DE JONGEN

5 februari 2018 Hedy Bollen

DE JONGEN

Er was eens een Jongen.

Hij werd geboren tussen twee wereldoorlogen in een achterhoek van het land. Zijn ouders waren boeren. Ze hadden het niet breed. Het was een hard geploeter, met hun dieren, op het land. Vijf monden hadden ze te voeden.

De Jongen had één zuster en drie broers.

Twee broers waren driftig, ze hadden blonde kuiven en brutale ogen. Net als jonge paarden hield men ze moeilijk in het gareel. De oudste was een meisje, gelukkig groot van stuk. Ze leek soms op een molen, wanneer ze wiekend met haar armen de wilde broers op afstand hield. De benjamin, een zacht nakomend kind, hield veeleer van muziek dan van het boerenleven.

De Jongen was de middelste, de nummer drie. Aan hem was niks bijzonders. Behalve wanneer de anderen vochten, dan nam hij zijn positie in … hij sprong er altijd tussenin.

Oorlog

Er kwam een oorlog die een gat sloeg in het leven. Haast alles wat vanzelfsprekend leek, verdween. Er was te weinig eten en een vormeloze angst voor wat ging komen. De wilde broers vertrokken om te vechten. Niet dat ze wilden, maar het moest. De Jongen kreeg verlof om thuis te blijven, hij mocht zijn vader helpen op de boerderij. Veertien jaar was hij, een kind nog. Vijf jaar ouder toen het over was. De Jongen ging allang niet meer naar school. Geld om door te leren was er niet. Hij molk de koeien en hielp de kalveren geboren worden. De broers keerden terug, met kerven in de ziel.

Kolenboer

Klein van stuk was hij, de Jongen, maar zijn handen waren kolenschoppen. Toen hij oud genoeg was, ging hij trouwen en werd kolenboer. Weet iemand nog wat voor zwaar werk dat is? Zwart zag hij, op alle dagen, behalve zondag. Zijn gezicht, zijn haar, zijn grote handen. Zakken is een werkwoord, is er iemand die dat nog weet? Kolen zakken. Grote jute zakken van een halve mud. Nootjes III, IV en V, briketten, antraciet. Hij laadde ze op zijn Chevrolet en bracht ze bij de mensen. Opladen, afladen, sjouwen en dan weer door.

Vaak floot de Jongen terwijl hij werkte. Dat kwam, hij had plezier. Hij bracht de mensen iets belangrijks. Brandstof en een praatje. Vaak kreeg hij koffie aangeboden, die dronk hij schielijk en met dankbaarheid. Hij kende ze, de mensen. Hij wist waar verdriet was, wie arm was en wie rijk.  Soms leverde hij zijn kolen op de pof. Of – als het niet anders kon – voor kostprijs of voor niks.

Van altijd

Hij had een vrouw die van hem hield en kreeg pas laat een dochter. Het meisje kreeg de kansen die hij niet had gehad.

De Jongen was niet geschoold en las geen boeken. Maar wat hij wist, is van altijd. Hij wist dat alle mensen anders maar gelijk zijn. En dat altijd alles stroomt. Dat zonder pijn geen vreugde is. En tijd geduld beloont. Hij wist alles van vergeven. Dat winst veel weg heeft van verlies. Hij, de middelste. De nummer drie.

Zijn dochter kon – gelijk zijn broers – soms driftig zijn. Hij liet haar gaan, hij ving haar op en zei met zachte ogen: “Kind, het is niet erg je hoofd te buigen.”

De Jongen – mijn vader – leerde me meer dan duizend boeken, terwijl hij noch ik dat wisten, toen.