegebt. En wie het prettig vindt om een hond in de rechtszaal te hebben, heeft dat vooraf kunnen aangeven. Als de wederpartij het ook goed vindt, dan tref je daar een zacht wezen met bruine ogen, waarin een wonderlijk soort wijsheid lijkt te liggen.

Ik ben vóór!

Ik draag deze blog op aan onze allerliefste Mika (19 augustus 2010 – 28 juli 2019). Waakbaby, zangbeer, speurneus. We missen je enorm, lieve Maus.  

 

 

 

 

 

 

 

DE JONGEN

5 februari 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor DE JONGEN

DE JONGEN

Er was eens een Jongen. Hij werd geboren in het interbellum, in een uithoek van het land.

Zijn ouders waren boeren. Ze hadden het niet breed. Tien koeien en wat kippen. Het was een hard geploeter op het land. Vijf monden hadden ze te voeden, de Jongen had één zuster en drie broers.

Twee broers waren driftig, ze hadden blonde kuiven en brutale ogen. Net als jonge paarden hield men ze moeilijk in bedwang. De oudste was een meisje, gelukkig groot van stuk. Ze leek soms op een molen, wanneer ze wiekend met haar armen de wilde broers op afstand hield. De benjamin, een zacht nakomend kind, hield veeleer van muziek dan van het boerenleven.

De Jongen was de middelste, de nummer drie. Aan hem was niks bijzonders. Behalve wanneer de anderen vochten, dan nam hij zijn positie in … hij sprong er altijd tussenin.

Oorlog

Er kwam die oorlog, die een gat sloeg in het leven. Haast alles wat vanzelfsprekend leek, verdween. Er was te weinig eten en een vormeloze angst voor wat ging komen. De wilde broers vertrokken om te vechten. Niet dat ze wilden, maar het moest.

De Jongen kreeg verlof om thuis te blijven. Naar school ging hij allang niet meer. Hij molk de koeien en hielp de kalveren geboren worden. Zijn hart lag bij de jonge paarden. Die reed hij in en als de wind floot om zijn oren, voelde hij wat leven was.

De wilde broers keerden terug, met kerven in de ziel. De Jongen was intussen negentien.

Kolenboer

Klein van stuk was hij, de Jongen, maar zijn handen waren groot en sterk. Toen hij oud genoeg was, ging hij trouwen en werd kolenboer. Weet iemand nog hoe zwaar dat werk is? Zwart zag hij op alle dagen, behalve zondag. Zijn gezicht, zijn haar, zijn grote handen. Zakken is een werkwoord. Is er iemand die dat nog weet? Hij zakte de kolen in grote jute zakken van een halve mud. Nootjes III, IV en V, briketten, antraciet. Hij laadde ze op zijn Chevrolet en bracht ze bij de mensen. Opladen, afladen, sjouwen en dan weer door.

Vaak floot de Jongen terwijl hij werkte. Dat kwam, hij had plezier. Hij bracht de mensen iets belangrijks. Brandstof en een praatje. Vaak kreeg hij koffie aangeboden, die dronk hij schielijk en met dankbaarheid. Hij kende ze, de mensen. Hij wist waar verdriet was, wie arm was en wie rijk.  Soms leverde hij zijn kolen op de pof. Of – als het niet anders kon – voor kostprijs of voor niks.

Van altijd

Hij had een vrouw die van hem hield en kreeg pas laat een dochter. Het meisje kreeg de kansen die hij niet had gehad.

De Jongen was niet geschoold en las geen boeken. Maar wat hij wist, is van altijd. Hij wist dat alle mensen anders maar gelijk zijn. En dat altijd alles stroomt. Dat zonder pijn geen vreugde is. En tijd geduld beloont. Hij wist alles van vergeven. Dat winst veel weg heeft van verlies. Hij, de middelste. De nummer drie.

Zijn dochter kon – gelijk zijn broers – soms driftig zijn. Hij liet haar gaan, hij ving haar op en zei met zachte ogen: “Kind, het is niet erg je hoofd te buigen.”

De Jongen – mijn vader – leerde me meer dan duizend boeken, terwijl hij noch ik dat wisten, toen.