Tag: alimentatie

Alimentatie en verdiencapaciteit

22 november 2020 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Alimentatie en verdiencapaciteit

Alimentatie en verdiencapaciteit 

In alimentatiezaken kan verdiencapaciteit een belangrijke rol spelen. Het gaat dan niet alleen om wat iemand feitelijk verdient, maar ook wat iemand redelijkerwijs zou kunnen verdienen. Maar hoe wordt verdiencapaciteit bepaald en hoe gaat de rechter hiermee om? Daar gaat deze blog over.

Verdiencapaciteit in alimentatiezaken

De term verdiencapaciteit kennen we vooral uit de sociale zekerheid, denk aan de WIA en WAO. Verdiencapaciteit betekent hier: in welke mate is een werknemer arbeidsongeschikt en wat kan hij nog wél verdienen? Minder bekend is dat verdiencapaciteit ook een belangrijke rol speelt bij het berekenen van alimentatie. Draagkracht en behoefte worden namelijk niet alleen bepaald door wat iemand feitelijk verdient, maar ook door wat diegene redelijkerwijs zou kunnen verdienen.

Anders gezegd: niet alleen het werkelijke inkomen bepaalt de alimentatie, maar ook het fictieve, op verdiencapaciteit gebaseerde inkomen.

Voor beide partijen

Dat geldt voor de betalende en de ontvangende partij. Bij kinderalimentatie worden beide ouders geacht om binnen hun mogelijkheden maximaal te werken, indien dat nodig is om in de behoefte van hun kinderen te voorzien. Bij partneralimentatie geldt hetzelfde: zowel de onderhoudsplichtige als onderhoudsgerechtigde moet zijn of haar verdiencapaciteit maximaal benutten, indien dat nodig is.

De achterliggende gedachte is duidelijk. Wanneer alleen het feitelijke inkomen zou tellen, zou een onderhoudsplichtige ervoor kunnen kiezen om gedeeltelijk te stoppen met werken, zodat hij of zij minder alimentatie hoeft te betalen. En zou een onderhoudsgerechtigde ‘achterover kunnen leunen’ om alimentatie te (blijven) ontvangen.

Verdiencapaciteit dus.

Het verschil tussen feit en norm

Maar hoe wordt die capaciteit om geld te verdienen eigenlijk bepaald? Wie bepaalt het verschil tussen wat is en wat zou kunnen zijn?

In de sociale zekerheid is daar een heel systeem voor opgezet. Er zijn ‘maatmannen’ die de verdiencapaciteit van gezonde werknemers moeten vaststellen. Er zijn protocollen die de constitutie van de arbeidsongeschikte werknemer in kaart moeten brengen. Er zijn arboartsen die diens resterende werkvermogen in procenten moeten uitdrukken.

Maar alimentatieland ziet het er heel anders uit. Hier gaat het niet om zieke, maar meestal om gezonde mensen. Hier gaat het om partijen die mogelijk niet hard genoeg solliciteren. Die hun vaste baan opzeggen om een eigen bedrijf te starten, met alle risico’s van dien. Of om ondernemers die tot op zekere hoogte zelf hun inkomen kunnen bepalen.

In alimentatieland bestaan geen maatmannen en arboartsen. Daar moeten partijen het zelf uitzoeken. En als dat niet lukt, is het de eenzame taak van de rechter om het onderscheid te zoeken tussen feit en norm. Tussen sein und sollen. De rechter heeft daarbij, zoals dat heet, een ruime beoordelingsvrijheid. En is niet gebonden aan de beslissingen van andere overheidsinstanties, zoals het UWV. Is het echt? Ja, het is echt.

Wettelijk kader: de rechter kan alle kanten op

Welke handvatten heeft de civiele rechter om iemands verdiencapaciteit te beoordelen? Antwoord: behalve een paar hoofdregels, geen. Alleen voor de situatie dat een onderhoudsplichtige zélf een inkomensdaling heeft veroorzaakt, is een vragenschemaatje ontwikkeld.[i] Dat schemaatje gaat zo.

Vraag 1: Kan de onderhoudsplichtige redelijkerwijs het oude inkomen weer verwerven?

Vraag 2: Kan dit ook van de onderhoudsplichtige worden gevergd?

De eerste vraag is bedoeld als toets van min of meer objectieve omstandigheden – denk aan arbeidsmarkt en opleidingsniveau. De tweede vraag is gericht op bijzondere, persoonlijke omstandigheden – denk aan gezondheid of gezinssituatie.

Is het antwoord op beide vragen positief – en het inkomensverlies dus herstelbaar – dan telt het oude inkomen als basis voor de alimentatie. Is het antwoord op een van de twee vragen negatief – en het verlies niet herstelbaar – belanden we bij vraag drie.

Vraag 3: Moet het oude inkomen – ondanks dat dit niet herstelbaar is – tóch meetellen voor de alimentatie?

Bij deze vraag wordt vooral naar de (mate van) verwijtbaarheid gekeken. Waarom handelde de onderhoudsplichtige zoals hij deed? Had hij, in het licht van zijn alimentatieplicht, ook andere keuzes kunnen maken? Maar ook andere omstandigheden kunnen meewegen, lees: de rechter kan alle kanten op.

Als het antwoord op de derde vraag ja is, heeft de onderhoudsplichtige duidelijk een probleem. Hij kan zijn oude inkomen niet herstellen, maar dat wordt wél gebruikt voor het berekenen van de alimentatie. Zijn enige vangnet is de regel dat hij niet onder het absolute bestaansminimum mag uitkomen, te weten 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

Specifieke situaties

Natuurlijk zijn er ook situaties waarin er niet perse inkomensverlies is, maar een van de partijen wel meent dat de ander meer zou kunnen verdienen. Ook hier geldt de algemene regel dat niet alleen het werkelijke inkomen telt, maar ook het inkomen dat redelijkerwijs kan worden verdiend.

Ik noem in dit kader de bijzondere positie van de directeur-grootaandeelhouder die zelf de hoogte van zijn salaris kan bepalen. Volgens vaste jurisprudentie wordt daarom bij het bepalen van de draagkracht van een dga niet alleen naar diens salaris gekeken, maar ook naar de winst van de onderneming, ofwel naar de mogelijkheden van de dga zichzelf dividend uit te keren.

Ik noem ook de positie van de verzorgende ouder bij kinderalimentatie. In zo’n geval zal de rechter voorzichtig zijn met het toekennen van een fictief inkomen aan de verzorgende ouder, omdat het kind anders de dupe wordt, mocht het fictieve inkomen niet wordt gerealiseerd.

Tot slot noem ik de partij die aanspraak kan maken op partneralimentatie, immers, ook behoeftigheid wordt beoordeeld aan de hand van verdiencapaciteit. In dit soort zaken wordt de rechter steeds vaker gevraagd toekomstige verdiencapaciteit in te schatten door de alimentatie af te bouwen in de loop van enkele jaren.

Een greep uit de jurisprudentie

Ter illustratie bespreek ik hieronder een aantal zaken uit de praktijk. Deze zijn min of meer willekeurig gekozen en dus niet bedoeld om een volledig beeld te schetsen. In de praktijk zijn het meestal mannen die kinder- of partneralimentatie moeten betalen en vrouwen die ontvangen. Dat zie je terug in de voorbeelden.

Zaak 1: de man die (te weinig?) solliciteerde

Een man die kinderalimentatie betaalt, is zijn baan kwijtgeraakt en krijgt een ww-uitkering. Daarom wil hij een alimentatieverlaging. Zijn ex vindt dat hij te weinig zijn best doet om een baan te vinden: de man staat alleen ingeschreven bij uitzendbureaus, verder niet. De man vindt dit onzin, het UWV accepteert deze sollicitaties immers ook.

Deze kwestie haalde de Hoge Raad en deze bevestigde nogmaals dat de rechter in alimentatiezaken zelfstandig oordeelt en niet is gebonden aan beslissingen van andere overheidsinstanties, zoals het UWV. In dit geval gaven rechtbank en hof de vrouw gelijk. De man had op geen enkele functie actief gesolliciteerd. Bij uitzendbureaus ingeschreven staan en af en toe informeren of er werk is, vond de rechter niet voldoende. Het inkomensverlies was dus herstelbaar.

Hoge Raad d.d. 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:219; Conclusie AG d.d. 6 december 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1827  onder 2.6 en 2.7 :

“De op een onderhoudsplichtige rustende inspanningsplicht dient echter een ander doel. Zij strekt ertoe dat de onderhoudsplichtige zoveel mogelijk aan zijn wettelijke onderhoudsplicht voldoet. Tegen die achtergrond dienen de inspanningen van een onderhoudsplichtige dan ook anders te worden beoordeeld dan de inspanningen van een uitkeringsgerechtigde. Terwijl ten aanzien van de laatste vooral dient te worden vastgesteld of hij zich voldoende inzet voor een duurzame terugkeer op de arbeidsmarkt, dient met betrekking tot de onderhoudsplichtige te worden beoordeeld of hij zijn verdiencapaciteit optimaal benut.

Uit het voorgaande volgt dat het middel niet slaagt voor zover het betoogt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door, in afwijking van hetgeen het UWV heeft vastgesteld, te oordelen dat de man zich te weinig heeft ingespannen om inkomsten uit arbeid te genereren. Het lag daarentegen juist op de weg van het hof om, bij de bepaling van de kinderalimentatie, de verdiencapaciteit van de man (en zijn inspanningen om die verdiencapaciteit te benutten) zelfstandig te beoordelen. De rechter dient zich bij het beoordelen van de draagkracht (en de factoren die de draagkracht bepalen) immers niet zonder meer te richten naar het oordeel van andere overheidsinstellingen, maar moet zich daarover een eigen oordeel vormen8.”

Zaak 2: de man die in de bijstand terecht kwam

Een man die kinderalimentatie betaalt, stopt een paar jaar na de scheiding met zijn eigen bedrijf, wegens alsmaar tegenvallende resultaten. Hij leeft vervolgens een jaar van zijn spaargeld. Als dat op is, vraagt en krijgt hij een bijstandsuitkering. Hij stapt naar de rechter om de alimentatie op nihil te stellen. Zijn ex vindt dat hij gewoon kan werken.

Het hof Den Bosch geeft de vrouw gelijk. De man heeft niet aangetoond dat er voor hem belemmeringen zijn om aan het werk te komen. Het enkele feit dat de man een bijstandsuitkering ontvangt vindt het hof onvoldoende. Het oordeelt dat de man tenminste het minimumloon kan verdienen.

Hof Den Bosch d.d. 17 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2874, ro. 5.7.2.:

“Tegenover de gemotiveerde stellingname van de vrouw dat de man zich redelijkerwijze een inkomen moet kunnen verwerven ter hoogte van het minimumloon, heeft de man onvoldoende aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt. De enkele bij gelegenheid van de mondelinge behandeling geponeerde stelling dat hij rugklachten heeft, is, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende om te kunnen oordelen dat de man niet in staat is om zich een inkomen te kunnen verwerven ter hoogte van in elk geval het minimumloon. Dit geldt evenzeer voor de nadere stelling van de man dat hij moeite heeft met het werken met collega’s. Er zijn genoeg banen te vinden waar het werken met collega’s niet of nauwelijks aan de orde is. Dit maakt dat het hof voor de bepaling van de draagkracht van de man uit zal gaan van een fictief inkomen ter hoogte van het minimumloon en niet van het daadwerkelijke inkomen dat de man geniet als uitkering op grond van de Participatiewet.”

Ter illustratie: in deze zaak liep het anders af, omdat degene die een bijstandsuitkering ontving (en aanspraak maakte op partneralimentatie) aantoonbaar medische beperkingen had en bovendien 57 jaar oud en laag opgeleid was (Hof Arnhem Leeuwarden d.d. 10 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2130).

Zaak 3: de man die ontslag nam

Een man betaalt kinderalimentatie. Hij heeft een vaste baan in het dorp waar hij woonde met zijn ex. Hij wil weg uit het dorp, want zijn ex heeft roddels over hem verspreid en hij voelt zich er niet meer fijn. Hij neemt ontslag en gaat elders voor een uitzendbureau werken. Zijn nieuwe partner is intussen ernstig ziek geworden, waardoor hij veel extra zorgtaken heeft, voor haar en voor haar kinderen. Zijn inkomen is gehalveerd. De man wil alimentatieverlaging, maar zijn ex is het daar niet mee eens.

Het hof Den Haag vindt roddels in het dorp geen reden om ontslag te nemen. Maar ondanks dat zijn inkomensverlies daardoor verwijtbaar is, houdt het hof toch rekening met het nieuwe, lagere inkomen van de man. De zorgtaken die hij heeft, maken dat hij niet meer kan verdienen dan hij doet. Het bijzondere aan deze uitspraak is dat de belangen van indirect betrokkenen – de nieuwe partner en haar kinderen – maken dat de verwijtbaarheid aan de kant van de onderhoudsplichtige niet wordt bestraft.

Hof Den Haag d.d. 19 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2399, ro. 5.16:

“(…) Niettemin is het hof van oordeel dat verweerders nu niet van de man kunnen vergen dat hij zijn oude inkomen zal verwerven. De huidige echtgenote van de man is op dit moment namelijk ernstig ziek door de man niet alleen de zorg voor haar, maar ook voor haar kinderen, met wie hij op dit moment in een gezinsverband woont, draagt. De man heeft onweersproken gesteld dat hij wekelijks zijn huidige echtgenote moet brengen naar het ziekenhuis in [plaatsnaam 2] voor haar behandelingen. Het hof acht het dan ook niet redelijk om uit te gaan van een werkweek van 40 uur. Ondanks dat de man de inkomensvermindering zelf heeft teweeggebracht, zal de het hof dan ook wel met deze vermindering rekening houden.”

Zaak 4: de man die werd ontslagen

Een man die partneralimentatie betaalt, neemt op zijn werk een paar accu’s mee en wordt ontslagen wegens diefstal. Hij vindt snel ander werk, maar tegen een aanzienlijk lager salaris. Hij vraagt de rechter om de partneralimentatie te verlagen.

Het hof Arnhem-Leeuwarden stelt eerst vast dat het inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is: gezien de leeftijd en werkervaring van de man is het onwaarschijnlijk dat hij terugkomt op zijn oude niveau. Toch houdt het hof bij het berekenen van de partneralimentatie rekening met het oude inkomen, omdat de man de inkomensdaling aan zichzelf te wijten heeft, en toetst vervolgens of de man zodoende niet onder 90% van het bijstandsniveau daalt.

Hof Arnhem Leeuwarden 28 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8541, ro. 5.6:

“Het hof is van oordeel dat voornoemd handelen aan de man kan worden verweten, dat het daardoor ontstane inkomensverlies aan hem kan worden toegerekend en dat de gevolgen daarvan voor zijn rekening dienen te komen. Het hof zal de draagkracht van de man daarom berekenen aan de hand van een fictief inkomen, zijnde het inkomen dat de man voorheen bij [B] verdiende. Het rekenen met een fictief inkomen mag voor de bepaling van de draagkracht van de man niet tot het resultaat leiden dat hij als gevolg van de berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsverplichting feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien en beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zakt. Indien dit resultaat dreigt, dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de man plaats te vinden.”

Zaak 5: de man die in loondienst ging

Een man betaalt kinderalimentatie. Hij besluit om allerlei redenen te stoppen met zijn eigen bedrijf en gaat in loondienst werken. Hij verdient zodoende minder en wil daarom een verlaging van de kinderalimentatie.

Het hof Arnhem-Leeuwarden gaat niet met de man mee. De man heeft de noodzaak om zijn bedrijf te beëindigen niet aangetoond. De man werkt intussen als onderhoudsmonteur in loondienst en het hof vindt dat de man in staat is om zijn oude inkomen weer te verdienen. Het fictieve inkomen van de man wordt berekend op basis van de gemiddelde winst van de laatste drie jaren van zijn onderneming.

Hof Arnhem-Leeuwarden 5 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7212, ro. 5.13:

“Nu de man op het moment dat hij de keuze maakte om in loondienst te gaan werken een alimentatieplicht naar de kinderen op zich had genomen, vindt het hof dit inkomensverlies verwijtbaar; de man had zich tegenover de kinderen als onderhoudsgerechtigden moeten onthouden van de gedraging die tot het inkomensverlies heeft geleid. Het hof gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit van een jaarinkomen op basis van een gemiddelde winst uit onderneming van € 35.633,-. Dat is het bedrag dat de man verdiende ten tijde van het sluiten van het ouderschapsplan in 2018.”

Zaak 6: de man die zijn best deed

Een man betaalt partneralimentatie. Tijdens het huwelijk is hij altijd kostwinner geweest en verdiende zo’n € 70.000 per jaar, maar ten tijde van de scheiding is hij buiten zijn schuld ontslagen en in de ww terecht gekomen. Hij heeft zich omgeschoold tot lifestylecoach en is een fitnesscentrum begonnen. Intussen is zijn ww-uitkering gestopt en lijdt zijn onderneming verlies. Hij verdient bij als taxichauffeur. De man zegt dat hij de alimentatie niet meer kan betalen.

In tegenstelling tot de rechtbank, denkt het Hof Arnhem-Leeuwarden met de man mee. Het hof vindt niet dat de man een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van zijn (gestopte) ww-uitkering. Weliswaar verdiende de man ooit een goed inkomen, maar hij is nu 57 jaar en hij heeft een zeer eenzijdige werkervaring. Het hof vindt ook dat de man nog een jaar de tijd moet krijgen om zijn onderneming winstgevend te maken. Tijdens dat jaar wordt zijn verdiencapaciteit op € 18.000 per jaar geschat en na afloop van dat jaar op € 30.000. Mocht het niet goed gaan met de onderneming, dan wordt de man geacht in loondienst een dergelijk bedrag te kunnen verdienen. Een lezenswaardige uitspraak die laat zien hoe ruim de beoordelingsvrijheid van de rechter is.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8415, ro. 5.16 en 5.17:

“Hoewel de onderneming van de man tot op heden verlieslijdend is geweest, kan naar het oordeel van het hof op dit moment nog niet van de man worden verlangd dat hij zijn onderneming beëindigt en volledig op andere wijze een inkomen gaat genereren om aan zijn onderhoudsplicht te kunnen voldoen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een startende onderneming de eerste jaren hoge kosten heeft en dat enige tijd nodig is alvorens de onderneming winstgevend kan zijn. De resultaten van de onderneming van de man laten een stijgende lijn zien. (…) Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat aan de man in redelijkheid nog tot 1 november 2021 de tijd dient te worden gegund om de onderneming verder op te bouwen en rendabel te maken. (…)

Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de man per 1 november 2021 uitgaan van een verdiencapaciteit van € 30.000,- aan bruto inkomen op jaarbasis. Een dergelijk inkomen acht het hof redelijk, gelet op het opleidingsniveau en de werkervaring van de man. Voor zover de man er niet in slaagt dat inkomen als ondernemer te verwerven, kan van hem worden verwacht dat hij zich inspant om een dergelijk inkomen in loondienst te krijgen. Wat betreft de periode vanaf de ingangsdatum tot 1 november 2021 overweegt het hof als volgt. De man is sinds eind 2018 naast zijn werkzaamheden als ondernemer werkzaam als taxichauffeur tegen een fiscaal loon van € 5.667,- per jaar. Met de vrouw is het hof van oordeel dat de man, gelet op zijn opleidingsniveau en werkervaring en met het oog op zijn onderhoudsverplichting tegenover de vrouw, geacht kan worden een hoger (aanvullend) inkomen te verwerven. Het hof gaat in die periode in redelijkheid uit van een verdiencapaciteit van de man van 60% van de hiervoor genoemde verdiencapaciteit, oftewel € 18.000,- aan bruto inkomen op jaarbasis (…).”

Zaak 7: de vrouw die stil zat (I)

Een echtpaar gaat in 2011 scheiden. De vrouw werkt niet of nauwelijks ten tijde van de scheiding en de man moet partneralimentatie gaan betalen. Maar na vier jaar werkt de vrouw nog steeds minimaal. De man stapt naar de rechter, hij vindt het wel welletjes.

Het hof Den Bosch geeft de man gelijk. De vrouw heeft sinds de scheiding nauwelijks gesolliciteerd zonder dat ze daar een goede reden voor heeft. Als ze dat wel had gedaan, had ze in haar volledige behoefte aan alimentatie kunnen voorzien. Daarom wordt de alimentatie op nihil gesteld.

Hof Den Bosch 13 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1583, ro. 5.4.2:

“(…) Het hof constateert met de man dat de vrouw, zoals blijkt uit de door de vrouw zowel in eerste aanleg als in hoger beroep overgelegde sollicitatiebewijzen, in de jaren volgend op de uitspraak van het hof van 15 december 2010 niet of nauwelijks heeft gesolliciteerd, althans niet tot het jaar 2015 toen de man deze procedure tegen de vrouw is gestart en de vrouw meer is gaan solliciteren. Gezien de omvang van de voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw acht het hof het aannemelijk dat de vrouw, indien zij wel aansluitend aan de voormelde beschikking van dit hof van 15 december 2010 aan haar inspanningsverplichting had voldaan, op enigerlei wijze een zodanig inkomen had kunnen verwerven waarmee zij in haar behoefte had kunnen voorzien. Dat de vrouw heeft nagelaten aan die inspanningsverplichting te voldoen dient in beginsel geheel voor haar risico te komen.”

Vergelijkbaar is deze uitspraak van het Hof Den Bosch (23 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2328). Zie met name de uitvoerige motivering in rechtsoverweging 5.1.3. 

Zaak 8: de vrouw die stil zat (II)

Partijen zijn op latere leeftijd getrouwd. Vóór het huwelijk werkten ze allebei fulltime. De vrouw stopt met werken tijdens het huwelijk. Kinderen krijgen ze niet. Na vijf jaar gaan partijen uit elkaar, de scheiding volgt een paar jaar later. De man vindt dat de partneralimentatie moet worden afgebouwd. De vrouw zegt dat ze niet kan werken wegens depressieve klachten.

Het hof Arnhem-Leeuwarden levert maatwerk. Het halveert de behoefte van de vrouw, omdat de vrouw in de afgelopen periode niet heeft gesolliciteerd. Vervolgens bouwt het de partneralimentatie af tot nihil over een periode van vijf jaren. Alle omstandigheden tellen mee: de opleiding en werkervaring van de vrouw, de duur van het huwelijk, waarom zij tijdens het huwelijk niet werkte, haar psychische gezondheid etc.

Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6658, ro. 5.8 – 5.10:

“Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de vrouw niet in staat is om te werken. (…) Uit het door de vrouw overgelegde curriculum vitae blijkt dat de vrouw voor het huwelijk jarenlang op haar niveau heeft gewerkt. Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn geen kinderen geboren. Vast is komen te staan dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen om (een) periode(n) tijdens het huwelijk niet te werken. De man heeft verklaard – en de vrouw heeft dit ter zitting in hoger beroep bevestigd – dat hij de vrouw tijdens het huwelijk bij voortduring gestimuleerd heeft zich te ontwikkelen en weer een baan te zoeken. In het inleidend verzoekschrift heeft de vrouw aangegeven dat zij gezien haar depressiviteit en gezien het feit dat zij altijd de hoop heeft gehad dat het huwelijk zou worden voortgezet, zich de afgelopen drie en een half jaar niet heeft voorbereid op een terugkeer op de arbeidsmarkt. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij de afgelopen maanden ook niet heeft gesolliciteerd. Naar het oordeel van het hof is de vrouw tekortgeschoten in het nakomen van de op haar rustende inspanningsverplichting. (…)

Gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 5.8 vermelde omstandigheden, acht het hof een afbouw van de alimentatieverplichting van de man tot nihil – conform het voorstel van de man in zijn incidenteel appel – in een periode van vijf jaren redelijk. Het hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat de vrouw thans een traject volgt bij de GGZ eerst met ingang van 1 januari 2016 de partneralimentatie afgebouwd dient te worden. Tot die datum dient de vrouw de gelegenheid te krijgen dit traject af te ronden. (…).”

Zaak 9: de vrouw die verzorgende ouder was

Ouders zijn gescheiden. Hun kind (geboren in 2014) woont bij de moeder. Moeder heeft na de scheiding eerst geprobeerd om een kinderdagverblijf te gaan exploiteren, maar dat is niet gelukt. Intussen werkt moeder 24 uur per week in loondienst en heeft nog steeds een minimale draagkracht (van € 25 per maand). Vader vindt dat moeder meer kan werken.

Het hof Arnhem-Leeuwarden is het niet met vader eens. Er moet voorzichtig worden omgegaan met het toekennen van fictief inkomen aan een verzorgende ouder. De moeder heeft voldoende laten zien dat zij zich heeft ingespannen om haar inkomen te vergroten.

Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10215

“(…) Met het in aanmerking nemen van een fictieve verdiencapaciteit aan de zijde van de verzorgende ouder – in casus: de vrouw – dient echter behoedzaam te worden omgegaan. Indien op basis van een fictieve verdiencapaciteit een hogere draagkracht dan feitelijk bestaat zou worden vastgesteld, met als gevolg dat de door de man te betalen kinderalimentatie lager wordt, terwijl de vrouw vervolgens niet in staat zou blijken om die verdiencapaciteit ook te verwezenlijken, dan wordt niet volledig in de behoefte van [de minderjarige] voorzien.

Het hof is van oordeel dat de vrouw – zeker in het licht van het vorengaande – voldoende heeft onderbouwd en toegelicht dat zij zich daadwerkelijk inspant en ingespannen heeft om haar inkomen te vergroten. Het hof zal daarom de draagkracht van de vrouw bepalen op basis van haar feitelijke inkomen.”

Conclusie

In alimentatiezaken speelt verdiencapaciteit een belangrijke rol. Maar anders dan in de sociale zekerheid zijn rechter en partijen hier min of meer op zichzelf aangewezen. In alimentatieland bestaat geen UWV. Een partij die de verdiencapaciteit van de ander wil laten toetsen, moet zelf actie nemen.[ii] Het is aan de civiele rechter om een oordeel te vellen en hij is daarbij niet gebonden aan beslissingen van andere overheidsinstanties. Hij mag alle omstandigheden van het geval meewegen, wat tot passend maatwerk kan leiden, maar ook tot onvoorspelbare en willekeurig aandoende uitspraken.

Discussies over verdiencapaciteit kunnen deels worden voorkomen door de alimentatie meer grofmazig (forfaitair) te berekenen, zodat deze minder afhankelijk wordt van – al dan niet zelf veroorzaakte – inkomensschommelingen. Maar voorlopig ziet het daar niet naar uit. Met de Wet Herziening Partneralimentatie is alleen de duur van de alimentatie bekort en de wijze van berekenen hetzelfde gebleven. In het wetsvoorstel Herziening Kinderalimentatie wordt een meer forfaitaire rekensystematiek geïntroduceerd, maar dat wetsvoorstel is in 2015 ingediend en wacht nog steeds op behandeling.

Kortom, het is roeien met de riemen die we hebben. En (blijven) bedenken dat het perfecte systeem niet bestaat …


Noten:

[i] De Tremanormen (7.1) bepalen: ‘Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of: 1) hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven en 2) of dit van hem kan worden gevergd. Is het antwoord op beide vragen positief, dan kan worden uitgegaan van het oorspronkelijke inkomen. Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval dan wordt er gerekend met het nieuwe verminderde inkomen; is dat wel het geval dan wordt met het oude fictieve inkomen gerekend. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag er in beginsel niet toe leiden dat de onderhoudsplichtige, als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht, bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 90 % van de voor hem geldende bijstandsnorm, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.’

[ii] Als betrokkene in aanmerking komt voor een toegevoegde advocaat, is dit financieel te overzien. Maar zonder toevoeging is procederen een kostbare aangelegenheid, waardoor de drempel om actie te nemen vaak te hoog zal zijn.

Wet Herziening Partneralimentatie aangenomen

7 juni 2019 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wet Herziening Partneralimentatie aangenomen

Wet Herziening partneralimentatie

De Wet Herziening partneralimentatie is door de Eerste Kamer aangenomen en treedt waarschijnlijk per 1 januari 2020 in werking.

Dit zijn de hoofdpunten.

Twaalf jaar wordt vijf jaar

Op dit moment duurt het recht op partneralimentatie in beginsel twaalf jaar, te rekenen vanaf de datum van de echtscheiding. Die hoofdregel verandert: de duur van het recht op alimentatie wordt gelijk gesteld aan de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar. Van alimentatiegerechtigden wordt verwacht dat zij binnen maximaal vijf jaar na een echtscheiding in het eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Dus bij een huwelijk dat vier jaar heeft geduurd, is er gedurende twee jaar recht op alimentatie. En bij een huwelijk dat twaalf jaar heeft geduurd, is dat vijf jaar.

Drie uitzonderingen

Er zijn drie belangrijke uitzonderingen op de hoofdregel, bedoeld voor kwetsbare groepen alimentatiegerechtigden. Van deze groepen kan niet worden verwacht binnen vijf jaar na de scheiding financieel zelfstandig te zijn. Voor hen geldt daarom een langere alimentatietermijn van maximaal tien of twaalf jaar.

Eerste uitzondering: alimentatiegerechtigde dichtbij de aow-leeftijd

Wanneer partijen op het moment van het echtscheidingsverzoek langer dan vijftien jaar zijn getrouwd en de alimentatiegerechtigde maximaal tien jaar is verwijderd van haar/zijn AOW-leeftijd, duurt het recht op partneralimentatie tot aan die AOW-leeftijd. De maximale alimentatieduur is hier dus tien jaar.

De achterliggende gedachte is duidelijk: het gaat hier om relatief lange huwelijken waarbij de alimentatiegerechtigde – dat zal meestal de vrouw zijn – niet ver is verwijderd van de pensioenleeftijd.

Tweede uitzondering: alimentatiegerechtigde geboren op/voor 1 januari 1970

Wanneer partijen op het moment van het echtscheidingsverzoek langer dan vijftien jaar zijn getrouwd en de alimentatiegerechtigde is op of voor 1 januari 1970 geboren, dan is er recht op tien jaar alimentatie in plaats van vijf jaar.

Het gaat hier om een overgangsregeling voor hen die op 1 januari 2020 ouder zijn dan vijftig jaar. De groep waarvoor deze regeling geldt wordt met het verstrijken van de tijd logischerwijs steeds kleiner.

Derde uitzondering: kinderen jonger dan twaalf jaar

Als de kinderen die uit het huwelijk zijn geboren nog niet allemaal twaalf jaar zijn, duurt het recht op alimentatie net zolang totdat het jongste kind twaalf jaar wordt. De maximale alimentatietermijn is hier dus twaalf jaar.

De achterliggende gedachte is helder: wanneer de kinderen naar de middelbare school gaan wordt ook de verzorgende ouder geacht fulltime te kunnen (gaan) werken.

Hardheidsclausule

In de nieuwe wet staat een hardheidsclausule. Dat wil zeggen: wanneer de nieuwe regels volstrekt onredelijk uitpakken, kan de rechter de alimentatietermijn verlengen.

Er zijn diverse voorbeelden genoemd van situaties waarin de rechter de hardheidsclausule kan toepassen. Bijvoorbeeld: de alimentatiegerechtigde heeft de zorg voor een ziek of gehandicapt kind of is mantelzorger voor andere familieleden. Of: de alimentatiegerechtigde is voor of tijdens het huwelijk arbeidsongeschikt geworden.

Verandert er verder nog iets?

Verder blijven de regels ongewijzigd. Ook de berekeningssystematiek van partneralimentatie blijft dus hetzelfde.

Wanneer gaan de nieuwe regels gelden?

De nieuwe wet wordt waarschijnlijk op 1 januari 2020 van kracht.

Voor wie geldt de wet?

De nieuwe wet is alleen toepassing op ‘nieuwe’ gevallen. Dat wil zeggen: wanneer het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend na 1 januari 2020 of wanneer partijen na deze datum samen afspraken maken over de partneralimentatie.


Indexering alimentatie 2019 2%

5 november 2018 familierecht Reacties uitgeschakeld voor Indexering alimentatie 2019 2%

Indexering alimentatie 2019

Alimentatiebedragen worden jaarlijks met ingang van 1 januari verhoogd met een percentage dat door de overheid wordt vastgesteld. Dit heet de wettelijke indexering. Dit gebeurt omdat prijzen en lonen ook stijgen door inflatie. Uw ex-partner is verplicht om het geïndexeerde bedrag te betalen.

Voor 2019 is de indexering vastgesteld op 2%.

Wanneer wordt de alimentatie niet geïndexeerd?

In sommige situaties wordt de alimentatie niet automatisch verhoogd.

U kunt samen afspreken dat de wettelijke indexering niet of een tijdlang niet geldt. Of u kunt samen samen kiezen voor een ander percentage of andere manier van verhoging, bijvoorbeeld door de alimentatie te koppelen aan de loonstijging van de alimentatiebetaler. Dergelijke afspraken moeten wel schriftelijk zijn vastgelegd.

Ook de rechter kan bepalen dat de alimentatie niet wordt geïndexeerd. Een reden is bijvoorbeeld dat de alimentatieplichtige een vast inkomen heeft dat niet meegaat met het loon- en prijspeil.

Hoe zorgt u ervoor dat uw ex-partner de verhoging (tijdig) betaalt?

Het is verstandig om uw ex-partner ruim van te voren – ergens in november of december – te laten weten welk bedrag hij/zij per 1 januari moet gaan betalen. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) biedt een handige tool om de gewijzigde alimentatie zelf uit te rekenen.

Mocht uw ex ondanks aanmaningen weigeren de indexering te betalen, dan kunt u bij het LBIO terecht voor inning van achterstallige alimentatie. Er moet in zo’n geval wel een beschikking van de rechter zijn, waarin de alimentatie is vastgesteld. Heeft u alleen een getekende overeenkomst met daarin de alimentatieafspraken, dan moeten deze alsnog door de rechter worden bekrachtigd. Pas daarna kan het LBIO in actie komen.

Wet Herziening Partneralimentatie: stand van zaken

17 juni 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wet Herziening Partneralimentatie: stand van zaken

Twaalf wordt vijf jaar

Eindelijk weer een stap in een lang, lang proces. Na ruim een jaar radiostilte is het oorspronkelijke wetsvoorstel om de partneralimentatie ingrijpend te wijzigen, opnieuw vereenvoudigd. De Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer is onderaan deze pagina te downloaden.

Het voorstel is teruggebracht tot één eenvoudige maatregel: de maximale alimentatieduur gaat van twaalf naar vijf jaar.

Vijf jaar tenzij …

Er zijn twee uitzondering op de hoofdregel van maximaal vijf jaar.

Ten eerste. Bij huwelijken die langer hebben geduurd dan vijftien jaar en waarbij alimentatiegerechtigde maximaal tien jaar is verwijderd van de aow-gerechtigde leeftijd, duurt de alimentatieplicht tot aan het bereiken van die leeftijd met een maximum van tien jaren.

Ten tweede. Als de echtgenoten jonge kinderen hebben, duurt de alimentatieplicht totdat het jongste kind twaalf jaar is. Of als dit korter is dan vijf jaar, uiteraard vijf jaar.

Alle andere wijzigingsvoorstellen – zoals het veranderen van de berekeningssystematiek en de ‘proefperiode’ voor samenwoners – zijn vervallen.

Nieuwe regels en ‘oude’ gevallen

Wat wel is gebleven: voor ‘oude’ gevallen blijven de huidige regels gelden. Ofwel: wie is gescheiden vóórdat de nieuwe regels gaan gelden, is gebonden aan de oude regels en moet dus maximaal twaalf jaar alimentatie betalen.

Wanneer weten we zeker of de nieuwe regels gaan gelden?

Het wetsvoorstel is in behandeling bij de Tweede Kamer. Op 27 juni 2018 wordt het voorstel plenair behandeld; een tweede plenaire behandeling zal plaatsvinden na het zomerreces. Als de Tweede Kamer het voorstel aanneemt, gaat het naar de Eerste Kamer. Hoe lang dit allemaal gaat duren, valt niet te zeggen.

Zie hier onze eerdere blogs over dit onderwerp.

Nota-n.a.v.-het-verslag-Wet-herziening-partneralimentatie.pdf (293 downloads)

Partneralimentatie en kindgebonden budget

13 augustus 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Partneralimentatie en kindgebonden budget

Kindgebonden budget en partneralimentatie

Het recht wordt gemaakt om ons te dienen. Toch is er steeds vaker iets vreemds aan de hand. Het recht gedraagt als een enorm uitdijend netwerk dat bezig is zijn eigen leven te gaan leiden. Wanneer ergens in de kluwen een schakeltje wordt omgezet, kan elders zomaar kortsluiting ontstaan.

Neem het dossier alimentatie en kindgebonden budget. Een minidrama in vogelvlucht.

De aanleiding

Een paar jaar geleden besloot de overheid de kindregelingen te vereenvoudigen. Een aantal ervan werd afgeschaft. In de plaats daarvan werd o.a. het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders fors opgehoogd. Het kindgebonden budget (kgb) is een netto toeslag op het inkomen, net als de huurtoeslag en zorgtoeslag.

Mooi zou je zeggen, elke vereenvoudiging is welkom. Klopt, ware het niet dat niemand van tevoren had bedacht dat deze vereenvoudiging elders in het netwerk kortsluiting zou veroorzaken en wel bij het berekenen van alimentatie … een onderwerp dat toch al standaard voor hoofdbrekens zorgt.

Kinderalimentatie en kindgebonden budget

De problemen begonnen bij de kinderalimentatie. Bij de berekening daarvan kijk je eerst: hoeveel kosten de kinderen [i]. Dat bedrag is de maximale alimentatie. De vraag die met de introductie van het hoge kindgebonden budget opkwam: moest je nou dat hele kgb, oplopend tot wel € 450 per maand, beschouwen als een potje om de kosten van de kinderen mee te betalen? Anders gezegd: verminderde dat hoge kgb 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie? Een ‘ja’ zou betekenen dat alleenstaande ouders met een hoog kgb plotseling veel minder kinderalimentatie zouden krijgen.

De Trema-normen, intussen aangepast aan gewijzigde kindregelingen, zeiden: ja, het kgb is er om de kinderkosten mee te betalen en vermindert dus 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie. Gevolg was dat veel alimentatiebetalers, doorgaans vaders, naar de rechter stapten om de alimentatie te laten verlagen. Aanvankelijk met succes.

Maar hier werd al snel een stokje voor gestoken. Veel rechters en advocaten meenden dat dit niet de bedoeling kon zijn. Want terwijl het inkomen van een alleenstaande ouder nauwelijks was gewijzigd (het hoge kgb kwam immers in de plaats van andere voordelen) ging de kinderalimentatie opeens omlaag, soms wel met een paar honderd euro per maand. Gevolg was dat sommige rechters de Trema-normen links lieten liggen. Ze gingen verschillend oordelen, de een deed zus, de ander zo. Verwarring alom.

Hoge Raad I

Er zat niks anders op dat de principiële vraag voor te leggen aan ons hoogste rechtscollege. De Hoge Raad antwoordde snel en duidelijk: het kgb is bedoeld als inkomensondersteuning. Daarom telt het bij de berekening van kinderalimentatie mee als inkomen bij de alimentatieontvanger en kan het voor allerlei kosten (zoals eten, drinken, wonen) worden gebruikt en is het niet alleen bestemd voor de kosten van de kinderen. Ergo: het kgb vermindert niet 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie.

Dit was een uitspraak die iedereen wel kon begrijpen. Reuze vervelend alleen dat nogal wat alimentatiebetalers opnieuw naar de rechter of mediator moesten om de eerder te laag vaststelde alimentatie te laten wijzigen.

Partneralimentatie en kindgebonden budget

Was toen alles opgelost? Nou nee, want toen kwam de volgende vraag, en wel een die veel weg had van de vorige. Dat zit zo. Het kan zijn dat degene die aanspraak heeft op kinderalimentatie – meestal de vrouw – een hoger bedrag aan kgb ontvangt dan haar aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt (dit is af te lezen uit de berekening van kinderalimentatie). De vraag is dan: als je vervolgens de partneralimentatie berekent, telt dit surplus aan kgb dan mee als inkomen van de ontvanger, waardoor de aanspraak op partneralimentatie minder wordt? Of moet je het kgb helemaal buiten beschouwing laten, omdat het voor de kinderen is bestemd?

Opnieuw een periode van onzekerheid: de ene rechter oordeelde zus, de ander zo. Daarom werd ook deze vraag in aller ijl voorgelegd aan de de Hoge Raad, die op 7 juli jl. antwoord gaf. Een antwoord dat allesbehalve verlossend lijkt.

Hoge Raad II

Wie had gedacht dat de Hoge Raad in lijn met zijn uitspraak over de kinderalimentatie zou zeggen: ‘het kgb is een inkomensondersteunende maatregel en dus telt het surplus mee als inkomen van de alimentatieontvanger’, die komt bedrogen uit. De Hoge Raad constateert dat het bedrag aan kgb afhangt van het inkomen van degene die er recht op heeft en dat dit inkomen onder meer bestaat uit …. juist ja, partneralimentatie. Ofwel hoe meer alimentatie iemand krijgt, hoe lager de aanspraak op kgb. En daar zit volgens de Hoge Raad de crux: het is niet de bedoeling om de overheid op kosten te jagen daar waar een ex-partner ook ruimte heeft om te betalen. Zo is het ook bij de zorg- en huurtoeslag, die tellen ook niet mee als inkomen bij het berekenen van alimentatie [ii].

Dit alles leidt tot de wonderlijke slotsom dat bij kinderalimentatie het kgb wordt gezien als inkomen van de alimentatieontvanger om de alimentatie zo hoog mogelijk te krijgen, terwijl bij partneralimentatie het surplus aan kgb opeens geen inkomen meer is om precies dezelfde reden. Bovendien – en nu wordt het bont – geldt dit volgens de Hoge Raad zelfs wanneer de alimentatieontvanger uiteindelijk meer te besteden heeft dan de betaler, omdat deze anders indirect toch zou meeprofiteren van het kgb. Met andere woorden: ook bij de zgn. jusvergelijking telt het kgb niet mee als inkomen.

(Als u het niet meer begrijpt, geen zorg, u bent in goed gezelschap …)

Onlogisch

De uitkomst van Hoge Raad II is onlogisch.

Ten eerste. De afgeschafte alleenstaande ouderkorting – een korting op de inkomstenbelasting – telde logischerwijs mee bij het inkomen van de partneralimentatieontvanger [iii]. Waarom het hoge kgb dat hiervoor in de plaats in gekomen dan niet? Of is dit ‘gewoon’ de bijvangst (leuk voor de overheid) van de operatie vereenvoudiging-kindregelingen?

Ten tweede. Zoals gezegd kan het kgb meer bedragen dan de ontvanger kwijt is aan kinderkosten [iv]. Maar bij de berekening van partneralimentatie wordt dat restdeel gewoon weggegumd. Dat klopt toch niet? Nee hoor, zegt de Hoge Raad, zo moet je dat niet zien: kinderkosten worden immers forfaitair (Nibud) berekend en kunnen dus in werkelijkheid hoger zijn. Jaha, zo kan ik het ook. Dat is wat je noemt tussentijds de spelregels veranderen. We berekenen de kinderkosten altijd forfaitair, maar uuh nu even niet …

Echt oneerlijk wordt het wanneer de alimentatieontvanger onder de streep meer overhoudt dan de betaler en het kgb-surplus niet in de jus mag worden gebruikt.

De praktijk

Grote praktische vraag is natuurlijk: in hoeveel gevallen speelt deze partneralimentatie-problematiek eigenlijk en wat zijn dan de financiële consequenties per geval? Ik weet het niet, maar het kan zijn dat we bezig zijn ons het hoofd te breken over moeilijke theorie, terwijl het in werkelijkheid weinig zal voorkomen dat een surplus aan kgb tot een lagere partneralimentatie leidt. En – mocht dat al zo zijn – dat het gaat om kleine bedragen gaat. Best mogelijk dat een heel leger juristen bezig is na te denken over een probleem waarvan we de (financiële) impact niet kennen, een impact die misschien gering is.

Vertrouwen

Punt is – en dan zijn we terug bij af – dat niks van dit alles van tevoren bedacht, laat staan zo bedoeld is. Dit hele gedoe is louter en alleen het onbedoelde gevolg van een herschikking elders in het systeem van regels. Beangstigend als je er over nadenkt. Want behalve dat het mensen boos maakt en op kosten jaagt, holt het uiteindelijk ons vertrouwen in het recht uit. Terwijl juist vertrouwen de brandstof is van het hele systeem.


Naschrift: zie ook het blog Alimentatie en de f(r)ictie van de toeslagen. Ook de huur- en zorgtoeslag tellen sinds jaar en dag niet mee als inkomen aan de kant van de alimentatieontvanger. Wanneer er daarnaast ook een substantieel surplus aan kindgebonden budget is, kan er zomaar zo’n € 600 netto per maand buiten de berekening blijven.

[i] Voor de kinderkosten zijn Nibudtabellen: afhankelijk van de hoogte van het gezinsinkomen laten de tabellen zien hoeveel een kind gemiddeld per maand kost.

[ii] Al in 1995 besloot de Hoge Raad dat de huur- en zorgtoeslag niet meetellen als inkomen bij de alimentatiegerechtigde, omdat deze toeslagen van ‘aanvullende aard’ zijn. Ook hier is de redenering: als de alimentatieplichtige ruimte heeft om te betalen, is het niet aan de overheid om dat te doen. De huur- en zorgtoeslag tellen wel mee bij de jusvergelijking.

[iii] Voor werkenden gold de alleenstaande ouderkorting. Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering kregen een toeslag op de uitkering. In beide gevallen telde die korting resp. toeslag als inkomen mee bij de partneralimentatie.

[iv] Voor een geval waarbij het kgb hoger was dan het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen zie bijv. deze casus die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.

 

 

 

 

 

 

Wet Herziening Partneralimentatie: update

4 mei 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wet Herziening Partneralimentatie: update

Wet Herziening Partneralimentatie: wat vooraf ging

Een korte update over het wetsvoorstel herziening partneralimentatie. Hoe zit het ook al weer?

In het aanvankelijke wetsvoorstel ging het huidige systeem rigoureus op de schop. De hoogte van de alimentatie zou berekend gaan worden op basis van verlies aan verdiencapaciteit – dat wil zeggen: wat had iemand kunnen verdienen als hij/zij niet was getrouwd? – en dus niet meer op basis van de welstand tijdens het huwelijk. De duur van de alimentatie ging terug naar van twaalf jaar naar ‘maximaal vijf jaar, tenzij’. Gevolg: in veel gevallen zou er geen aanspraak of een veel lagere aanspraak zijn op alimentatie.

De Raad van State had harde kritiek. Samengevat: het is nog steeds zo dat mannen meer werken dan vrouwen en zolang veel vrouwen nog niet economisch zelfstandig zijn, moet er een goed alimentatievangnet blijven.

Gewijzigd wetsvoorstel

Er ligt intussen een gewijzigd wetsvoorstel. De indieners hebben geluisterd naar de kritiek.

Dit zijn de hoofdpunten van het gewijzigde voorstel.

  • Aan de hoogte van de partneralimentatie wordt niet getornd. Grondslag blijft de welstand tijdens het huwelijk en dus niet een verlies aan verdiencapaciteit
  • De verkorting van de alimentatieduur van twaalf jaar naar ‘maximaal vijf jaar tenzij’ wordt gehandhaafd. 
  • Als de omstandigheden wijzigen kan er – net als nu – wijziging van de alimentatie worden gevraagd.
  • Er komt een proefperiode van een half jaar voor samenwoners. De regel is nu: als de alimentatiegerechtigde gaat samenwonen vervalt het recht op partneralimentatie definitief. Het voorstel is: het recht op alimentatie vervalt pas na zes maanden samenwonen, mits de alimentatiegerechtigde vooraf melding heeft gedaan van het samenwonen.
  • Er komt geen mogelijkheid om vooraf – bijvoorbeeld bij huwelijkse voorwaarden – het recht op partneralimentatie uit te sluiten.
  • Net als in het oorspronkelijke voorstel geldt de nieuwe wet geldt alleen voor nieuwe echtscheidingen.

Grootste pijnpunt

Het gewijzigde voorstel pakt – terecht – het grootste pijnpunt van het huidige systeem aan: de standaard alimentatieduur van maar liefst twaalf jaar, óók wanneer er geen jonge kinderen zijn. Verder blijft alles grotendeels bij het oude.

Maatschappijbeeld

Ons denken over partneralimentatie hangt sterk samen met ideologie, met politiek. Hoe vinden we dat onze maatschappij eruit moet zien? Wat is rechtvaardig? Is het feit dat je getrouwd bent geweest voldoende reden om na een scheiding nog een tijdlang de verantwoordelijkheid te dragen voor het levensonderhoud van de ander? Hoe ziet die verantwoordelijkheid er dan uit? En hoelang duurt die?

Bij kinderalimentatie is het een stuk simpeler: ouders moeten naar vermogen (financieel) voor hun kinderen zorgen, ook als ze gaan scheiden. Er zullen maar weinig mensen zijn die het oneens zijn met dit principe, hooguit wordt er gesteggeld over de berekening wat een ouder kan betalen.

Over partneralimentatie kun je in de basis heel verschillend over denken. Dat blijkt wel. Wordt vervolgd!


Lees ook de eerdere blogs over dit onderwerp

Wetsvoorstel partneralimentatie 

Eerste update wetsvoorstel partneralimentatie 

 

Kindgebonden budget en alimentatie: alweer gedoe!

28 februari 2016 familierecht Reacties uitgeschakeld voor Kindgebonden budget en alimentatie: alweer gedoe!

Kindgebonden budget … alweer gedoe

Vorig jaar ontstond veel discussie over de manier waarop het kindgebonden budget (KGB) moet meetellen in de berekening van kinderalimentatie. De Hoge Raad moest er aan te pas komen om duidelijkheid te brengen. Maar nu blijkt dat die uitspraak van de Hoge Raad zelf weer tot discussie leidt met als gevolg opnieuw onzekerheid voor mensen die met alimentatie te maken hebben.

Wat vooraf ging: de uitspraak van de Hoge Raad

Per 1 januari 2015 is er voor alleenstaande ouders met een laag inkomen recht op een hoog kindgebonden budget (KGB). Hoog wil zeggen: honderden euro’s, tot wel € 450 per maand.

Dat gaf vorig jaar een boel discussie, want op welke manier moest dat KGB nou meetellen bij de berekening van kinderalimentatie? Een nogal technisch verhaal, maar simpel gezegd: als je het KBG zou zien als een bedrag dat echt bedoeld was voor de kosten van kinderen, dan moet je het rechtstreeks aftrekken van wat de kinderen nodig hebben, met als gevolg een laag bedrag aan kinderalimentatie, ook wanneer de andere ouder best meer alimentatie zou kunnen betalen. Zie je het KGB daarentegen als ondersteuning van het gezinsinkomen, dan moet je het optellen bij het inkomen van de alimentatieontvanger en krijg je een ander, vaak veel hoger bedrag aan alimentatie.

Rechters oordeelden verschillend. Met als gevolg: grote rechtsonzekerheid én ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

De Hoge Raad moest de knoop doorhakken. Dat deed hij op 9 oktober 2015. De Hoge Raad zei: het KGB is een inkomensondersteunende maatregel en moet dus bij het inkomen van de alimentatieontvanger worden opgeteld. Het gevolg was dat veel eerder vastgestelde alimentaties opnieuw konden worden berekend en vaak hoger uitkwamen.

Allemaal heel vervelend voor betrokkenen, maar zou je zeggen: nu is er tenminste duidelijkheid.

Tja …………………

Uitspraak leidt tot nieuwe discussie

Je zou het haast niet geloven maar de uitspraak van de Hoge Raad heeft tot een nieuwe discussie geleid. Want wat te doen met het KGB bij het berekenen van partneralimentatie? Telt dat KBG mee als inkomen van de alimentatieontvanger of niet? Voor de duidelijkheid: bij partneralimentatie wordt de behoefte aan alimentatie (d.i. hoeveel heeft iemand nodig) meestal bepaald door 60% te nemen van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk. Van die behoefte moet je vervolgens het eigen inkomen (na de scheiding) aftrekken, wat logisch is want voor zover iemand in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien is er natuurlijk geen behoefte aan een bijdrage van de ex-partner..

Het maakt dus uit of je het KGB aftrekt van de behoefte of juist buiten beschouwing laat. Aftrekken betekent: een lagere behoeftigheid en dus een lagere alimentatieaanspraak.

Dat hier verschillend over gedacht kan worden, blijkt intussen uit uitspraken van rechters. Voorbeeld: het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zegt: KGB moet worden afgetrokken van de behoefte. Voorbeeld: het gerechtshof Den Haag zegt: het KGB telt niet mee.

Wat nu?

Het maakt alweer verschil bij welke rechter je terecht komt met een alimentatiegeschil. Dat mag natuurlijk niet. Het zou dus goed zijn als deze vraag zo snel mogelijk aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.

Iets anders maar niet minder belangrijk: dit probleem laat ‘prachtig’ zien hoe complex onze regels zijn geworden. Ons recht is als alsmaar uitdijend bouwwerk met veel te veel architecten en miljoenen bewoners met eigen wensen. Een bouwwerk met sluiproutes, wenteltrappen en donkere kamers. Een bouwwerk met een zo langzamerhand griezelig gebrekkige constructie: als je op de ene plek een steen weghaalt, stort elders een muur in.

Waarmee wij op ons stokpaard komen. Wij moeten het recht beheersen en niet andersom. Maak de regels niet nodeloos ingewikkeld en voorzie ze van een ‘gebruiksaanwijzing’ die iedereen snapt.

Laat ons recht alsjeblieft geen doolhof worden!

Heeft u vragen over kinder- of partneralimentatie: bel of mail met Hedy Bollen.

echtscheiding, alimentatie

ADVOCAATKOSTEN ALIMENTATIE AFTREKBAAR?

30 januari 2016 familierecht Reacties uitgeschakeld voor ADVOCAATKOSTEN ALIMENTATIE AFTREKBAAR?

Zijn advocaatkosten in alimentatiezaken aftrekbaar?

Hoe zat het ook al weer, welke advocaatkosten zijn aftrekbaar als het gaat om zaken over alimentatie?

Simpel gezegd is het zo. De advocaatkosten die iemand maakt om inkomen uit partneralimentatie te verkrijgen of te behouden zijn aftrekbaar. De advocaatkosten van iemand die partneralimentatie moet betalen en die deze alimentatie (opnieuw) wil laten vaststellen, zijn niet aftrekbaar.

Voorbeeld: stel een man wil de partneralimentatie laten herzien door de rechtbank, omdat hij minder is gaan verdienen. De vrouw, zijn ex-partner, is het daar niet mee eens en voert verweer. Beide partijen hebben een advocaat en dus kosten. De vrouw mag die kosten aftrekken van de belasting, de man niet. Voorbeeld: de vrouw vraagt in een echtscheidingsprocedure om een x-bedrag aan partneralimentatie, de man zegt dat hij slechts een y-bedrag kan betalen. Ook hier geldt: de vrouw kan de kosten die specifiek met dit onderwerp te maken hebben van de belasting aftrekken, de man niet.

Samengevat: voor de ontvanger zijn de kosten wel aftrekbaar, voor de betaler niet. Dat volgt uit de Wet Inkomstenbelasting en is in vele juridische procedures door de hoogste rechter bevestigd.

Onrechtvaardig

Maar dat is onrecht, wordt vaak gezegd. Hoe moet je aan mensen uitleggen dat de ene (ex)partner zijn advocaatkosten mag aftrekken, maar de andere (ex)partner in diezelfde zaak niet?

Er zijn allerlei argumenten aangevoerd bij de Hoge Raad. Dit systeem zou de vrije toegang tot het recht belemmeren. Het zou mannen (vaak betalers) discrimineren ten opzichte van vrouwen (vaak ontvangers). Maar tot nu toe heeft de Hoge Raad altijd de tekst van de wet gevolgd en stonden de betalers (vaak mannen dus) met lege handen.

Nieuwe zaak

En nu ligt deze vraag opnieuw bij de Hoge Raad. Het advies van de Advocaat-Generaal is er al en dat is negatief voor degenen die partneralimentatie moeten betalen. De AG zegt: er is niks veranderd en dus is de wet de wet en daar houden we ons aan.

Meestal volgt de Hoge Raad het advies van de Advocaat-Generaal. We wachten de uitspraak met spanning af. En hopen dat de Hoge Raad een verrassing brengt.

Nog even voor alle duidelijkheid: advocaatkosten die te maken hebben met het verkrijgen en behouden van kinderalimentatie zijn niet aftrekbaar. Dat komt omdat de wet kinderalimentatie niet ziet als inkomen. Advocaatkosten in verband met een echtscheiding zijn ook niet aftrekbaar, behalve dus als die kosten specifiek betrekking hebben op het verkrijgen van partneralimentatie of een andere inkomensuitkering (bijv. verrekening van pensioenrechten).

Wij adviseren u: vraag uw advocaat altijd om de kosten i.v.m. partneralimentatie te specificeren en vraag uw fiscaal adviseur naar de mogelijkheden.


Naschrift: de Hoge Raad heeft het advies van de AG gevolgd. Klik hier voor de uitspraak.

 

 

Indexering alimentatie

27 december 2015 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Indexering alimentatie
Indexering alimentatie
Alimentatiebedragen worden elk jaar, met ingang van 1 januari, verhoogd met een percentage dat door de overheid wordt vastgesteld. Dit heet de wettelijke indexering. Dit gebeurt omdat prijzen en lonen ook stijgen door inflatie.
Voor 2016 is het percentage waarmee de alimentatie wordt verhoogd 1,3%.
Voor een overzicht van percentages in de afgelopen jaren, kijk hier.
Wanneer wordt er niet geïndexeerd?
In sommige situaties wordt de alimentatie niet automatisch verhoogd.
• U kunt samen afspreken dat de wettelijke indexering niet of een tijdlang niet geldt. Dit moet dan wel schriftelijk worden vastgelegd.
• Het kan zijn dat de rechter (op verzoek van degene die alimentatie moet betalen) heeft bepaald dat de alimentatie niet wordt geïndexeerd. De reden daarvan is dan bijvoorbeeld dat de alimentatieplichtige een vast inkomen heeft dat niet meegaat met het loon- en prijspeil.
• U kunt kiezen voor een ander percentage of andere manier van verhoging, bijvoorbeeld voor een koppeling aan de loon ontwikkeling van degene die moet betalen.
• Tot slot: voor alimentaties die voor 1 januari 1973 zijn vastgesteld, geldt de automatische aanpassing niet als er toen afspraken zijn gemaakt over de ontwikkeling van het bedrag. Die afspraken blijven gelden.
Hoe zorgt u ervoor dat uw ex-partner de verhoging (tijdige) betaalt?
U kunt uw ex-partner van te voren – in december – laten weten welk alimentatiebedrag hij/zij per 1 januari moet gaan betalen. Als hij/zij dan (zonder goede reden) weigert om de verhoging te betalen, kunt u – mits u een uitspraak heeft van de rechter waarin de alimentatie is bepaald – het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) vragen de achterstallige alimentatie te innen.