Posts under: Hedy Bollen

Alimentatie en toeslagen: een f(r)ictie

16 februari 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Alimentatie en toeslagen: een f(r)ictie

De toeslagenfictie

Alles went, zeggen ze, als het maar lang genoeg duurt. Toch is dat niet altijd zo, sommige dingen blijven schuren.

Neem de regel dat huur- en zorgtoeslag niét meetellen bij het berekenen van de behoefte bij partneralimentatie. Ergens in de vorige eeuw besloot ons hoogste rechtscollege dat het zo moest [i]. Dus wordt het zo gedaan, intussen al 23 jaar, en zijn de rekenprogramma’s erop ingesteld.

En toch … dat schurende gevoel.

Ik denk dat elke advocaat die alimentatiezaken doet, het wel herkent: tegenover je zit een cliënt – meestal een man – die niet begrijpt dat de toeslagen die zijn ex ontvangt, worden weggegumd bij het berekenen van partneralimentatie.

Niet vanzelfsprekend

Dat deze toeslagenfictie inderdaad niet zo vanzelfsprekend is, bleek onlangs weer toen een gerechtshof – ongevraagd nog wel – de toeslagen wél meetelde als eigen inkomen van de vrouw [ii]. De zaak belandde bij de Hoge Raad. De die volstond met herhalen wat hij 23 jaar geleden ook zei: nee, zo moet dat niet.

De Hoge Raad overwoog (HR 22-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3266, r.o. 3.3.2): “De klacht is gegrond. Bij huur- en zorgtoeslag is sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage buiten beschouwing moet blijven bij het vaststellen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan een uitkering tot levensonderhoud op de voet van art. 1:157 BW (zie HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, NJ 2017/303, rov. 3.4.2 en HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1632, NJ 1995/291.)”

Maar waarom? Hoe kan het dat toeslagen aan de kant van de ontvanger niét en aan de kant van de betaler wél meetellen als inkomen?

Toeslagen, wat zijn dat?

Mensen met een relatief laag inkomen en vermogen hebben recht op een bijdrage van de overheid in de kosten van huren (huurtoeslag), de zorgverzekering (zorgtoeslag) en de kinderen (o.a. kindgebonden budget). Toeslagen zijn gerelateerd aan het inkomen: hoe meer iemand verdient, hoe lager de toeslag. Boven een bepaald inkomen is er geen recht meer op een toeslag. Die grens verschilt per toeslagsoort. Er gelden ook vermogensgrenzen.

In dit blog kijk ik naar de huur- en zorgtoeslag. Het kindgebonden budget kent sinds kort een vergelijkbare problematiek, lees het blog Alimentatie, minidrama in vogelvlucht.

Toeslagen van de alimentatieontvanger

Drieëntwintig jaar geleden moest de Hoge Raad beslissen over de vraag of de huurtoeslag meetelde als inkomen van degene die aanspraak maakt op partneralimentatie. Een ‘ja’ leek best logisch: toeslagen verhogen immers het inkomen en verlagen zodoende de behoefte aan alimentatie.

Maar de Hoge Raad zei: nee, zo moet dat niet.

De kern van de motivering is eenvoudig. Toeslagen zijn inkomensafhankelijk en bedoeld om dat inkomen aan te vullen. Partneralimentatie is een vorm van inkomen en telt dus mee bij de aanspraak op toeslagen [iii]. Hoe hoger dus de partneralimentatie, hoe lager de toeslag. En omdat toeslagen subsidiair zijn – ze zijn bedoeld om het inkomen zo nodig aan te vullen – is het niet de bedoeling dat de overheid opdraait voor kosten die ook door de alimentatiebetaler kunnen worden. Dit doel bereik je door de partneralimentatie te berekenen zonder rekening te houden met toeslagen.

Oké, de achterliggende gedachte snap ik.

Maar omdat je iets weg gumt wat er soms wel is – het recht op een toeslag – kun je uitkomsten krijgen die voor ons gevoel niet kloppen. Dat zijn de gevallen waarin de behoefte aan alimentatie (goeddeels) wordt ingevuld door de toeslagen en waar de te ontvangen alimentatie die behoefte, zou je de toeslagen meetellen, overstijgt.

Voorbeeld 1: Piet en Marie

Een voorbeeld op basis van de Trema-normen. Piet en Marie – dertigers – zijn dit jaar gescheiden. Ze hebben één kind dat na de scheiding bij Marie is gaan wonen. Piet heeft voor en na de scheiding een jaarinkomen van € 33.000 bruto. Marie werkt parttime, tijdens het huwelijk verdiende ze € 10.000 per jaar. In de aanloop naar de scheiding heeft ze haar uren kunnen uitbreiden; ze verdient nu € 15.000 bruto per jaar. Ze krijgt als alleenstaande ouder een maandelijks kindgebonden budget van € 354.  Bij een zorgkorting van 25% moet Piet € 205 per maand kinderalimentatie betalen.

Daarnaast heeft hij nog een beetje ruimte voor partneralimentatie. Marie heeft een huurwoning gevonden en betaalt € 600 huur per maand. Piet heeft de echtelijke woning met de hypotheek van € 200.000 overgenomen; zijn bruto rentelasten zijn € 666 per maand. Beiden betalen € 135 zorgpremie per maand. We gaan rekenen met de hofnorm – de bruto behoefte van Marie is dan € 664,– per maand. We houden geen rekening met toeslagen aan de kant van Marie. De partneralimentatie komt dan uit op € 240,– bruto per maand, dat is wat Piet maximaal kan betalen.

Maar … in werkelijkheid krijgt Marie bij deze partneralimentatie wel degelijk huur- en zorgtoeslag, te weten € 309 resp. € 94 maand. Zou je deze meetellen als eigen inkomen bij Marie en de partneralimentatie opnieuw berekenen (het zgn. lussen), dan wordt de alimentatie nul – de toeslagen dekken hier de volledige behoefte – terwijl Marie’s aanspraak op toeslagen gelijk blijft! Bij Piet zie je dat zijn zorgtoeslag (die aan zijn kant wel meetelt, zie hierna) zo’n € 30,– lager zou worden als hij geen alimentatie zou betalen, maar dat verlies is veel kleiner dan de alimentatie‘winst’.

Piet vindt het niet eerlijk. En dat begrijp ik wel. Zéker als je bedenkt dat Marie een kindgebonden budget van € 354,– per maand ontvangt, terwijl haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen € 114,– per maand bedraagt en ook dit surplus niét meetelt als inkomen aan de kant van Marie (zie Hoge Raad 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273).

Voorbeeld 2: Bas en Ingrid

Nog een voorbeeld. Bas en Ingrid zijn een paar jaar geleden gescheiden. Ze hebben drie kinderen die intussen 13, 15 en 17 jaar zijn. Bas had destijds een inkomen van € 45.000 bruto per jaar. Ingrid zorgde voor de kinderen. Bas heeft een promotie gemaakt en verdient nu € 55.000 per jaar. Ingrid is parttime gaan werken en verdient nu € 16.000 per jaar. Ze krijgt een kindgebonden budget van € 534,– per maand. Eenmaal per twee weken zijn de kinderen een weekend bij Bas. Hij moet dan een kinderalimentatie betalen van € 495,– per maand.

Ook hier heeft Bas nog een beetje ruimte voor partneralimentatie. Ingrid huurt een woning voor € 700,– per maand. Piet heeft een eigen huis en betaalt voor de hypotheek € 800,– rente en € 200,– aflossing per maand. Beiden betalen € 135,– zorgpremie per maand. De bruto behoefte van Ingrid op basis van de hofnorm is € 323,–. Als we zonder toeslagen aan de kant van Ingrid rekenen, komt de partneralimentatie uit op € 319,– bruto per maand. Maar Ingrid krijgt wel degelijk toeslagen, namelijk € 337,– huurtoeslag en € 94,– zorgtoeslag.  Tel je deze wel mee als inkomen van Ingrid, komt de partneralimentatie uit op nul en ook hier heeft dat géén invloed op Ingrids aanspraak op toeslagen.

De pijn qua kindgebonden budget is in dit geval nog een stukje groter. Ingrid krijgt € 534,– kgb per maand terwijl haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen € 148,– is: een surplus van maar liefst bijna vierhonderd euro dat niet meetelt als inkomen.

Hieronder [iv] staan de berekeningen voor Piet/Marie en Bas/Ingrid, gemaakt met het alimentatierekenprogramma Split-online.

Een voorbeeld uit de praktijk

Dat ook de praktijk niet altijd Hoge Raad-proof werkt, laat de uitspraak Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 29-10-2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4355 (r.o. 3.6.3) zien. Alweer een gerechtshof dat de toeslagen van de vrouw gewoon meetelde waardoor de alimentatie op nul uitkwam.

“Het hof constateert evenwel dat de vrouw in haar behoeftelijstje geen rekening heeft gehouden met de bedragen die zij aan toeslagen ontvangt. Uit de voorschotbeschikking toeslagen 2015 blijkt dat aan de vrouw een zorgtoeslag is toegekend van € 942,= per jaar (€ 78,50 per maand) en een huurtoeslag van € 3.173,= per jaar (€ 264,= per maand). Zoals ter zitting met partijen besproken, dienen de toeslagen die de vrouw ontvangt – omgerekend gemiddeld € 343,= per maand – in mindering te worden gebracht op haar behoefte, hetgeen tot gevolg heeft dat de behoefte van de vrouw volledig wordt gedekt door haar eigen inkomsten en de toeslagen die zij ontvangt.” 

Wat hier gebeurt gaat een stap verder dan de berekeningen in de fictieve voorbeelden. Hier worden de toeslagen zónder alimentatie als startpunt genomen. In de voorbeelden hierboven is het omgekeerd, daar is de alimentatie zonder toeslagen uitgangspunt en wordt er vervolgens gelust. Voor de uitkomst kan dat uiteraard (een groot) verschil maken.

Toeslagen van de alimentatiebetaler

Toeslagen die de alimentatiebetaler zelf ontvangt, tellen wél mee bij het berekenen van diens draagkracht, zie HR 07-07-2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, r.o. 3.4.3 laatste zin.

“In zoverre onderscheidt het kindgebonden budget zich van bijvoorbeeld huurtoeslag (ten aanzien waarvan de Hoge Raad in zijn beschikking van 27 januari 1995 heeft overwogen dat dit bij de alimentatieplichtige tot het inkomen dient te worden gerekend) (…)”

Maar is dat niet gek? Strookt dat wel met het uitgangspunt van de Hoge Raad dat de overheid zo min mogelijk moet betalen? Ook hier geldt immers dat er sprake is van elkaar wederzijds beïnvloedende variabelen: hoe hoger de partneralimentatie, hoe lager het inkomen, hoe hoger de aanspraak op toeslagen etc.

Weer een getallenvoorbeeld. Jan en Anne zijn een paar jaar geleden gescheiden, hun kinderen zijn het huis uit. Jan verdient beneden modaal, zo’n € 26.000,– per jaar. Anne had tijdens het huwelijk een kleine parttime baan (€ 6.000,– per jaar) en heeft nu twee parttime banen (in totaal € 15.000,– bruto per jaar).  Na de scheiding wonen ze allebei gehuurd. Jan betaalt € 650,– en Anne € 500,– huur per maand. Een berekening laat zien dat Jan volledig in de behoefte van Anne (€ 551,–  bruto per maand) kan voorzien, indien hij € 239,- huurtoeslag en € 94,–  zorgtoeslag per maand ontvangt. Anders gezegd: doordat Jan partneralimentatie betaalt, krijgt hij recht op toeslagen, terwijl die toeslagen op hun beurt zijn meegeteld voor het berekenden van de alimentatie (kip-ei). Anne zelf krijgt ook toeslagen, nl. € 88 huurtoeslag en € 82 zorgtoeslag, maar aan haar kant tellen die dus niet als inkomen.

Als je eventuele toeslagen van Jan niét zou meetellen bij het berekenen van de partneralimentatie, krijg je een ander plaatje. De alimentatie komt dan lager uit, op € 257,– bruto per maand, Jan heeft geen recht op huurtoeslag en slechts op € 67,– zorgtoeslag. Per saldo gaat Jan er bij deze methode dus netto op achteruit. Hetzelfde geldt voor Anne, zij krijgt weliswaar wat meer toeslagen maar het verlies aan alimentatie is groter.

Het is dus de overheid die bij de eerste methode de verliezer is: Jan en Anne krijgen in die situatie samen ca. € 150 per maand méér aan toeslagen dan wanneer de alimentatie zou berekenen zonder toeslagen aan Jans kant.

Een situatie als deze zal in de praktijk misschien niet vaak voorkomen, maar illustreert wel dat de beslissing van de Hoge Raad tot merkwaardige gevolgen kan leiden.

Hieronder [v] staan de berekeningen voor Jan en Anne.

De omvang van het probleem

Wanneer kan de fictie van de huur- en zorgtoeslag nou echt tot frictie leiden zoals bij Piet/Marie en Bas/Ingrid? Niet heel vaak, denk ik. Vermoedelijk is in de meeste situaties de behoefte aan alimentatie (veel) groter dan draagkracht, zodat het niet uitmaakt of je de toeslagen wel of niet meetelt. De draagkracht is dan sowieso nodig om de behoefte in te vullen. Soms ook zal de alimentatie het inkomen van de ontvanger zodanig ophogen, dat de aanspraak op toeslagen volledig verdwijnt.

Sèc kijkend naar de huur- en zorgtoeslag zal de ‘pijn’ dus wel meevallen. Maar dat wordt anders wanneer er daarnaast een behoorlijk surplus aan kindgebonden budget is. Er kan dan zomaar sprake zijn van in totaal zo’n € 600,– aan netto inkomen dat buiten de berekening wordt gelaten. Meer kans op frictie dus.

Jus

Voor de huur- en zorgtoeslag is er aan het einde van de streep een doekje voor het bloeden: deze tellen bij de jusvergelijking wél aan beide kanten mee, zodat de alimentatieontvanger uiteindelijk niet meer te besteden heeft dan de betaler. Zo gaat dat tenminste in de praktijk. Een uitspraak van de Hoge Raad waarin klip-en-klaar staat dat deze toeslagen mogen meetellen bij de jus, is er echter niet.

Dat is anders bij het kindgebonden budget: dat mag van de Hoge Raad niet mag meetellen bij de jus, omdat het volledig aan de kinderen ten goede moet komen en niet – via de jusverdeling – toch indirect aan de andere ouder[vi]. Voor de huur- en zorgtoeslag gaat dit argument m.i. niet op: daar kan een stukje toeslag van de alimentatiebetaler – via de jus of gewoon via de draagkrachtberekening – bij de ontvanger terecht komen. Dat ligt besloten in het uitgangspunt dat deze toeslagen meetellen bij het inkomen van de alimentatieplichtige. Ik zie geen reden waarom zou dat vice versa dan niet mogen. Blijft wel het principiële punt dat bij de jus gelust moet worden, wat in conflict kan komen met het uitgangspunt dat een lagere partneralimentatie niet mag leiden tot hogere toeslagen.

Eenmaal lussen?

De voorbeelden Piet/Marie en Bas/Ingrid laten zien dat een lusberekening kan leiden tot een lagere partneralimentatie, terwijl de toeslagen gelijk blijven. Je zou dus standaard tenminste één lusberekening kunnen uitvoeren. Je berekent eerst de alimentatie zonder rekening te houden met toeslagen (je kunt dat met het kgb ook doen). Vervolgens verlaag je de behoefte met de toeslagen die bij de berekende alimentatie horen. Als de alimentatie bij die nieuwe behoefte lager wordt, kijk je welke toeslagen bij dat lagere bedrag horen. Als vervolgens de aanspraak op toeslagen niet of nauwelijks wijzigt, is er geen argument meer om deze niet mee te tellen. De overheid komt immers niks tekort.

Of is dat te kort door de bocht, te casuïstisch? Is een situatie waarin toeslagen soms wel en soms niet meetellen niet ook ongewenst? En wat doe je wanneer de ene toeslag ongewijzigd blijft en de ander een stukje stijgt? En maken we het dan nóg ingewikkelder dan het al is?

De aloude conclusie dan maar? Dat het perfect rechtvaardige systeem niet bestaat? Dat schuurmomenten blijven.

Leven is schuren. Maar alimentatie-rekenen is ook maatwerk. Als ik Piets of Bas advocaat was zou ik beslist eens proberen … 🙂


Met dank aan Hanneke Moons en Albert Rozendal voor het meelezen en -denken.

Met dank aan Maarten de Mol van Otterloo die mij erop wees dat de berekeningen bij de eerdere versie van dit blog enkele fouten bevatten.

 

[i] HR 27-01-1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1632, NJ 1995/291 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl)

[ii] ECLI:NL:GHARL:2017:267

[iii] Kinderalimentatie is geen inkomen in de zin van de wet en heeft daarom geen invloed op de aanspraak op toeslagen. De toeslagen kunnen daar dus wel meetellen.

[iv] Piet en Marie 1 Piet_-_Marie_-_pal_zonder_T_; Piet en Marie 2 Piet_-_Marie_-_pal_met_T_; Bas en Ingrid 1 Bas_-_Ingrid_-_zonder_T; Bas en Ingrid 2 Bas_-_Ingrid_-_met_T.

[v] Jan en Anne 1 Jan_-_Anne_-_met_T_jan_zonder_T_anne; Jan en Anne 2 Jan_-_Anne_-_zonder_T_jan_zonder_T_anne_.

[vi] Zie de uitspraak van het Hof Den Haag van 6 december 2017 na de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad.

 

De Jongen

5 februari 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor De Jongen

DE MIDDELSTE

Er was eens een Jongen.

Hij werd geboren tussen twee wereldoorlogen in een Achterhoek van het land. Zijn ouders waren boeren. Ze hadden het niet breed. Het was een hard geploeter, met hun dieren, op het land.

Vijf monden hadden ze te voeden. De Jongen had één zuster en drie broers.

Twee broers waren driftig, ze hadden blonde kuiven en brutale ogen. Net als jonge paarden hield men ze moeilijk in het gareel. De oudste was een meisje, gelukkig groot van stuk. Ze leek soms op een molen, wanneer ze wiekend met haar armen de wilde broers op afstand hield. De benjamin, een zacht nakomend kind, hield veeleer van muziek dan van het boerenleven.

De Jongen was de middelste, de nummer drie. Aan hem was niks bijzonders. Behalve wanneer de anderen vochten, dan nam hij zijn positie in … hij sprong er altijd tussenin.

Oorlog

Er kwam een oorlog die een gat sloeg in het leven. Haast alles wat vanzelfsprekend leek, verdween. Er was te weinig eten en een vormeloze angst voor wat ging komen. De wilde broers vertrokken om te vechten. Niet dat ze wilden, maar het moest.

De Jongen kreeg verlof om thuis te blijven, hij mocht zijn vader helpen op de boerderij. Veertien was hij, toen het begon. Vijf jaar ouder toen het over was.

De Jongen ging allang niet meer naar school. Geld om door te leren was er niet. Hij molk de koeien en hielp de kalveren geboren worden. De wilde broers keerden terug, met kerven in de ziel.

Kolenboer

Klein van stuk was hij, de Jongen, maar zijn handen waren kolenschoppen. Toen hij oud genoeg was, ging hij trouwen en werd kolenboer. Weet iemand nog wat voor zwaar werk dat is? Zwart zag hij, op alle dagen, behalve zondag. Zijn gezicht, zijn haar, zijn grote handen. Zakken is een werkwoord, is er iemand die dat nog weet? Kolen zakken. Grote jute zakken van een halve mud. Nootjes III, IV en V. Briketten. Antraciet. Hij laadde ze op zijn Chevrolet en bracht ze bij de mensen. Opladen, afladen, sjouwen en dan weer door.

Vaak floot de Jongen terwijl hij werkte. Dat kwam, hij had plezier. Hij bracht de mensen iets belangrijks. Brandstof en een praatje. Vaak kreeg hij koffie aangeboden, die dronk hij schielijk en met dankbaarheid. Hij kende ze, de mensen. Hij wist waar verdriet was, wie arm was en wie rijk.  Soms leverde hij zijn kolen op de pof. Of – als het niet anders kon – voor kostprijs of voor niks.

Van altijd

Hij had een vrouw die van hem hield en kreeg pas laat een dochter. Het meisje kreeg de kansen die hij niet had gehad.

De Jongen was niet geschoold en las geen boeken. Maar wat hij wist, is van altijd. Hij wist dat alle mensen anders maar gelijk zijn. En dat altijd alles stroomt. Dat zonder pijn geen vreugde is. En tijd geduld beloont. Hij wist alles van vergeven. Dat winst veel weg heeft van verlies. Hij, de middelste. De nummer drie.

Zijn dochter kon – gelijk zijn broers – soms driftig zijn. Hij liet haar gaan, hij ving haar op en zei met zachte ogen: “Kind, het is niet erg je hoofd te buigen.”

De Jongen – mijn vader – leerde me meer dan duizend boeken, terwijl hij noch ik dat wisten, toen.

Jij bent toch advocaat?

11 november 2017 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Jij bent toch advocaat?

Jij bent toch advocaat?

Onlangs zat ik op een terras. Nazomer. Relaxmomentje. De eigenaar van het koffiehuis komt vragen wat ik wil drinken. Zelfde als altijd? Ja, een cappuccino graag. Hij en ik maken soms een praatje. Dit praatje loopt anders. Terwijl hij al wegloopt draait hij zich om: “Zeg, jij bent toch advocaat?” En zonder het antwoord af te wachten: “Mensen doen tegenwoordig niks anders als scheiden. En de enigen die er rijk van worden zijn advocaten en rechters.”

Pardon?

Ik frons. Half lachend: “Nou, dat geldt niet voor mij, hoor.” Maar hij hoort me niet, hij praat. Hij heeft een beeld. Zoals wel meer mensen dat hebben. Van advocaten, rechters, politici, die vooral hun eigen financiële belangen behartigen.

Ik hoor zijn tirade aan. En denk: hij moest eens weten …

Onderbetaald

Hij moest eens weten dat advocaten die zaken doen op basis van een toevoeging, al jaren zwaar worden onderbetaald. Zeker in het familierecht staat de beloning in geen enkele verhouding tot de hoeveelheid werk die de advocaat moet doen.

Hij moet ook weten dat verreweg de meeste van die advocaten – is mijn ervaring – niet beknibbelen op de uren in een zaak. Ze maken zich er niet met een jantje-van-leiden vanaf. Ze zijn betrokken, knokken voor elke cliënt.

Maatschappelijke functie

Mijn praktijk bestaat voor ongeveer de helft uit toevoegingen. Waarom ik die zaken doe? Simpel. Omdat ik vind dat iedereen, of hij nou veel of weinig verdient, recht heeft op goede rechtsbijstand. Omdat ik vind dat het hoort bij de maatschappelijke functie die je hebt als advocaat, bij het procesmonopolie dat de wet ons geeft. Duur gezegd: noblesse oblige. Een kwestie van idealen ook.

Maar dan de praktijk.

Praktijk

Met een gemiddelde echtscheiding ben je als advocaat als snel twintig tot vijfentwintig uur bezig, met soms uitschieters naar boven. Hoe dat kan? Eenvoudig. De ‘gemakkelijke’ scheidingen worden via mediation geregeld. De moeilijke zaken met veel conflicten en hoogoplopende emoties, komen uiteindelijk bij een advocaat terecht.

De vergoeding per toegevoegde zaak houdt daar totaal geen rekening mee.

Concreet: voor een echtscheiding op toevoegingsbasis krijgt de advocaat een vaste vergoeding van de overheid, te weten tien uren à € 105,61 bruto per uur. Vertaald naar het werkelijk aantal uren verdient de advocaat dus zo’n € 45 bruto per uur. Let wel: daar moeten alle praktijkkosten (denk aan huisvesting, ICT, opleiding, abonnementen, verzekeringen, personele ondersteuning) én de inkomstenbelasting nog vanaf. Ronduit geestig is ook de kilometervergoeding voor reizen naar de rechtbank: € 0,09 per km.

De gevolgen laten zich raden.

Gevolgen

Als mijn familiepraktijk alleen uit toevoegingen zou bestaan, zou ik beter ander werk kunnen gaan doen.

Ik ben noodgedwongen selectief geworden in het aannemen van toevoegingszaken. Met pijn in het hart, want het voelt niet goed om mensen weg te sturen.

Ik moet bezuinigen op zaken die mij ontlasten, zoals secretariële ondersteuning.

En last but not least, de cliënten die mijn werk zelf moeten betalen subsidiëren feitelijk voor een stukje de toevoegingspraktijk. Ofwel ik zou een nog lager uurtarief voor betalende cliënten kunnen hanteren, als de toevoegingsuren fatsoenlijk vergoed zouden worden.

Politiek

Het onderwerp staat op de politieke agenda. Onlangs kwam de commissie Van der Meer met haar eindrapport. Daaruit bleek, ik citeer: ‘Het stelsel vertoont ernstig achterstallig onderhoud. De bekostigingsnormen per zaak zijn circa 20 jaar oud en niet meer ‘bij de tijd’. Advocaten besteden gemiddeld veel meer tijd aan hun zaken dan zij krijgen vergoed. Het door de regering als redelijk genormeerde jaarinkomen is daardoor binnen het huidige stelsel niet haalbaar.’

Globaal genomen krijgen advocaten voor de helft (!) van de gewerkte toevoegingsuren niet betaald. Voor insiders niet verrassend natuurlijk.

Het punt is, je kunt dit allemaal wel leuk laten onderzoeken, maar tot nu toe heeft de overheid steeds gezegd ‘er komt geen geld bij, er gaat hooguit af’.

Investeren

Het is oneindig belangrijk dat mensen vertrouwen houden in het functioneren van ons ingewikkelde rechtssysteem. Dat ze – als niks anders werkt – de rechter kunnen vragen om een beslissing te nemen.

Ik snap heel goed dat het ook oneindig lastig is om een goed functionerend systeem te bedenken. Het perfecte systeem bestaat niet. Er zullen altijd mankementen en ‘perverse prikkels’ zijn.

Maar feitelijk is er geen keus: de overheid moét investeren in wat heet de toegang tot het recht.  Een fatsoenlijke beloning voor de mensen die het werk doen, hoort daar gewoon bij.

Cappuccino

Tegenwoordig informeer ik een cliënt niet alleen over wat vanuit zijn perspectief belangrijk is – de hoogte van de eigen bijdrage – ik vertel ook over de vergoeding die de advocaat per zaak ontvangt. Zodat men snapt dat ik zo efficiënt mogelijk moet werken en (helaas!) weinig tijd aan aanpalende (sociale en emotionele) problemen kan besteden.

Mijn ervaring is trouwens dat die informatie altijd nieuw is. Ik denk dat de meeste mensen geen flauw idee hebben van de beloningsperikelen in de gefinancierde rechtspraktijk.

Zo ook de eigenaar van het koffiehuis. Met hem en mij kwam het trouwens goed. Gelukkig maar, want zijn de cappuccino is heerlijk.

Mijn ex is een narcist

17 oktober 2017 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Mijn ex is een narcist

Mijn ex is een narcist

Als sprake is van een vechtscheiding, claimt de ene partij vaak dat de ander psychisch niet spoort. En vice versa. Gezien de hevigheid van de strijd is dat niet vreemd. Wel opmerkelijk is dat de kwalificatie narcisme daarbij zo vaak voorkomt.

Een veelgehoorde uitspraak: ‘Mijn ex is echte narcist.’

Ik ben me gaandeweg gaan afvragen: hoe komt het dat we de term narcisme pakweg twintig jaar geleden nauwelijks hoorden, terwijl die nu gemeengoed lijkt geworden? Met als startvraag natuurlijk: wat is narcisme nou eigenlijk precies?

Als je googelt op narcisme krijg je een eindeloze lijst met zoekresultaten: hoe herken je een narcist, omgaan met een narcist, de 21 kenmerken van narcisme, scheiden van een narcist, en natuurlijk ‘narcisme: doe de test’. Nota bene de Amerikaanse president kreeg – zij het op afstand – de diagnose ‘kwaadaardig narcisme’.

Narcisme is hot, zoveel is zeker.

Wat is narcisme?

De psychologie heeft hier wel een verklaring voor. Verhelderend is het verhaal van dr. Sander Thomaes, docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht. Thomaes doet al jaren onderzoek naar narcisme. Hij vertelt wat narcisme is en verklaart waarom wij, in de Westerse samenleving, de laatste decennia massaal narcistischer zijn geworden.

Het verhaal van Thomaes begint met een vraag: welk woord leren kinderen van nu als eerste wanneer ze naar school gaan? Het antwoord  is: ik. Terwijl vroeger alles begon met aap, noot, mies.

Narcisme is – samengevat – het hebben van een opblazen zelfbeeld, het idee uniek te zijn en uit te steken boven de rest. De narcistische mens wil constant waardering en applaus. En heeft weinig empathie voor anderen.

Narcisme is er in allerlei gradaties. Veel mensen hebben ergens wel een narcistisch trekje. Aan de andere kant van het spectrum staat de narcistische persoonlijkheidsstoornis: de narcistische trekken zijn dan zo dominant aanwezig dat iemand niet normaal kan functioneren en telkens problemen heeft met relaties, werk en sociale contacten.

Individualisering als oorzaak

Narcisme zit voor een deel in iemands karakter. Maar omgeving en opvoeding spelen ook een belangrijke rol. Volgens Thomaes is het vooral de individualisering van de Westerse maatschappij die ons narcistischer heeft gemaakt. Het tijdperk I, me and myself.

Onderzoek toont dat ook aan. In de US hebben psychologen sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw vragenlijsten aan jonge mensen voorgelegd. Op de vraag ‘vindt u zich een belangrijk persoon?’ antwoordde twaalf procent in 1950 met ja. Nu is die score tachtig procent! In Nederland zijn de resultaten vergelijkbaar.

Onze focus op het ik, het individuele, kan leiden tot een opvoedstijl die ouderlijke overwaardering wordt genoemd. We zijn onze kinderen gaan beschouwen als uniek, bijzonder. En plaatsen hen daardoor op een voetstuk. Het gevolg is een heleboel potentiële narcistjes, een legioen prinsjes en prinsesjes die later moeite krijgen met het waarmaken van hun uniciteit.

Doorgeschoten individualisering

Narcisme is dus deels doorgeschoten individualisering. Een te dominante focus op zelfontplooiing en autonomie, terwijl traditionele instituties als kerk en gezin juist aan belang hebben ingeboet.

De individualisering leidde ook tot een sterke toename van het aantal echtscheidingen. Waarschijnlijk is het niet verwonderlijk dat juist conflictscheidingen regelmatig leiden tot verwijten (soms over en weer) van narcistisch gedrag. De onderliggende emotie is dat de partners elkaar volledig zijn kwijt geraakt. Men voelt zich niet gezien, niet gehoord, en is ervan overtuigd dat de ander met maar één ding bezig is: zichzelf.

Balans

Aristoteles zei het al: de deugd is het midden tussen twee extremen. Hoe mooi zou dat zijn, een balans vinden tussen ik en samen, tussen vrijheid en saamhorigheid. De tegenbeweging is natuurlijk allang aan de gang. Sinds de financiële crisis, is er een ‘participatiemaatschappij’. We hebben buurtapps, broodfondsen en rouwen hartstochtelijk collectief bij rampspoed.

Wat naadloos bij deze beweging past, is een trend die steeds zichtbaarder wordt: als mensen willen scheiden, gaan we ze eerst helpen om bij elkaar te blijven in plaats van meteen de scheidingsknoop door te hakken.

Samenleven is geven en nemen. In tijden van welvaart kun je zomaar een beetje vergeten hoe dat moet.


Bronnen:

De presentatie van dr. Sander Thomaes (Betweterfestival 2016, ‘Zijn er tegenwoordig meer narcistische mensen dan vroeger?) wordt aanboden op de website van Studium Generale van de Universiteit Utrecht, https://www.sg.uu.nl/videos/de-narcistische-mens

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/02/01/psychologen-trump-lijdt-aan-kwaadaardig-narcisme-6501160-a1544013

http://www.hpdetijd.nl/2015-03-12/zo-krijgt-u-een-narcistisch-kind/

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/10/07/scheiden-is-slecht-niet-alleen-voor-u-13347105-a1576331

Foto: schilderij van de Italiaanse kunstschilder Caravaggio, gemaakt tussen 1598 en 1599, 110 x 92 centimeter groot. Het toont Narcissus, een figuur uit de Griekse mythologie, die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld.

 

Partneralimentatie en kindgebonden budget

13 augustus 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Partneralimentatie en kindgebonden budget

Kortsluiting bij partneralimentatie en kindgebonden budget

Wij mensen maken het recht. Het recht is er om ons te dienen, nietwaar?

Toch is er steeds vaker iets vreemds aan de hand. Het recht gedraagt als een enorm uitdijend netwerk dat bezig is zijn eigen leven te gaan leiden. Wanneer ergens in de kluwen een schakeltje wordt omgezet, kan elders zomaar kortsluiting ontstaan.

Neem het dossier alimentatie en kindgebonden budget. Een minidrama in vogelvlucht.

De aanleiding

Een paar jaar geleden besloot de overheid de kindregelingen te vereenvoudigen. Een aantal ervan werd afgeschaft. In de plaats daarvan werd o.a. het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders fors opgehoogd. Het kindgebonden budget (kgb) is een netto toeslag op het inkomen, net als de huurtoeslag en zorgtoeslag.

Mooi zou je zeggen, elke vereenvoudiging is welkom. Klopt, ware het niet dat niemand van tevoren had bedacht dat deze vereenvoudiging elders in het netwerk kortsluiting zou veroorzaken en wel bij het berekenen van alimentatie … een onderwerp dat toch al standaard voor hoofdbrekens zorgt.

Kinderalimentatie en kindgebonden budget

De problemen begonnen bij de kinderalimentatie. Bij de berekening daarvan kijk je altijd eerst: hoeveel kosten de kinderen [i]?Dat bedrag is de maximale alimentatie. De vraag die met de introductie van het hoge kindgebonden budget opkwam: moest je nou dat hele kgb, oplopend tot wel € 450 per maand, beschouwen als een potje om de kosten van de kinderen mee te betalen? Anders gezegd: verminderde dat hoge kgb 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie? Een ‘ja’ zou betekenen dat alleenstaande ouders met een hoog kgb plotseling veel minder kinderalimentatie zouden krijgen.

De Trema-normen, intussen aangepast aan gewijzigde kindregelingen, zeiden: ja, het kgb is er om de kinderkosten mee te betalen en vermindert dus 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie. Gevolg was dat veel alimentatiebetalers, doorgaans vaders, naar de rechter stapten om de alimentatie te laten verlagen. Aanvankelijk met succes.

Maar hier werd al snel een stokje voor gestoken. Veel rechters en advocaten meenden dat dit niet de bedoeling kon zijn. Want terwijl het inkomen van een alleenstaande ouder nauwelijks was gewijzigd (het hoge kgb kwam immers in de plaats van andere voordelen) ging de kinderalimentatie opeens omlaag, soms wel met een paar honderd euro per maand. Gevolg was dat sommige rechters de Trema-normen links lieten liggen. Ze gingen verschillend oordelen, de een deed zus, de ander zo. Verwarring alom.

Hoge Raad I

Er zat niks anders op dat de principiële vraag voor te leggen aan ons hoogste rechtscollege. De Hoge Raad antwoordde snel en duidelijk: het kgb is bedoeld als inkomensondersteuning. Daarom telt het bij de berekening van kinderalimentatie mee als inkomen bij de alimentatieontvanger en kan het voor allerlei kosten (zoals eten, drinken, wonen) worden gebruikt en is het niet alleen bestemd voor de kosten van de kinderen. Ergo: het kgb vermindert niet 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie.

Dit was een uitspraak die iedereen wel kon begrijpen. Reuze vervelend alleen dat nogal wat alimentatiebetalers opnieuw naar de rechter of mediator moesten om de eerder te laag vaststelde alimentatie te laten wijzigen.

Partneralimentatie en kindgebonden budget

Was toen alles opgelost? Nou nee, want toen kwam de volgende vraag, en wel een die veel weg had van de vorige. Dat zit zo. Het kan zijn dat degene die aanspraak heeft op kinderalimentatie – meestal de vrouw – een hoger bedrag aan kgb ontvangt dan haar aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt (dit is af te lezen uit de berekening van kinderalimentatie). De vraag is dan: als je vervolgens de partneralimentatie berekent, telt dit surplus aan kgb dan mee als inkomen van de ontvanger, waardoor de aanspraak op partneralimentatie minder wordt? Of moet je het kgb helemaal buiten beschouwing laten, omdat het voor de kinderen is bestemd?

Opnieuw een periode van onzekerheid: de ene rechter oordeelde zus, de ander zo. Daarom werd ook deze vraag in aller ijl voorgelegd aan de de Hoge Raad, die op 7 juli jl. antwoord gaf. Een antwoord dat allesbehalve verlossend lijkt.

Hoge Raad II

Wie had gedacht dat de Hoge Raad in lijn met zijn uitspraak over de kinderalimentatie zou zeggen: ‘het kgb is een inkomensondersteunende maatregel en dus telt het surplus mee als inkomen van de alimentatieontvanger’, die komt bedrogen uit. De Hoge Raad constateert dat het bedrag aan kgb afhangt van het inkomen van degene die er recht op heeft en dat dit inkomen onder meer bestaat uit …. juist ja, partneralimentatie. Ofwel hoe meer alimentatie iemand krijgt, hoe lager de aanspraak op kgb. En daar zit volgens de Hoge Raad de crux: het is niet de bedoeling om de overheid op kosten te jagen daar waar een ex-partner ook ruimte heeft om te betalen. Zo is het ook bij de zorg- en huurtoeslag, die tellen ook niet mee als inkomen bij het berekenen van alimentatie [ii].

Dit alles leidt tot de wonderlijke slotsom dat bij kinderalimentatie het kgb wordt gezien als inkomen van de alimentatieontvanger om de alimentatie zo hoog mogelijk te krijgen, terwijl bij partneralimentatie het surplus aan kgb opeens geen inkomen meer is om precies dezelfde reden. Bovendien – en nu wordt het bont – geldt dit volgens de Hoge Raad zelfs wanneer de alimentatieontvanger uiteindelijk meer te besteden heeft dan de betaler, omdat deze anders indirect toch zou meeprofiteren van het kgb. Met andere woorden: ook bij de zgn. jusvergelijking telt het kgb niet mee als inkomen.

(Als u het niet meer begrijpt, geen zorg, u bent in goed gezelschap …)

Onlogisch

De uitkomst van Hoge Raad II is onlogisch.

Ten eerste. De afgeschafte alleenstaande ouderkorting – een korting op de inkomstenbelasting – telde logischerwijs mee bij het inkomen van de partneralimentatieontvanger [iii]. Waarom het hoge kgb dat hiervoor in de plaats in gekomen dan niet? Of is dit ‘gewoon’ de bijvangst (leuk voor de overheid) van de operatie vereenvoudiging-kindregelingen?

Ten tweede. Zoals gezegd kan het kgb meer bedragen dan de ontvanger kwijt is aan kinderkosten [iv]. Maar bij de berekening van partneralimentatie wordt dat restdeel gewoon weggegumd. Dat klopt toch niet? Nee hoor, zegt de Hoge Raad, zo moet je dat niet zien: kinderkosten worden immers forfaitair (Nibud) berekend en kunnen dus in werkelijkheid hoger zijn. Jaha, zo kan ik het ook. Dat is wat je noemt tussentijds de spelregels veranderen. We berekenen de kinderkosten altijd forfaitair, maar uuh nu even niet …

Echt oneerlijk wordt het wanneer de alimentatieontvanger onder de streep meer overhoudt dan de betaler en het kgb-surplus niet in de jus mag worden gebruikt.

De praktijk

Grote praktische vraag is natuurlijk: in hoeveel gevallen speelt deze partneralimentatie-problematiek eigenlijk en wat zijn dan de financiële consequenties per geval? Ik weet het niet, maar het kan zijn dat we bezig zijn ons het hoofd te breken over moeilijke theorie, terwijl het in werkelijkheid weinig zal voorkomen dat een surplus aan kgb tot een lagere partneralimentatie leidt. En – mocht dat al zo zijn – dat het gaat om kleine bedragen gaat. Best mogelijk dat een heel leger juristen bezig is na te denken over een probleem waarvan we de (financiële) impact niet kennen, een impact die misschien gering is.

Vertrouwen

Punt is – en dan zijn we terug bij af – dat niks van dit alles van tevoren bedacht, laat staan zo bedoeld is. Dit hele gedoe is louter en alleen het onbedoelde gevolg van een herschikking elders in het systeem van regels. Beangstigend als je er over nadenkt. Want behalve dat het mensen boos maakt en op kosten jaagt, holt het uiteindelijk ons vertrouwen in het recht uit. Terwijl juist vertrouwen de brandstof is van het hele systeem.


Naschrift: zie ook het blog Alimentatie en de f(r)ictie van de toeslagen. Ook de huur- en zorgtoeslag tellen sinds jaar en dag niet mee als inkomen aan de kant van de alimentatieontvanger. Wanneer er daarnaast ook een substantieel surplus aan kindgebonden budget is, kan er zomaar zo’n € 600 netto per maand buiten de berekening blijven.

[i] Voor de kinderkosten zijn Nibudtabellen: afhankelijk van de hoogte van het gezinsinkomen laten de tabellen zien hoeveel een kind gemiddeld per maand kost.

[ii] Al in 1995 besloot de Hoge Raad dat de huur- en zorgtoeslag niet meetellen als inkomen bij de alimentatiegerechtigde, omdat deze toeslagen van ‘aanvullende aard’ zijn. Ook hier is de redenering: als de alimentatieplichtige ruimte heeft om te betalen, is het niet aan de overheid om dat te doen. De huur- en zorgtoeslag tellen wel mee bij de jusvergelijking.

[iii] Voor werkenden gold de alleenstaande ouderkorting. Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering kregen een toeslag op de uitkering. In beide gevallen telde die korting resp. toeslag als inkomen mee bij de partneralimentatie.

[iv] Voor een geval waarbij het kgb hoger was dan het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen zie bijv. deze casus die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.

 

 

 

 

 

 

Woonlasten bij scheiding

8 juni 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Woonlasten bij scheiding

Woonlasten bij scheiding

Veelvoorkomende situatie: een stel gaat scheiden, ze wonen in een koophuis dat gezamenlijk eigendom is en zijn allebei hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek. Het huis wordt te koop gezet en een van beiden blijft er wonen totdat het is verkocht. Dat kan lang duren, soms tot jaren na de scheiding.

Veelgestelde vraag is dan: wie moet de woonlasten betalen zolang de woning nog gezamenlijk eigendom is? Degene die er is blijven wonen en dus het volledige woongenot heeft? Of allebei de helft, conform de eigendomsverhouding?

Bij deze ogenschijnlijk simpele vraag hoort, zoals wel vaker in het recht, geen simpel antwoord. Dat antwoord luidt namelijk: dat hangt ervan af. Dat hangt af wat in die specifieke situatie redelijk en billijk is. Maatwerk dus.

Voor de duidelijkheid, met woonlasten wordt hier bedoeld: de eigenaarslasten. Het spreekt immers voor zich dat de bewoner de gebruikerslasten betaalt.

Hoofdregels

Voor een goed begrip eerst een paar hoofdregels.

De wet zegt – vrij vertaald – dat wanneer twee mensen ieder voor de helft eigenaar zijn van een zaak, neem een woning, ze ook allebei de helft van de lusten en lasten van die zaak moeten dragen. Althans, tenzij men onderling iets anders heeft afgesproken. Afwijkende afspraken maken mag dus altijd. Dus: zolang een woning eigendom is van twee ex-echtgenoten, ieder voor de helft, moet ieder in principe de helft van de woonlasten betalen.

Maar: de wet zegt ook – alweer vrij vertaald – dat als een van de eigenaren het alleengebruik van een zaak heeft, het redelijk en billijk kan zijn dat hij de andere eigenaar daarvoor een gebruiksvergoeding betaalt. Wat redelijk en billijk is, hangt af van de omstandigheden, denk aan de financiële situatie van partijen, eventuele over- of onderwaarde van de woning of andere bijzonderheden.

De uitkomst kan – al naar gelang de situatie – dus heel verschillend zijn.

Meestal slagen mensen die gaan scheiden er wel in om samen te bedenken wat in hun specifieke situatie redelijk is. En lukt het ze om afspraken te maken, waarbij de woonlasten vaak onderdeel zijn van een heel afsprakenpakket. Maar wat als dat niet lukt?

Dan is het aan de rechter om maatwerk te leveren.

Maatwerk

Een mooi voorbeeld van dat maatwerk is een recente uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Casus: man en vrouw zijn gescheiden, de vrouw is in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. De woning staat al geruime tijd te koop en heeft geen overwaarde. De man woont elders en heeft eigen woonlasten.

Het gerechtshof stelt eerst vast dat de man en vrouw samen, elk voor de helft, eigenaar zijn en daardoor dus allebei 50% van de lasten moeten betalen. Vervolgens kijkt het hof of de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen en zo ja, hoe hoog die moet zijn.

De vrouw stelt: ik hoef geen vergoeding te betalen, omdat de woning geen overwaarde heeft en moeilijk verkoopbaar is. Het hof is het daar – terecht – niet mee eens. Het hof zegt: de grondslag voor een gebruiksvergoeding is niet of er al dan niet overwaarde in de woning zit, maar dat een van de eigenaren het alleengebruik heeft.

Daarna komt het maatwerk. In dit geval stelt het Hof vast dat partijen ongeveer hetzelfde inkomen hebben. De woonlasten van de vrouw (i.e. de lasten van de gemeenschappelijke woning) zijn € 2.874,– en die van de man € 1.209,–. Het Hof telt vervolgens de woonlasten bij elkaar op, deelt het bedrag door twee (€ 2.041,50) en beslist dat de vrouw aan de man het verschil tussen € 2.041,50 en zijn eigen woonlasten moet betalen. Anders gezegd: nu partijen evenveel verdienen, vindt het Hof het redelijk dat ze – zolang de woning niet verkocht is – ook gelijke woonlasten hebben. Een hele praktische benadering.

Lastig voorspelbaar

Onnodig te zeggen dat de uitkomst van dit soort zaken niet altijd goed voorspelbaar is. Het is aan partijen om relevante omstandigheden te benoemen en aan de rechter om deze te wegen.

Tot de crisis (2009) was er vaak sprake van overwaarde in een woning en werd de gebruiksvergoeding daarop gebaseerd (de vergoeding werd dan vastgesteld als een percentage, bijvoorbeeld 4% per jaar, van de helft van de overwaarde). Intussen is de huizenmarkt veranderd en zie je dat wordt aangeknoopt bij de werkelijke woonlasten.

Tot slot: let op!

Het verdelen van woonlasten bij scheiding heeft ook belangrijke fiscale consequenties. Denk aan: de hypotheekrenteaftrek en de toerekening van het eigenwoningforfait. Er gelden speciale fiscale regels bij scheiding. Die regels zijn ingewikkeld en de gevolgen kunnen groot zijn.

Er is eigenlijk maar één verstandig advies: laat u over woonlasten bij scheiding goed adviseren. Altijd.


Noot: Soms moet de rechter ook beslissen over de datum dat de gebruiksvergoeding moet ingaan: is dat al tijdens de echtscheidingsprocedure of pas nadat de echtscheiding is uitgesproken? Ook die beslissing hangt weer af van de concrete situatie.

Wet Herziening Partneralimentatie: update

4 mei 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wet Herziening Partneralimentatie: update

Wet Herziening Partneralimentatie: wat vooraf ging

Een korte update over het wetsvoorstel herziening partneralimentatie. Hoe zit het ook al weer?

In het aanvankelijke wetsvoorstel ging het huidige systeem rigoureus op de schop. De hoogte van de alimentatie zou berekend gaan worden op basis van verlies aan verdiencapaciteit – dat wil zeggen: wat had iemand kunnen verdienen als hij/zij niet was getrouwd? – en dus niet meer op basis van de welstand tijdens het huwelijk. De duur van de alimentatie ging terug naar van twaalf jaar naar ‘maximaal vijf jaar, tenzij’. Gevolg: in veel gevallen zou er geen aanspraak of een veel lagere aanspraak zijn op alimentatie.

De Raad van State had harde kritiek. Samengevat: het is nog steeds zo dat mannen meer werken dan vrouwen en zolang veel vrouwen nog niet economisch zelfstandig zijn, moet er een goed alimentatievangnet blijven.

Gewijzigd wetsvoorstel

Er ligt intussen een gewijzigd wetsvoorstel. De indieners hebben geluisterd naar de kritiek.

Dit zijn de hoofdpunten van het gewijzigde voorstel.

  • Aan de hoogte van de partneralimentatie wordt niet getornd. Grondslag blijft de welstand tijdens het huwelijk en dus niet een verlies aan verdiencapaciteit
  • De verkorting van de alimentatieduur van twaalf jaar naar ‘maximaal vijf jaar tenzij’ wordt gehandhaafd. 
  • Als de omstandigheden wijzigen kan er – net als nu – wijziging van de alimentatie worden gevraagd.
  • Er komt een proefperiode van een half jaar voor samenwoners. De regel is nu: als de alimentatiegerechtigde gaat samenwonen vervalt het recht op partneralimentatie definitief. Het voorstel is: het recht op alimentatie vervalt pas na zes maanden samenwonen, mits de alimentatiegerechtigde vooraf melding heeft gedaan van het samenwonen.
  • Er komt geen mogelijkheid om vooraf – bijvoorbeeld bij huwelijkse voorwaarden – het recht op partneralimentatie uit te sluiten.
  • Net als in het oorspronkelijke voorstel geldt de nieuwe wet geldt alleen voor nieuwe echtscheidingen.

Grootste pijnpunt

Het gewijzigde voorstel pakt – terecht – het grootste pijnpunt van het huidige systeem aan: de standaard alimentatieduur van maar liefst twaalf jaar, óók wanneer er geen jonge kinderen zijn. Verder blijft alles grotendeels bij het oude.

Maatschappijbeeld

Ons denken over partneralimentatie hangt sterk samen met ideologie, met politiek. Hoe vinden we dat onze maatschappij eruit moet zien? Wat is rechtvaardig? Is het feit dat je getrouwd bent geweest voldoende reden om na een scheiding nog een tijdlang de verantwoordelijkheid te dragen voor het levensonderhoud van de ander? Hoe ziet die verantwoordelijkheid er dan uit? En hoelang duurt die?

Bij kinderalimentatie is het een stuk simpeler: ouders moeten naar vermogen (financieel) voor hun kinderen zorgen, ook als ze gaan scheiden. Er zullen maar weinig mensen zijn die het oneens zijn met dit principe, hooguit wordt er gesteggeld over de berekening wat een ouder kan betalen.

Over partneralimentatie kun je in de basis heel verschillend over denken. Dat blijkt wel. Wordt vervolgd!


Lees ook de eerdere blogs over dit onderwerp

Wetsvoorstel partneralimentatie 

Eerste update wetsvoorstel partneralimentatie 

 

Waarom haviken winnen

11 april 2017 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Waarom haviken winnen

Waarom haviken winnen: ingebouwde denkfouten

‘Waarom hebben haviken zoveel invloed? Het antwoord ligt wellicht verscholen in de menselijke geest. Mensen hebben tal van ingebouwde denkfouten, die bijna allemaal meer gericht zijn op conflict dan op concessies doen.’

Dit was de intro van een artikel uit 2009  van psycholoog en Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman en politicoloog Jonathan Renshon. De wetenschappers waren geschrokken van wat ze hadden ontdekt: dat ons denkpatroon, waar allerlei (voorspelbare) fouten in zitten, meer neigt naar conflict dan naar verzoening. Dat haviken vaak winnen van duiven.

In de psychologie wordt een voorspelbare denkfout bias genoemd. En daar hebben wij er nogal wat van.

Oorlog en echtelijke ruzie

Bijvoorbeeld: wij zijn geneigd allerlei kwade bedoelingen toe te dichten aan een tegenstander, terwijl we ons eigen minder prettige gedrag verklaren als een reactie op de ander. Het omgekeerde, dat ander ook weleens lelijk zou kunnen doen omdat wij lelijk doen, komt niet in ons op.

Het artikel van Kahneman c.s. gaat vooral over de macro-situatie waarin je deze bias akelig duidelijk ziet: oorlog! Met als pregnant voorbeeld de inval van US en Groot-Brittannië in Irak.  Maar deze bias speelt evenzogoed in micro-verband en wel … juist ja, bij echtelijke ruzies.

Rare vergelijking, de Irak-oorlog en een ruziënd echtpaar? Niet echt, als je kijkt naar wat er bij een complexe echtscheiding kan gebeuren. Mensen die vechtend scheiden belanden vaak in een vicieuze cirkel van actie-reactie. En raken het zicht op elkaar als mens soms volledig kwijt.

Eendimensionaal

Bij een vechtscheiding lopen we kans dat we de ander uiteindelijk alleen nog zien als die gestoorde vijand die uit is op onze ondergang. Er is geen keus, we moéten wel terugslaan. Dat die ander wellicht – net als wijzelf – pijn heeft en verdriet, dat zien we niet (meer). Dat elk verhaal minstens twee – zo niet tien – kanten heeft, zijn we kwijt. Iedereen die regelmatig met complexe scheidingen te maken heeft, weet hoe eendimensionaal het denken kan worden.

Maakbaar

Meest lastige vraag: hoe keer je dat om? Hoe kun je iemand voorzichtig een andere werkelijkheid laten zien? Hoe laat je iemand kijken naar wat wél kan (niet reageren, anders reageren, iets leuks gaan doen, een rondje hardlopen, een vraag stellen, relativeren) in plaats van wat niét kan (de ander veranderen)? De praktijk wijst uit: een soms haast onmogelijke opgave.

Maar als je bedenkt dat kunnen  (en dan vooral: niet kunnen) waarschijnlijk veel zwaarder weegt dan willen, is dat niet zo gek. Wij zijn niet zo maakbaar als we zouden wensen en ons gedrag laat zich niet zo eenvoudig sturen.

Egoïstische volwassene?

Het is de verdienste van Kahneman en vele andere wetenschappers dat we intussen iets weten over de werking van ons brein … een verre van perfecte computer en (gelukkig?) lastig te deprogrammeren.

Voor mij is een vechtscheidende ouder geen asociale, egoïstische volwassene die over de rug van zijn kinderen zijn eigen frustraties botviert. Het is een mens. Met een eigen aanleg en karakter, een scala aan ingebouwde denkfouten en soms een zware rugzak met ervaring.

Aandacht voor de benarde positie van kinderen is goed. Hard nodig ook. Maar inzicht in wat ouders – lees: mensen – beweegt net zo goed.

 

 

 

 

Hondenzaken

10 april 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Hondenzaken

Eigensoortig gezinslid 

Bij echtscheiding ruziën mensen het hardst om wat hen het meest dierbaar is. Vaak zijn dat de kinderen. Soms ook gaat het om dat andere, eigensoortige gezinslid. Inderdaad, de hond. En lopen de emoties zo hoog op dat partijen in de rechtszaal eindigen.

Tegenwoordig staat expliciet in de wet dat dieren geen dingen zijn. Dat geeft de rechter ruimte om verder te kijken dan het eigendomsrecht en rekening te houden met het belang van het dier. Dat rechters daar verschillend mee omgaan, laten de volgende twee uitspraken zien.

Zaak 1: de hond Baron

Hoofdrolspeler: een jonge Duitse dog met de aansprekende naam Baron. Barons baasjes zijn gescheiden en in het scheidingsconvenant staat dat Baron wordt toebedeeld aan baasje A.

Baasje A wordt ziek en kan daardoor waarschijnlijk niet meer goed voor Baron zorgen; in elk geval staat vast dat hij Baron op dat moment te koop heeft aangeboden op marktplaats. Baasje B vindt dat maar niks en haalt Baron – zonder dat A dat goed vindt – weg bij A, die hem vervolgens voor de Almelose kortgedingrechter daagt. A eist Baron terug.

Koude kermis

Wie verwacht dat de rechter ook kijkt naar wat het beste voor de hond zou zijn, komt van een koude kermis thuis. Deze rechter toetst louter zakelijk: wie is eigenaar (baasje A), zijn er later andere afspraken gemaakt (nee), heeft A soms afstand gedaan van Baron (nee). De rechter besluit:

‘Aan een afweging van de belangen van partijen en Baron wordt echter niet toegekomen. Het gaat in dit kort geding om een eigendomskwestie, niet om het belang van de hond.’

Uh? Niet om het belang van de hond? Waarom niet? De wet biedt die ruimte echt wel. Moét het belang van de hond niet meewegen, zeker waar gesteld wordt dat er niet goed voor de hond wordt gezorgd? Deze rechter ziet dat anders en overweegt dat als B van mening is dat A niet meer goed voor Baron kan zorgen, hij zelf ‘daarop gerichte maatregelen’ kan nemen.

O ja? Welke maatregelen dan? De Dierenbescherming of Dierenpolitie grijpen pas in als het echt niet langer kan. Daar wil je niet op wachten als je van je dier houdt.

Zaak 2: een franse bulldog

Alweer: de baasjes zijn verwikkeld in een complexe scheiding en subject van strijd is ditmaal een drie jaar oude franse bulldog.

De Limburgse rechter pakt het anders aan. Omdat de ruziënde partijen om het hardst roepen veel van de hond te houden maar niemand het heeft over wat goed is voor het dier, gaat de rechter daar zelf maar over nadenken en geeft partijen een aandoenlijke les in hondenwelzijn. Hij houdt het strijdende koppel voor dat hun bulldogje een vrolijk, aanhankelijk wezen is dat veel aandacht nodig heeft en niet bestand is tegen een onvriendelijke behandeling. ‘De scheiding van zijn baasjes moet voor hem dan ook een hard gelag zijn geweest’, aldus de rechter.

Hartverwarmende uitspraak

Omdat (nog) niet vaststaat welk baasje de eigenaar is, beslist de rechter dat dit bulletje voorlopig de ene week bij de het ene baasje en de andere week bij de ander mag blijven. En als het aan de rechter ligt, dan zorgen de baasjes dat dit zo blijft. Met een leeftijd van drie jaren heeft [hond] het grootste gedeelte van zijn hondenleven nog voor de boeg en de mogelijkheid om [hond] tot aan zijn dood onverdeeld te laten, is dan een aantrekkelijk perspectief.’

Een hartverwarmende uitspraak. Zo kan het dus ook.

Ons denken over dieren verandert. Langzaam, maar wel zeker.

HB


Lees ook ‘Een dier is geen ding‘.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOVE:2017:448

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2017:372

 

emancipatie

Emancipatie

8 maart 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Emancipatie

Internationale vrouwendag

Vandaag – op Internationale Vrouwendag – denk ik aan mijn moeder … geboren tussen twee wereldoorlogen in een groot, hardwerkend boerengezin. Het was de tijd van hechte gemeenschappen. Noaberschap. Van koeien die in de wei graasden. En kinderen die buiten speelden in plaats van op een playstation.

Je zou het plaatje idyllisch in kunnen kleuren.

Handelingsonbekwaam

Toch scheelde het een haar of mijn moeder was door haar huwelijk met mijn vader handelingsonbekwaam geraakt. Ze trouwde kort na 1957. Het jaar waarin de wettelijke regel dat vrouwen handelingsonbekwaam werden zodra ze trouwden, eindelijk werd afgeschaft.

Je leest het goed. Tot 1957 werden vrouwen vanwege hun huwelijk automatisch gelijkgesteld aan kinderen en geesteszieken. Getrouwde vrouwen mochten niet deelnemen aan het rechtsverkeer. Werken mocht alleen met toestemming van de man en dan moest het loon worden ingeleverd. Enige uitzondering: vrouwen mochten zelfstandig boodschappen doen. Wow!

Nauwelijks te bevatten dat dit pas 60 jaar geleden is.

Emancipatiebeleid

Bij haar aantreden in 2012 maakte minister Bussemaker het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen tot speerpunt van beleid. Doel: alle vrouwen moeten economisch zelfstandig zijn. Prima zou je zeggen, het daadwerkelijk benutten van de zo zwaar bevochten gelijke kansen voor mannen en vrouwen.

Alleen, het wil nog niet erg lukken …

De werkelijkheid – de maatschappij – valt niet zo makkelijk te plooien. De Emancipatiemonitor 2016 laat zien dat mannen nog steeds meer werken en meer verdienen dan vrouwen. Slechts 54% van de vrouwen tussen 20-64 jaar is economisch zelfstandig, tegen mannen 74%. Logisch dus ook dat bij echtscheiding vrouwen financieel harder geraakt worden dan mannen.

Emancipatie is ….

De cijfers laten zien dat het ombuigen van diep ingesleten patronen tijd kost. Veel tijd.

Voor mij is emancipatie – gelijke rechten, gelijke kansen – altijd vanzelfsprekend geweest. Geen issue. Ik had mazzel. Heb nooit voor of tegen iets hoeven knokken. Hoe anders was dat voor mijn moeder. Zij had huishoudschool gedaan – in die tijd voor meisjes de meest logische voorbereiding op de toekomst – ging trouwen en werd huisvrouw. Pas toen ze ouder was, ontdekte ze dat ze dolgraag lerares had willen worden. Dat was moeilijk en deed zeer. Maar ze was trots op haar dochter, die ging studeren en kansen pakte die zij niet had gekregen.

Ik zou het niet in mijn hoofd halen om vrouwen als mijn moeder, vrouwen die in deeltijd werken, vrouwen die niet werken, welke vrouw of welke man dan ook, weg te zetten als ongeëmancipeerd.

Emancipatie laat zich niet meten in louter geld en getallen. Ze zeggen wel: echte schoonheid zit van binnen. Is het met emancipatie niet net zo?

HB