Posts under: Hedy Bollen

Eigen woning bij scheiding: ex krijgt financiering niet rond

15 november 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Eigen woning bij scheiding: ex krijgt financiering niet rond

Ex krijgt financiering woning niet rond

Een veel voorkomende situatie: een getrouwd stel is samen eigenaar van een woning en de hypotheek staat op beider naam. Er komt een scheiding. Een van hen, stel de man, wil na de scheiding de woning overnemen. Voor zo’n overname is nodig dat zijn ex wordt ‘uitgekocht’ en dat de man de volledige hypotheek overneemt.

Ze zijn het samen helemaal eens, maar helaas lukt het de man niet, althans niet op korte termijn, de benodigde financiering bij de bank te krijgen. Verkoop van de woning is geen optie, bijvoorbeeld vanwege een forse onderwaarde, of ongewenst om andere redenen.

De vraag is, wat dan?

Zaak uit de praktijk

In de zaak waarover het hof ’s-Hertogenbosch recent moest oordelen, hadden de scheidende partijen ervoor gekozen de woning tegen een bepaalde waarde toe te delen aan de man, onder de voorwaarde dat hij alle woonlasten zou gaan betalen en onder de verplichting dat hij zou proberen de hypotheek volledig op zijn naam te krijgen. Dat laatste moest hij jaarlijks laten zien aan de vrouw. Voor het geval het hem niet mocht lukken de hypotheek over te nemen, zou hij de vrouw volledig vrijwaren voor alle aanspraken in verband daarmee. De afspraken legden ze vast in een echtscheidingsconvenant.

“Aan de man zal worden toegescheiden de woning aan [perceel] te [plaats] . Het appartement/woning is op 25 september 2012 getaxeerd door de taxateur (…) en deze bepaalde de executiewaarde op 190.000,– en de marktwaarde op € 225.000,–. Partijen gaan uit van een waarde van € 210.000,–. Op de woning rust een hypotheek van € 200.000,– (…) genomen door de Direktbank N.V. (…). Voormeld appartement/woning zal aan de man worden toegescheiden onder de voorwaarde en de verplichting voormelde hypothecaire lening als eigen lening te voldoen terwijl de man ook zal trachten om te bewerkstelligen dat Direktbank N.V de vrouw uit de verplichtingen welke uit voormelde hypothecaire lening voortvloeien zal ontslaan. De man verplicht zich jaarlijks voor 1 december schriftelijk de vrouw mededeling te doen met berichtgeving van de Direktbank of het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (…) wordt verleend. Als het vorenstaande niet lukt dan verbindt de man zich jegens de vrouw om de vrouw te vrijwaren voor de verplichtingen welke voortvloeien uit de onderhavige hypothecaire lening. De lening komt alsdan geheel voor rekening en risico van de man en de man verbindt zich om alle verplichtingen met betrekking tot de lening na te komen. (…)”

Vier jaar na de scheiding is de vrouw nog steeds niet ontslagen uit haar hypothecaire verplichtingen. De man betaalt weliswaar keurig de hypotheeklasten, maar heeft niets laten zien van zijn inspanningen jegens de bank. De vrouw wil af van haar hoofdelijke aansprakelijkheid en stapt naar de rechter.

Tijdens de procedure toont de man aan dat hij de woning nog steeds niet kan overnemen. De vrouw vindt dat het convenant niet voorziet in die situatie en eist dat de woning in dat geval verkocht moet worden. Ze stelt ook last te hebben van haar aansprakelijkheid voor de hypotheek, omdat ze geen lening voor een autootje kan krijgen. De man is, blijkt uit de casus, niet ver verwijderd is van zijn pensionering (mogelijk reden voor de bank niet scheutig te zijn met financiering?) en de vrouw heeft een bijstandsuitkering.

Rechtbank en hof oordelen hetzelfde

De vrouw vangt bot, zowel bij de rechtbank als het hof, die gelijkluidend oordelen. De woning blijft van de man en hoeft niet te worden verkocht, ondanks dat de vrouw – mogelijk tot in lengte der dagen – hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypotheek. Volgens het hof hebben man en vrouw uitdrukkelijk voorzien in de situatie dat de man de financiering niet rond kon krijgen. In dat geval zou hij de vrouw vrijwaren. Ze hadden ook kunnen afspreken dat de woning in die situatie zou moeten worden verkocht, maar die keuze hebben ze niet gemaakt.

R.o. 6.8.2: “In het convenant is immers uitdrukkelijk in de situatie voorzien dat het [geïntimeerde] niet zou lukken [appellante] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor dat geval verplicht [geïntimeerde] zich namelijk jegens [appellante] om haar te vrijwaren voor de verplichtingen welke voortvloeien uit de hypothecaire geldlening bij de Direktbank. Een andersluidende keuze, namelijk verkoop aan een derde, is daarbij niet gemaakt.”

De vrouw doet nog een beroep op de (beperkende) werking van de redelijkheid en billijkheid, maar ook dat helpt haar niet. De man betaalt de hypotheeklasten keurig op tijd en de vrouw heeft niet aangetoond dat zij geen lening voor een auto kan krijgen en dus werkelijk last heeft van haar aansprakelijkheid.

Zuur maar begrijpelijk

Tja. Een begrijpelijke uitspraak. De afspraken zijn helder en, voor zover de uitspraak laat zien, is er niets bijzonders aan de hand waardoor aan die afspraken moet worden getornd.

Toch wringt hier natuurlijk wel iets. De man heeft de woning toegedeeld gekregen, maar de vrouw blijft – wie weet voor hoe lang – aansprakelijk voor de hypotheekschuld. Een voor de vrouw potentieel risicovolle situatie. Want wat gebeurt er wanneer de man onverhoopt toch niet kan betalen? En misschien zelfs forse schulden blijkt te hebben? Wat als de man een nieuwe partner krijgt en in gemeenschap van goederen trouwt? Wat als hij onverhoopt zou komen te overlijden, misschien wel met achterlating van schulden? Een vrijwaring klinkt mooi, maar moet wel kunnen worden waargemaakt.

In deze casus had de overdracht van de woning nog niet plaatsgevonden, maar dat had ook anders kunnen zijn. De man zou die overdracht in beginsel kunnen afdwingen, omdat de woning in het convenant aan hem is toebedeeld.

We weten niet waarom partijen deze constructie hebben gekozen. Misschien was de verwachting dat het de man wel zou lukken om snel de financiering rond te krijgen. Misschien wilden ze de volledige hypotheekrenteaftrek van de man veiligstellen. Of speelden andere, persoonlijke overwegingen een rol. Hoe dan ook, deze constructie lijkt vooral in het voordeel van de man te zijn.

Zijn er andere opties?

In dit soort gevallen kunnen de ex-partners ook kiezen voor de optie de woning voor een bepaalde periode onverdeeld te laten. Volgens de wet kan dat voor maximaal vijf jaar, in overleg te verlengen met telkens weer maximaal vijf jaar. Achterliggende gedachte is dat er altijd een moment moet komen, dat een van beiden verdeling kan eisen.

Artikel 3:178 lid 5 BW: Zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen, kunnen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaren, uitsluiten. De leden 3 en 4 van artikel 168 zijn op een zodanige overeenkomst van overeenkomstige toepassing.

Een van de ex-partners krijgt dan het alleengebruik van de woning heeft en betaalt daartegenover alle of in elk geval een groot deel van de woonkosten dragen. Het is belangrijk om per kostensoort duidelijke afspraken te maken – denk aan gebruikerslasten, hypotheekrente en aflossing, gemeentelijke belastingen, verzekeringen, klein en groot onderhoud – dit om latere discussie bij verdeling van de woning te voorkomen.

Eventueel kunnen partijen afspreken dat degene die in de woning woont jaarlijks, aantoonbaar, moet proberen om de woning over te nemen. En dat degene goed voor de woning moet zorgen.

Belangrijk is dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over wat er moet gebeuren aan het einde van een periode van onverdeeldheid. Moet de woning dan sowieso verkocht worden? Of kan de periode – onder bepaalde voorwaarden – worden verlengd? Of laten partijen dit bewust open?

Essentieel is aan deze constructie is dat partijen samen eigenaar blijven van de woning en de vertrekkende partij wat dat betreft dus geen rechten prijsgeeft.

Haken en ogen

Natuurlijk heeft ook deze constructie haken en ogen.

Om te beginnen blijft de vertrekkende partner hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek en kan dus, bij onverhoopte wanbetaling van de ander, door de bank worden aangesproken. Hij of zij zal wegens deze aansprakelijkheid doorgaans zelf geen financiering voor een woning kunnen krijgen.

Wat soms wordt vergeten is dat de helft van de eventuele overwaarde van de onverdeelde woning, meetelt in box 3 voor de inkomstenbelasting en zodoende kan leiden tot een rendementsheffing of consequenties kan hebben voor de aanspraak op toeslagen.

Niet onbelangrijk is ook dat twee jaar nadat de vertrekkende partner de woning heeft verlaten, zijn of haar aandeel in de hypotheekrente niet meer fiscaal aftrekbaar is.

Scheiden is maatwerk

Scheiden is en blijft maatwerk. In de toekomst kijken kunnen we (gelukkig) niet, maar het is wel zaak om bij het maken van het convenant zoveel mogelijk scenario’s door te nemen.

Stel vooral wat-als-vragen. Wat als de ex-partner de woning toch niet kan overnemen? Op die manier ontstaan afspraken die hopelijk tijdsbestendig zijn.


 

Wet Herziening Partneralimentatie: stand van zaken

17 juni 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wet Herziening Partneralimentatie: stand van zaken

Twaalf wordt vijf jaar

Eindelijk weer een stap in een lang, lang proces. Na ruim een jaar radiostilte is het oorspronkelijke wetsvoorstel om de partneralimentatie ingrijpend te wijzigen, opnieuw vereenvoudigd. De Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer is onderaan deze pagina te downloaden.

Het voorstel is teruggebracht tot één eenvoudige maatregel: de maximale alimentatieduur gaat van twaalf naar vijf jaar.

Vijf jaar tenzij …

Er zijn twee uitzondering op de hoofdregel van maximaal vijf jaar.

Ten eerste. Bij huwelijken die langer hebben geduurd dan vijftien jaar en waarbij alimentatiegerechtigde maximaal tien jaar is verwijderd van de aow-gerechtigde leeftijd, duurt de alimentatieplicht tot aan het bereiken van die leeftijd met een maximum van tien jaren.

Ten tweede. Als de echtgenoten jonge kinderen hebben, duurt de alimentatieplicht totdat het jongste kind twaalf jaar is. Of als dit korter is dan vijf jaar, uiteraard vijf jaar.

Alle andere wijzigingsvoorstellen – zoals het veranderen van de berekeningssystematiek en de ‘proefperiode’ voor samenwoners – zijn vervallen.

Nieuwe regels en ‘oude’ gevallen

Wat wel is gebleven: voor ‘oude’ gevallen blijven de huidige regels gelden. Ofwel: wie is gescheiden vóórdat de nieuwe regels gaan gelden, is gebonden aan de oude regels en moet dus maximaal twaalf jaar alimentatie betalen.

Wanneer weten we zeker of de nieuwe regels gaan gelden?

Het wetsvoorstel is in behandeling bij de Tweede Kamer. Op 27 juni 2018 wordt het voorstel plenair behandeld; een tweede plenaire behandeling zal plaatsvinden na het zomerreces. Als de Tweede Kamer het voorstel aanneemt, gaat het naar de Eerste Kamer. Hoe lang dit allemaal gaat duren, valt niet te zeggen.

Zie hier onze eerdere blogs over dit onderwerp.

Nota-n.a.v.-het-verslag-Wet-herziening-partneralimentatie.pdf (182 downloads)
alimentatie

Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

14 april 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

Samenwonen zonder contract

Vaak zal het niet voorkomen: twee mensen die jarenlang samenwonen, samen een woning kopen en kinderen krijgen, zónder iets te regelen over hun samenleving. Toch gebeurt het. Zolang de liefde duurt, is er weinig aan de hand. Maar wat als de liefde overgaat en er een scheiding komt? Dan kan het knap lastig worden. Er moet van alles worden verdeeld zonder dat daar afspraken over zijn. Als zo’n zaak – niet verwonderlijk – bij de rechtbank belandt, is het aan de rechter om een open vlakte te bewegwijzeren.

Een ronduit spannende taak, getuige de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 6 maart 2018. Wat we zien langskomen zijn tere maar mooie constructies, zoals de stilzwijgende afspraak en de natuurlijke verbintenis. En bovenal vraag je je als lezer automatisch af: heeft de rechter het goed gedaan? Want wat is in deze rechtvaardig?

De casus: wie krijgt wat?

Een man en vrouw gaan na een relatie van achttien jaar uit elkaar. Ze hebben drie kinderen. De vrouw is na de geboorte van de kinderen gestopt met werken en zorgt fulltime voor het gezin. De man is kostwinner. Ze wonen in een huis dat ze samen hebben gekocht. Het huis is betaald met spaargeld van de man, te weten € 350.000,- en een hypotheek (op beider naam) van € 350.000,-. Bij de hypotheek hoort een spaarpolis, ook op beider naam. De man heeft als kostwinner altijd de woonlasten betaald, waaronder de premie voor de spaarpolis.

En dan komt er een scheiding en moet de woning worden verdeeld. De man wil er blijven wonen en wil dus de helft van de vrouw overnemen. De woning is op dat moment € 550.000,- waard en in de spaarpot zit € 50.000,-. Op de hypotheek is niet afgelost. Ik heb voor het leesgemak ronde bedragen gekozen, de bedragen in de echte casus zijn anders.

Grote vraag: hoe gaat de verdeling er financieel uitzien? Dit koppel heeft namelijk niets geregeld over hun samenleving. Ze zijn niet getrouwd, er is geen partnerschap, er is geen samenlevingscontract, geen testament, helemaal niets. Ze hebben zelfs geen gemeenschappelijke bankrekening.

De stellingen: lijnrecht tegenover elkaar

De stellingen van de man en de vrouw staan diametraal tegenover elkaar. De man zegt: wij hebben bewust niks geregeld en onze financiën altijd gescheiden gehouden. Ik wil dat mijn ex alsnog haar helft van de spaarpolis inlegt, te weten € 25.000,-. Ik wil ook mijn investering in de woning terug, het is immers míjn spaargeld. Omdat er dan per saldo een ‘onderwaarde’ resteert van € 100.000,- (hypotheek plus investering minus waarde woning plus spaarpolis) moet mijn ex mij ook de helft daarvan betalen: € 50.000,- dus.

De vrouw is een heel andere mening toegedaan. Zij zegt: wij hebben de taken verdeeld, ik heb altijd voor de kinderen gezorgd, terwijl mijn ex geld kon verdienen. We hebben het huis niet voor niets samen aangekocht. We hebben daarmee stilzwijgend afgesproken dat de spaarpolis voor de helft van mij is, net als de overwaarde van de woning (waarde woning minus hypotheek). Mijn ex moet mij dus € 125.000,- betalen. Hij is dat ook op grond van een natuurlijke verbintenis verplicht: ik moet na de scheiding met de kinderen immers ook een onbezorgde toekomst hebben.

De uitspraak: hof en rechtbank oordelen verschillend

Voordat u verder leest: bedenk eens wat u zou beslissen als u als de rechter was. Wat is redelijk in dit geval? Moet de man delen met de vrouw, omdat hij geld verdiende terwijl zij thuisbleef om voor de kinderen te zorgen? Of omdat het huis op beider naam staat? Of klopt dat niet in deze situatie, waarin niets officieel is geregeld?

Dan de uitspraak.

In eerste instantie krijgt de vrouw van de rechtbank volledig gelijk. De man moet de helft van de overwaarde, inclusief de spaarpot, met de vrouw delen. De motivering kennen we helaas niet, want de uitspraak is niet gepubliceerd.

Maar … de man gaat in hoger beroep. En met succes, want het gerechtshof Den Bosch is het grotendeels met de rechtbank oneens. Het hof beslist in uitgebreid gemotiveerde stappen.

De spaarpot

Allereerst over de spaarpolis. De man had de premies betaald van zijn inkomen. Het hof vindt dat, aangezien de vrouw voor de kinderen zorgde en de man inkomen genereerde, zij stilzwijgend hebben afgesproken dat de man de premies zou betalen. Zonder dat hij later alsnog de helft van de vrouw zou kunnen opeisen.

Het Hof: “In die omstandigheden moet van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst worden uitgegaan die inhoudt dat tegenover de geldelijke meer-inbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meer-inbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn.”

De investering

Vervolgens komt de investering van de man aan bod. Investeren met privévermogen is echt iets anders dan inkomensbesteding, aldus het hof. De stilzwijgende afspraak dat de man inkomen en de vrouw arbeid inbrengt, kan niet zover worden opgerekt dat de man ook zijn geïnvesteerde vermogen met de vrouw zou moeten delen. Er is ook geen natuurlijke verbintenis die de man daartoe verplicht. Het hof leidt dat vooral af uit het feit dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, dat ook de vrouw vermogen kon opbouwen en last but not least dat partijen niets hadden geregeld waaruit je een wederzijdse verzorgingsgedachte zou kunnen afleiden (testament, nabestaandenpensioen of samenlevingsovereenkomst).

Het hof (r.o. 4.3): “De vrouw beroept zich erop dat zij na het einde van de relatie een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan. Het is het hof onduidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt (maar het lijkt haar daarbij vooral te gaan om het afwenden van het gevaar van een restschuld), maar ook verder, in het licht van de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, ook de vrouw vermogen heeft kunnen opbouwen en een verzorgingsgedachte ontbrak in de door de man betoogde zin (geen testament, geen nabestaandenpensioen, geen samenlevingsovereenkomst), is onvoldoende gebleken van het bestaan van een natuurlijke verbintenis.”

De verdeling

Geen stilzwijgende afspraak dus en ook geen natuurlijke verbintenis. Maar hoe moet er dan verdeeld worden? Volgens het hof heeft de man recht op teruggaaf van zijn volledige investering. Het verwijst daarvoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 2006 (Hoge Raad 21 april 2006).

Dat arrest ging – net als hier – over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap: een woning. Beide deelgenoten hadden met privévermogen geïnvesteerd in de woning, maar met verschillende bedragen. De Hoge Raad besliste: beiden hebben eerst recht op teruggaaf van hun investering, vervolgens hebben ze allebei recht op de helft van de overblijvende overwaarde (en dus niet op een deel naar rato van hun privé-investering). Kortom, ieder krijgt eerst zijn/haar eigen geld terug en de resterende overwaarde wordt daarna fiftyfifty gedeeld.

In onze casus heeft de man echter € 350.000,- geïnvesteerd, terwijl de overwaarde van de woning slechts € 250.000,- bedraagt. Zijn investering is dus verliesgevend. Moet de vrouw nu opdraaien voor de helft van dat verlies? Als je de lijn van Hoge Raad 2006 zou volgen: ja, want was er winst geweest, had de vrouw recht gehad op de helft, dus moet ze ook fiftyfifty delen in het verlies.

Edoch, hier behoedt het hof de vrouw voor een fikse restschuld door te oordelen dat het delen van winst niet hetzelfde is als het delen van verlies. Dat verlies moet de man helemaal zelf nemen en kan hij niet (deels) afwentelen op de vrouw. Het is immers de man die, zonder dat hij daarover afspraken heeft gemaakt met de vrouw, heeft geïnvesteerd met privévermogen. En dus moet hij het risico daarvan dragen.

Het hof: “Het gaat niet aan dat de man het risico van zijn investeringen zonder meer, zoals hij wenst, kan afwentelen op de vrouw. Naar zijn eigen stelling hebben partijen bewust voor een ongereguleerde vorm van samenleving gekozen en hebben zij hun financiën altijd gescheiden gehouden. De man heeft dus ook afgezien van de in samenlevingsovereenkomsten wel gebruikelijke clausule dat bij een woning die op beider naam wordt gesteld degene die meer heeft bijgedragen dan de andere deelgenoot, een vorderingsrecht heeft op die andere deelgenoot ten bedrage van de helft van het verschil […]. Met die clausule had de man kunnen bewerkstelligen dat beide deelgenoten ieder voor de helft meedoen in de waarde-schommeling (niet alleen winst, maar ook verlies) van het goed. Dat hij dit niet gedaan heeft, maar gekozen heeft voor, in zijn woorden, ongereguleerd samenwonen, komt dan voor zijn rekening en risico.”

De man hoeft van het hof ook niet de spaarpolis met de vrouw te delen. Het hof vindt dat een logisch gevolg van het feit dat de man recht heeft op teruggaaf van zijn investering.

Slotsom: de man krijgt de woning zonder dat de een iets aan de ander hoeft te betalen.

Is er recht gedaan?

Is hier recht gedaan? Daar kun je verschillend over denken, getuige de uitkomsten bij rechtbank respectievelijk hof.

Wat vindt u? Heeft het hof het goed gedaan?

Ik denk: ja, grotendeels wel. Het onderscheid tussen inkomen (stilzwijgende afspraak) en vermogen (blijft privé) lijkt in dit geval eerlijk. Wellicht was dat anders wanneer de man had geïnvesteerd met geld dat hij tijdens de samenleving had kunnen sparen van zijn salaris. Maar dat was niet zo, leid ik af uit de uitspraak.

De overweging van het hof dat delen in de winst niet betekent dat er ook in het verlies moet worden gedeeld, heeft iets weg van een doelredenering. Want in de regel gaat die redenering bij investeringen natuurlijk niet op. Maar het hof heeft die redenering nodig om weg te blijven bij de (consequenties van de) uitspraak van de Hoge Raad uit 2006, waarin besloten is dat investeren met ongelijke delen recht geeft op een gelijke winst- én verliesverdeling. Doelredenering of niet, de uitkomst ervan is goed.

Er is wel één punt waarover wat mij betreft anders had moeten worden geoordeeld: de spaarpot die bij de hypotheek hoorde. Waarom moet de man daarvan niet de helft aan de vrouw betalen? Waarom mag hij het verlies uit zijn investering compenseren met haar helft van de spaarpot? De man bracht zijn inkomen in, de vrouw haar arbeid. Het deel van het inkomen dat in de spaarpolis werd gestort, komt nu alsnog volledig bij de man terecht. Op die manier mag hij toch een stukje van het verlies op zijn investering op haar afwentelen. Is dat eerlijk? Ik denk: nee.

De slotregel van deze blog laat zich raden. Zorg dat je je samenleving goed regelt, vooral als je samen kinderen krijgt!


Gerechtshof ‘s Hertogenbosch 6 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:886

Alimentatie en toeslagen: een f(r)ictie

16 februari 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Alimentatie en toeslagen: een f(r)ictie

De toeslagenfictie

Alles went, zeggen ze, als het maar lang genoeg duurt. Toch is dat niet altijd zo, sommige dingen blijven schuren.

Neem de regel dat huur- en zorgtoeslag niét meetellen bij het berekenen van de behoefte bij partneralimentatie. Ergens in de vorige eeuw besloot ons hoogste rechtscollege dat het zo moest [i]. Dus wordt het zo gedaan, intussen al 23 jaar, en zijn de rekenprogramma’s erop ingesteld.

En toch … dat schurende gevoel.

Ik denk dat elke advocaat die alimentatiezaken doet, het wel herkent: tegenover je zit een cliënt – meestal een man – die niet begrijpt dat de toeslagen die zijn ex ontvangt, worden weggegumd bij het berekenen van partneralimentatie.

Niet vanzelfsprekend

Dat deze toeslagenfictie inderdaad niet zo vanzelfsprekend is, bleek onlangs weer toen een gerechtshof – ongevraagd nog wel – de toeslagen wél meetelde als eigen inkomen van de vrouw [ii]. De zaak belandde bij de Hoge Raad. De die volstond met herhalen wat hij 23 jaar geleden ook zei: nee, zo moet dat niet.

De Hoge Raad overwoog (HR 22-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3266, r.o. 3.3.2): “De klacht is gegrond. Bij huur- en zorgtoeslag is sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage buiten beschouwing moet blijven bij het vaststellen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan een uitkering tot levensonderhoud op de voet van art. 1:157 BW (zie HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, NJ 2017/303, rov. 3.4.2 en HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1632, NJ 1995/291.)”

Maar waarom? Hoe kan het dat toeslagen aan de kant van de ontvanger niét en aan de kant van de betaler wél meetellen als inkomen?

Toeslagen, wat zijn dat?

Mensen met een relatief laag inkomen en vermogen hebben recht op een bijdrage van de overheid in de kosten van huren (huurtoeslag), de zorgverzekering (zorgtoeslag) en de kinderen (o.a. kindgebonden budget). Toeslagen zijn gerelateerd aan het inkomen: hoe meer iemand verdient, hoe lager de toeslag. Boven een bepaald inkomen is er geen recht meer op een toeslag. Die grens verschilt per toeslagsoort. Er gelden ook vermogensgrenzen.

In dit blog kijk ik naar de huur- en zorgtoeslag. Het kindgebonden budget kent sinds kort een vergelijkbare problematiek, lees het blog Alimentatie, minidrama in vogelvlucht.

Toeslagen van de alimentatieontvanger

Drieëntwintig jaar geleden moest de Hoge Raad beslissen over de vraag of de huurtoeslag meetelde als inkomen van degene die aanspraak maakt op partneralimentatie. Een ‘ja’ leek best logisch: toeslagen verhogen immers het inkomen en verlagen zodoende de behoefte aan alimentatie.

Maar de Hoge Raad zei: nee, zo moet dat niet.

De kern van de motivering is eenvoudig. Toeslagen zijn inkomensafhankelijk en bedoeld om dat inkomen aan te vullen. Partneralimentatie is een vorm van inkomen en telt dus mee bij de aanspraak op toeslagen [iii]. Hoe hoger dus de partneralimentatie, hoe lager de toeslag. En omdat toeslagen subsidiair zijn – ze zijn bedoeld om het inkomen zo nodig aan te vullen – is het niet de bedoeling dat de overheid opdraait voor kosten die ook door de alimentatiebetaler kunnen worden. Dit doel bereik je door de partneralimentatie te berekenen zonder rekening te houden met toeslagen.

Oké, de achterliggende gedachte snap ik.

Maar omdat je iets weg gumt wat er soms wel is – het recht op een toeslag – kun je uitkomsten krijgen die voor ons gevoel niet kloppen. Dat zijn de gevallen waarin de behoefte aan alimentatie (goeddeels) wordt ingevuld door de toeslagen en waar de te ontvangen alimentatie die behoefte, zou je de toeslagen meetellen, overstijgt.

Voorbeeld 1: Piet en Marie

Een voorbeeld op basis van de Trema-normen. Piet en Marie – dertigers – zijn dit jaar gescheiden. Ze hebben één kind dat na de scheiding bij Marie is gaan wonen. Piet heeft voor en na de scheiding een jaarinkomen van € 33.000 bruto. Marie werkt parttime, tijdens het huwelijk verdiende ze € 10.000 per jaar. In de aanloop naar de scheiding heeft ze haar uren kunnen uitbreiden; ze verdient nu € 15.000 bruto per jaar. Ze krijgt als alleenstaande ouder een maandelijks kindgebonden budget van € 354.  Bij een zorgkorting van 25% moet Piet € 205 per maand kinderalimentatie betalen.

Daarnaast heeft hij nog een beetje ruimte voor partneralimentatie. Marie heeft een huurwoning gevonden en betaalt € 600 huur per maand. Piet heeft de echtelijke woning met de hypotheek van € 200.000 overgenomen; zijn bruto rentelasten zijn € 666 per maand. Beiden betalen € 135 zorgpremie per maand. We gaan rekenen met de hofnorm – de bruto behoefte van Marie is dan € 664,– per maand. We houden geen rekening met toeslagen aan de kant van Marie. De partneralimentatie komt dan uit op € 240,– bruto per maand, dat is wat Piet maximaal kan betalen.

Maar … in werkelijkheid krijgt Marie bij deze partneralimentatie wel degelijk huur- en zorgtoeslag, te weten € 309 resp. € 94 maand. Zou je deze meetellen als eigen inkomen bij Marie en de partneralimentatie opnieuw berekenen (het zgn. lussen), dan wordt de alimentatie nul – de toeslagen dekken hier de volledige behoefte – terwijl Marie’s aanspraak op toeslagen gelijk blijft! Bij Piet zie je dat zijn zorgtoeslag (die aan zijn kant wel meetelt, zie hierna) zo’n € 30,– lager zou worden als hij geen alimentatie zou betalen, maar dat verlies is veel kleiner dan de alimentatie‘winst’.

Piet vindt het niet eerlijk. En dat begrijp ik wel. Zéker als je bedenkt dat Marie een kindgebonden budget van € 354,– per maand ontvangt, terwijl haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen € 114,– per maand bedraagt en ook dit surplus niét meetelt als inkomen aan de kant van Marie (zie Hoge Raad 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273).

Voorbeeld 2: Bas en Ingrid

Nog een voorbeeld. Bas en Ingrid zijn een paar jaar geleden gescheiden. Ze hebben drie kinderen die intussen 13, 15 en 17 jaar zijn. Bas had destijds een inkomen van € 45.000 bruto per jaar. Ingrid zorgde voor de kinderen. Bas heeft een promotie gemaakt en verdient nu € 55.000 per jaar. Ingrid is parttime gaan werken en verdient nu € 16.000 per jaar. Ze krijgt een kindgebonden budget van € 534,– per maand. Eenmaal per twee weken zijn de kinderen een weekend bij Bas. Hij moet dan een kinderalimentatie betalen van € 495,– per maand.

Ook hier heeft Bas nog een beetje ruimte voor partneralimentatie. Ingrid huurt een woning voor € 700,– per maand. Piet heeft een eigen huis en betaalt voor de hypotheek € 800,– rente en € 200,– aflossing per maand. Beiden betalen € 135,– zorgpremie per maand. De bruto behoefte van Ingrid op basis van de hofnorm is € 323,–. Als we zonder toeslagen aan de kant van Ingrid rekenen, komt de partneralimentatie uit op € 319,– bruto per maand. Maar Ingrid krijgt wel degelijk toeslagen, namelijk € 337,– huurtoeslag en € 94,– zorgtoeslag.  Tel je deze wel mee als inkomen van Ingrid, komt de partneralimentatie uit op nul en ook hier heeft dat géén invloed op Ingrids aanspraak op toeslagen.

De pijn qua kindgebonden budget is in dit geval nog een stukje groter. Ingrid krijgt € 534,– kgb per maand terwijl haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen € 148,– is: een surplus van maar liefst bijna vierhonderd euro dat niet meetelt als inkomen.

Hieronder [iv] staan de berekeningen voor Piet/Marie en Bas/Ingrid, gemaakt met het alimentatierekenprogramma Split-online.

Een voorbeeld uit de praktijk

Dat ook de praktijk niet altijd Hoge Raad-proof werkt, laat de uitspraak Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 29-10-2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4355 (r.o. 3.6.3) zien. Alweer een gerechtshof dat de toeslagen van de vrouw gewoon meetelde waardoor de alimentatie op nul uitkwam.

“Het hof constateert evenwel dat de vrouw in haar behoeftelijstje geen rekening heeft gehouden met de bedragen die zij aan toeslagen ontvangt. Uit de voorschotbeschikking toeslagen 2015 blijkt dat aan de vrouw een zorgtoeslag is toegekend van € 942,= per jaar (€ 78,50 per maand) en een huurtoeslag van € 3.173,= per jaar (€ 264,= per maand). Zoals ter zitting met partijen besproken, dienen de toeslagen die de vrouw ontvangt – omgerekend gemiddeld € 343,= per maand – in mindering te worden gebracht op haar behoefte, hetgeen tot gevolg heeft dat de behoefte van de vrouw volledig wordt gedekt door haar eigen inkomsten en de toeslagen die zij ontvangt.” 

Wat hier gebeurt gaat een stap verder dan de berekeningen in de fictieve voorbeelden. Hier worden de toeslagen zónder alimentatie als startpunt genomen. In de voorbeelden hierboven is het omgekeerd, daar is de alimentatie zonder toeslagen uitgangspunt en wordt er vervolgens gelust. Voor de uitkomst kan dat uiteraard (een groot) verschil maken.

Toeslagen van de alimentatiebetaler

Toeslagen die de alimentatiebetaler zelf ontvangt, tellen wél mee bij het berekenen van diens draagkracht, zie HR 07-07-2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, r.o. 3.4.3 laatste zin.

“In zoverre onderscheidt het kindgebonden budget zich van bijvoorbeeld huurtoeslag (ten aanzien waarvan de Hoge Raad in zijn beschikking van 27 januari 1995 heeft overwogen dat dit bij de alimentatieplichtige tot het inkomen dient te worden gerekend) (…)”

Maar is dat niet gek? Strookt dat wel met het uitgangspunt van de Hoge Raad dat de overheid zo min mogelijk moet betalen? Ook hier geldt immers dat er sprake is van elkaar wederzijds beïnvloedende variabelen: hoe hoger de partneralimentatie, hoe lager het inkomen, hoe hoger de aanspraak op toeslagen etc.

Weer een getallenvoorbeeld. Jan en Anne zijn een paar jaar geleden gescheiden, hun kinderen zijn het huis uit. Jan verdient beneden modaal, zo’n € 26.000,– per jaar. Anne had tijdens het huwelijk een kleine parttime baan (€ 6.000,– per jaar) en heeft nu twee parttime banen (in totaal € 15.000,– bruto per jaar).  Na de scheiding wonen ze allebei gehuurd. Jan betaalt € 650,– en Anne € 500,– huur per maand. Een berekening laat zien dat Jan volledig in de behoefte van Anne (€ 551,–  bruto per maand) kan voorzien, indien hij € 239,- huurtoeslag en € 94,–  zorgtoeslag per maand ontvangt. Anders gezegd: doordat Jan partneralimentatie betaalt, krijgt hij recht op toeslagen, terwijl die toeslagen op hun beurt zijn meegeteld voor het berekenden van de alimentatie (kip-ei). Anne zelf krijgt ook toeslagen, nl. € 88 huurtoeslag en € 82 zorgtoeslag, maar aan haar kant tellen die dus niet als inkomen.

Als je eventuele toeslagen van Jan niét zou meetellen bij het berekenen van de partneralimentatie, krijg je een ander plaatje. De alimentatie komt dan lager uit, op € 257,– bruto per maand, Jan heeft geen recht op huurtoeslag en slechts op € 67,– zorgtoeslag. Per saldo gaat Jan er bij deze methode dus netto op achteruit. Hetzelfde geldt voor Anne, zij krijgt weliswaar wat meer toeslagen maar het verlies aan alimentatie is groter.

Het is dus de overheid die bij de eerste methode de verliezer is: Jan en Anne krijgen in die situatie samen ca. € 150 per maand méér aan toeslagen dan wanneer de alimentatie zou berekenen zonder toeslagen aan Jans kant.

Een situatie als deze zal in de praktijk misschien niet vaak voorkomen, maar illustreert wel dat de beslissing van de Hoge Raad tot merkwaardige gevolgen kan leiden.

Hieronder [v] staan de berekeningen voor Jan en Anne.

De omvang van het probleem

Wanneer kan de fictie van de huur- en zorgtoeslag nou echt tot frictie leiden zoals bij Piet/Marie en Bas/Ingrid? Niet heel vaak, denk ik. Vermoedelijk is in de meeste situaties de behoefte aan alimentatie (veel) groter dan draagkracht, zodat het niet uitmaakt of je de toeslagen wel of niet meetelt. De draagkracht is dan sowieso nodig om de behoefte in te vullen. Soms ook zal de alimentatie het inkomen van de ontvanger zodanig ophogen, dat de aanspraak op toeslagen volledig verdwijnt.

Sèc kijkend naar de huur- en zorgtoeslag zal de ‘pijn’ dus wel meevallen. Maar dat wordt anders wanneer er daarnaast een behoorlijk surplus aan kindgebonden budget is. Er kan dan zomaar sprake zijn van in totaal zo’n € 600,– aan netto inkomen dat buiten de berekening wordt gelaten. Meer kans op frictie dus.

Jus

Voor de huur- en zorgtoeslag is er aan het einde van de streep een doekje voor het bloeden: deze tellen bij de jusvergelijking wél aan beide kanten mee, zodat de alimentatieontvanger uiteindelijk niet meer te besteden heeft dan de betaler. Zo gaat dat tenminste in de praktijk. Een uitspraak van de Hoge Raad waarin klip-en-klaar staat dat deze toeslagen mogen meetellen bij de jus, is er echter niet.

Dat is anders bij het kindgebonden budget: dat mag van de Hoge Raad niet mag meetellen bij de jus, omdat het volledig aan de kinderen ten goede moet komen en niet – via de jusverdeling – toch indirect aan de andere ouder[vi]. Voor de huur- en zorgtoeslag gaat dit argument m.i. niet op: daar kan een stukje toeslag van de alimentatiebetaler – via de jus of gewoon via de draagkrachtberekening – bij de ontvanger terecht komen. Dat ligt besloten in het uitgangspunt dat deze toeslagen meetellen bij het inkomen van de alimentatieplichtige. Ik zie geen reden waarom zou dat vice versa dan niet mogen. Blijft wel het principiële punt dat bij de jus gelust moet worden, wat in conflict kan komen met het uitgangspunt dat een lagere partneralimentatie niet mag leiden tot hogere toeslagen.

Eenmaal lussen?

De voorbeelden Piet/Marie en Bas/Ingrid laten zien dat een lusberekening kan leiden tot een lagere partneralimentatie, terwijl de toeslagen gelijk blijven. Je zou dus standaard tenminste één lusberekening kunnen uitvoeren. Je berekent eerst de alimentatie zonder rekening te houden met toeslagen (je kunt dat met het kgb ook doen). Vervolgens verlaag je de behoefte met de toeslagen die bij de berekende alimentatie horen. Als de alimentatie bij die nieuwe behoefte lager wordt, kijk je welke toeslagen bij dat lagere bedrag horen. Als vervolgens de aanspraak op toeslagen niet of nauwelijks wijzigt, is er geen argument meer om deze niet mee te tellen. De overheid komt immers niks tekort.

Of is dat te kort door de bocht, te casuïstisch? Is een situatie waarin toeslagen soms wel en soms niet meetellen niet ook ongewenst? En wat doe je wanneer de ene toeslag ongewijzigd blijft en de ander een stukje stijgt? En maken we het dan nóg ingewikkelder dan het al is?

De aloude conclusie dan maar? Dat het perfect rechtvaardige systeem niet bestaat? Dat schuurmomenten blijven.

Leven is schuren. Maar alimentatie-rekenen is ook maatwerk. Als ik Piets of Bas advocaat was zou ik beslist eens proberen … 🙂


Met dank aan Hanneke Moons en Albert Rozendal voor het meelezen en -denken.

Met dank aan Maarten de Mol van Otterloo die mij erop wees dat de berekeningen bij de eerdere versie van dit blog enkele fouten bevatten.

 

[i] HR 27-01-1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1632, NJ 1995/291 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl)

[ii] ECLI:NL:GHARL:2017:267

[iii] Kinderalimentatie is geen inkomen in de zin van de wet en heeft daarom geen invloed op de aanspraak op toeslagen. De toeslagen kunnen daar dus wel meetellen.

[iv] Piet en Marie 1 Piet_-_Marie_-_pal_zonder_T_; Piet en Marie 2 Piet_-_Marie_-_pal_met_T_; Bas en Ingrid 1 Bas_-_Ingrid_-_zonder_T; Bas en Ingrid 2 Bas_-_Ingrid_-_met_T.

[v] Jan en Anne 1 Jan_-_Anne_-_met_T_jan_zonder_T_anne; Jan en Anne 2 Jan_-_Anne_-_zonder_T_jan_zonder_T_anne_.

[vi] Zie de uitspraak van het Hof Den Haag van 6 december 2017 na de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad.

 

De Middelste

5 februari 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor De Middelste

DE MIDDELSTE

De jongen

Er was eens een Jongen.

Hij werd geboren tussen twee wereldoorlogen in een Achterhoek van het land. Zijn ouders waren boeren. Ze hadden het niet breed. Het was een hard geploeter, met hun dieren, op het land.

Vijf monden hadden ze te voeden. De Jongen had één zuster en drie broers.

Twee broers waren driftig, ze hadden blonde kuiven en brutale ogen. Net als jonge paarden hield men ze moeilijk in het gareel. De oudste was een meisje, gelukkig groot van stuk. Ze leek soms op een molen, wanneer ze wiekend met haar armen de wilde broers op afstand hield. De benjamin, een zacht nakomend kind, hield veeleer van muziek dan van het boerenleven.

De Jongen was de middelste, de nummer drie. Aan hem was niks bijzonders. Behalve wanneer de anderen vochten, dan nam hij zijn positie in … hij sprong er altijd tussenin.

Oorlog

Er kwam een oorlog die een gat sloeg in het leven. Haast alles wat vanzelfsprekend leek, verdween. Er was te weinig eten en een vormeloze angst voor wat ging komen. De wilde broers vertrokken om te vechten. Niet dat ze wilden, maar het moest.

De Jongen kreeg verlof om thuis te blijven, hij mocht zijn vader helpen op de boerderij. Veertien was hij, toen het begon. Vijf jaar ouder toen het over was.

De Jongen ging allang niet meer naar school. Geld om door te leren was er niet. Hij molk de koeien en hielp de kalveren geboren worden. De wilde broers keerden terug, met kerven in de ziel.

Kolenboer

Klein van stuk was hij, de Jongen, maar zijn handen waren groot en sterk. Toen hij oud genoeg was, ging hij trouwen en werd kolenboer. Weet iemand nog hoe zwaar dat werk is? Zwart zag hij, op alle dagen, behalve zondag. Zijn gezicht, zijn haar, zijn grote handen. Zakken is een werkwoord. Kolen zakken. Hij zakte de kolen in grote jute zakken van een halve mud. Nootjes III, IV en V. Briketten. Antraciet. Hij laadde ze op zijn Chevrolet en bracht ze bij de mensen. Opladen, afladen, sjouwen en dan weer door.

Vaak floot de Jongen terwijl hij werkte. Dat kwam, hij had plezier. Hij bracht de mensen iets belangrijks. Brandstof en een praatje. Vaak kreeg hij koffie aangeboden, die dronk hij schielijk en met dankbaarheid. Hij kende ze, de mensen. Hij wist waar verdriet was, wie arm was en wie rijk.  Soms leverde hij zijn kolen op de pof. Of – als het niet anders kon – voor kostprijs of voor niks.

Van altijd

Hij had een vrouw die van hem hield en kreeg pas laat een dochter. Het meisje kreeg de kansen die hij niet had gehad.

De Jongen was niet geschoold en las geen boeken. Maar wat hij wist, is van altijd. Hij wist dat alle mensen anders maar gelijk zijn. En dat altijd alles stroomt. Dat zonder pijn geen vreugde is. En tijd geduld beloont. Hij wist alles van vergeven. Dat winst veel weg heeft van verlies. Hij, de middelste. De nummer drie.

Zijn dochter kon – gelijk zijn broers – soms driftig zijn. Hij liet haar gaan, hij ving haar op en zei met zachte ogen: “Kind, het is niet erg je hoofd te buigen.”

De Jongen – mijn vader – leerde me meer dan duizend boeken, terwijl hij noch ik dat wisten, toen.

Jij bent toch advocaat?

11 november 2017 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Jij bent toch advocaat?

Jij bent toch advocaat?

Onlangs zat ik op een terras. Nazomer. Relaxmomentje. De eigenaar van het koffiehuis komt vragen wat ik wil drinken. Zelfde als altijd? Ja, een cappuccino graag. Hij en ik maken soms een praatje. Dit praatje loopt anders. Terwijl hij al wegloopt draait hij zich om: “Zeg, jij bent toch advocaat?” En zonder het antwoord af te wachten: “Mensen doen tegenwoordig niks anders als scheiden. En de enigen die er rijk van worden zijn advocaten en rechters.”

Pardon?

Ik frons. Half lachend: “Nou, dat geldt niet voor mij, hoor.” Maar hij hoort me niet, hij praat. Hij heeft een beeld. Zoals wel meer mensen dat hebben. Van advocaten, rechters, politici, die vooral hun eigen financiële belangen behartigen.

Ik hoor zijn tirade aan. En denk: hij moest eens weten …

Onderbetaald

Hij moest eens weten dat advocaten die zaken doen op basis van een toevoeging, al jaren zwaar worden onderbetaald. Zeker in het familierecht staat de beloning in geen enkele verhouding tot de hoeveelheid werk die de advocaat moet doen.

Hij moet ook weten dat verreweg de meeste van die advocaten – is mijn ervaring – niet beknibbelen op de uren in een zaak. Ze maken zich er niet met een jantje-van-leiden vanaf. Ze zijn betrokken, knokken voor elke cliënt.

Maatschappelijke functie

Mijn praktijk bestaat voor ongeveer de helft uit toevoegingen. Waarom ik die zaken doe? Simpel. Omdat ik vind dat iedereen, of hij nou veel of weinig verdient, recht heeft op goede rechtsbijstand. Omdat ik vind dat het hoort bij de maatschappelijke functie die je hebt als advocaat, bij het procesmonopolie dat de wet ons geeft. Duur gezegd: noblesse oblige. Een kwestie van idealen ook.

Maar dan de praktijk.

Praktijk

Met een gemiddelde echtscheiding ben je als advocaat als snel twintig tot vijfentwintig uur bezig, met soms uitschieters naar boven. Hoe dat kan? Eenvoudig. De ‘gemakkelijke’ scheidingen worden via mediation geregeld. De moeilijke zaken met veel conflicten en hoogoplopende emoties, komen uiteindelijk bij een advocaat terecht.

De vergoeding per toegevoegde zaak houdt daar totaal geen rekening mee.

Concreet: voor een echtscheiding op toevoegingsbasis krijgt de advocaat een vaste vergoeding van de overheid, te weten tien uren à € 105,61 bruto per uur. Vertaald naar het werkelijk aantal uren verdient de advocaat dus zo’n € 45 bruto per uur. Let wel: daar moeten alle praktijkkosten (denk aan huisvesting, ICT, opleiding, abonnementen, verzekeringen, personele ondersteuning) én de inkomstenbelasting nog vanaf. Ronduit geestig is ook de kilometervergoeding voor reizen naar de rechtbank: € 0,09 per km.

De gevolgen laten zich raden.

Gevolgen

Als mijn familiepraktijk alleen uit toevoegingen zou bestaan, zou ik beter ander werk kunnen gaan doen.

Ik ben noodgedwongen selectief geworden in het aannemen van toevoegingszaken. Met pijn in het hart, want het voelt niet goed om mensen weg te sturen.

Ik moet bezuinigen op zaken die mij ontlasten, zoals secretariële ondersteuning.

En last but not least, de cliënten die mijn werk zelf moeten betalen subsidiëren feitelijk voor een stukje de toevoegingspraktijk. Ofwel ik zou een nog lager uurtarief voor betalende cliënten kunnen hanteren, als de toevoegingsuren fatsoenlijk vergoed zouden worden.

Politiek

Het onderwerp staat op de politieke agenda. Onlangs kwam de commissie Van der Meer met haar eindrapport. Daaruit bleek, ik citeer: ‘Het stelsel vertoont ernstig achterstallig onderhoud. De bekostigingsnormen per zaak zijn circa 20 jaar oud en niet meer ‘bij de tijd’. Advocaten besteden gemiddeld veel meer tijd aan hun zaken dan zij krijgen vergoed. Het door de regering als redelijk genormeerde jaarinkomen is daardoor binnen het huidige stelsel niet haalbaar.’

Globaal genomen krijgen advocaten voor de helft (!) van de gewerkte toevoegingsuren niet betaald. Voor insiders niet verrassend natuurlijk.

Het punt is, je kunt dit allemaal wel leuk laten onderzoeken, maar tot nu toe heeft de overheid steeds gezegd ‘er komt geen geld bij, er gaat hooguit af’.

Investeren

Het is oneindig belangrijk dat mensen vertrouwen houden in het functioneren van ons ingewikkelde rechtssysteem. Dat ze – als niks anders werkt – de rechter kunnen vragen om een beslissing te nemen.

Ik snap heel goed dat het ook oneindig lastig is om een goed functionerend systeem te bedenken. Het perfecte systeem bestaat niet. Er zullen altijd mankementen en ‘perverse prikkels’ zijn.

Maar feitelijk is er geen keus: de overheid moét investeren in wat heet de toegang tot het recht.  Een fatsoenlijke beloning voor de mensen die het werk doen, hoort daar gewoon bij.

Cappuccino

Tegenwoordig informeer ik een cliënt niet alleen over wat vanuit zijn perspectief belangrijk is – de hoogte van de eigen bijdrage – ik vertel ook over de vergoeding die de advocaat per zaak ontvangt. Zodat men snapt dat ik zo efficiënt mogelijk moet werken en (helaas!) weinig tijd aan aanpalende (sociale en emotionele) problemen kan besteden.

Mijn ervaring is trouwens dat die informatie altijd nieuw is. Ik denk dat de meeste mensen geen flauw idee hebben van de beloningsperikelen in de gefinancierde rechtspraktijk.

Zo ook de eigenaar van het koffiehuis. Met hem en mij kwam het trouwens goed. Gelukkig maar, want zijn de cappuccino is heerlijk.

Mijn ex is een narcist

17 oktober 2017 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Mijn ex is een narcist

Mijn ex is een narcist

Als sprake is van een vechtscheiding, claimt de ene partij vaak dat de ander psychisch niet spoort. En vice versa. Gezien de hevigheid van de strijd is dat niet vreemd. Wel opmerkelijk is dat de kwalificatie narcisme daarbij zo vaak voorkomt.

Een veelgehoorde uitspraak: ‘Mijn ex is echte narcist.’

Ik ben me gaandeweg gaan afvragen: hoe komt het dat we de term narcisme pakweg twintig jaar geleden nauwelijks hoorden, terwijl die nu gemeengoed lijkt geworden? Met als startvraag natuurlijk: wat is narcisme nou eigenlijk precies?

Als je googelt op narcisme krijg je een eindeloze lijst met zoekresultaten: hoe herken je een narcist, omgaan met een narcist, de 21 kenmerken van narcisme, scheiden van een narcist, en natuurlijk ‘narcisme: doe de test’. Nota bene de Amerikaanse president kreeg – zij het op afstand – de diagnose ‘kwaadaardig narcisme’.

Narcisme is hot, zoveel is zeker.

Wat is narcisme?

De psychologie heeft hier wel een verklaring voor. Verhelderend is het verhaal van dr. Sander Thomaes, docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht. Thomaes doet al jaren onderzoek naar narcisme. Hij vertelt wat narcisme is en verklaart waarom wij, in de Westerse samenleving, de laatste decennia massaal narcistischer zijn geworden.

Het verhaal van Thomaes begint met een vraag: welk woord leren kinderen van nu als eerste wanneer ze naar school gaan? Het antwoord  is: ik. Terwijl vroeger alles begon met aap, noot, mies.

Narcisme is – samengevat – het hebben van een opblazen zelfbeeld, het idee uniek te zijn en uit te steken boven de rest. De narcistische mens wil constant waardering en applaus. En heeft weinig empathie voor anderen.

Narcisme is er in allerlei gradaties. Veel mensen hebben ergens wel een narcistisch trekje. Aan de andere kant van het spectrum staat de narcistische persoonlijkheidsstoornis: de narcistische trekken zijn dan zo dominant aanwezig dat iemand niet normaal kan functioneren en telkens problemen heeft met relaties, werk en sociale contacten.

Individualisering als oorzaak

Narcisme zit voor een deel in iemands karakter. Maar omgeving en opvoeding spelen ook een belangrijke rol. Volgens Thomaes is het vooral de individualisering van de Westerse maatschappij die ons narcistischer heeft gemaakt. Het tijdperk I, me and myself.

Onderzoek toont dat ook aan. In de US hebben psychologen sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw vragenlijsten aan jonge mensen voorgelegd. Op de vraag ‘vindt u zich een belangrijk persoon?’ antwoordde twaalf procent in 1950 met ja. Nu is die score tachtig procent! In Nederland zijn de resultaten vergelijkbaar.

Onze focus op het ik, het individuele, kan leiden tot een opvoedstijl die ouderlijke overwaardering wordt genoemd. We zijn onze kinderen gaan beschouwen als uniek, bijzonder. En plaatsen hen daardoor op een voetstuk. Het gevolg is een heleboel potentiële narcistjes, een legioen prinsjes en prinsesjes die later moeite krijgen met het waarmaken van hun uniciteit.

Doorgeschoten individualisering

Narcisme is dus deels doorgeschoten individualisering. Een te dominante focus op zelfontplooiing en autonomie, terwijl traditionele instituties als kerk en gezin juist aan belang hebben ingeboet.

De individualisering leidde ook tot een sterke toename van het aantal echtscheidingen. Waarschijnlijk is het niet verwonderlijk dat juist conflictscheidingen regelmatig leiden tot verwijten (soms over en weer) van narcistisch gedrag. De onderliggende emotie is dat de partners elkaar volledig zijn kwijt geraakt. Men voelt zich niet gezien, niet gehoord, en is ervan overtuigd dat de ander met maar één ding bezig is: zichzelf.

Balans

Aristoteles zei het al: de deugd is het midden tussen twee extremen. Hoe mooi zou dat zijn, een balans vinden tussen ik en samen, tussen vrijheid en saamhorigheid. De tegenbeweging is natuurlijk allang aan de gang. Sinds de financiële crisis, is er een ‘participatiemaatschappij’. We hebben buurtapps, broodfondsen en rouwen hartstochtelijk collectief bij rampspoed.

Wat naadloos bij deze beweging past, is een trend die steeds zichtbaarder wordt: als mensen willen scheiden, gaan we ze eerst helpen om bij elkaar te blijven in plaats van meteen de scheidingsknoop door te hakken.

Samenleven is geven en nemen. In tijden van welvaart kun je zomaar een beetje vergeten hoe dat moet.


Bronnen:

De presentatie van dr. Sander Thomaes (Betweterfestival 2016, ‘Zijn er tegenwoordig meer narcistische mensen dan vroeger?) wordt aanboden op de website van Studium Generale van de Universiteit Utrecht, https://www.sg.uu.nl/videos/de-narcistische-mens

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/02/01/psychologen-trump-lijdt-aan-kwaadaardig-narcisme-6501160-a1544013

http://www.hpdetijd.nl/2015-03-12/zo-krijgt-u-een-narcistisch-kind/

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/10/07/scheiden-is-slecht-niet-alleen-voor-u-13347105-a1576331

Foto: schilderij van de Italiaanse kunstschilder Caravaggio, gemaakt tussen 1598 en 1599, 110 x 92 centimeter groot. Het toont Narcissus, een figuur uit de Griekse mythologie, die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld.

 

Partneralimentatie en kindgebonden budget

13 augustus 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Partneralimentatie en kindgebonden budget

Kortsluiting bij partneralimentatie en kindgebonden budget

Wij mensen maken het recht. Het recht is er om ons te dienen, nietwaar?

Toch is er steeds vaker iets vreemds aan de hand. Het recht gedraagt als een enorm uitdijend netwerk dat bezig is zijn eigen leven te gaan leiden. Wanneer ergens in de kluwen een schakeltje wordt omgezet, kan elders zomaar kortsluiting ontstaan.

Neem het dossier alimentatie en kindgebonden budget. Een minidrama in vogelvlucht.

De aanleiding

Een paar jaar geleden besloot de overheid de kindregelingen te vereenvoudigen. Een aantal ervan werd afgeschaft. In de plaats daarvan werd o.a. het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders fors opgehoogd. Het kindgebonden budget (kgb) is een netto toeslag op het inkomen, net als de huurtoeslag en zorgtoeslag.

Mooi zou je zeggen, elke vereenvoudiging is welkom. Klopt, ware het niet dat niemand van tevoren had bedacht dat deze vereenvoudiging elders in het netwerk kortsluiting zou veroorzaken en wel bij het berekenen van alimentatie … een onderwerp dat toch al standaard voor hoofdbrekens zorgt.

Kinderalimentatie en kindgebonden budget

De problemen begonnen bij de kinderalimentatie. Bij de berekening daarvan kijk je altijd eerst: hoeveel kosten de kinderen [i]?Dat bedrag is de maximale alimentatie. De vraag die met de introductie van het hoge kindgebonden budget opkwam: moest je nou dat hele kgb, oplopend tot wel € 450 per maand, beschouwen als een potje om de kosten van de kinderen mee te betalen? Anders gezegd: verminderde dat hoge kgb 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie? Een ‘ja’ zou betekenen dat alleenstaande ouders met een hoog kgb plotseling veel minder kinderalimentatie zouden krijgen.

De Trema-normen, intussen aangepast aan gewijzigde kindregelingen, zeiden: ja, het kgb is er om de kinderkosten mee te betalen en vermindert dus 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie. Gevolg was dat veel alimentatiebetalers, doorgaans vaders, naar de rechter stapten om de alimentatie te laten verlagen. Aanvankelijk met succes.

Maar hier werd al snel een stokje voor gestoken. Veel rechters en advocaten meenden dat dit niet de bedoeling kon zijn. Want terwijl het inkomen van een alleenstaande ouder nauwelijks was gewijzigd (het hoge kgb kwam immers in de plaats van andere voordelen) ging de kinderalimentatie opeens omlaag, soms wel met een paar honderd euro per maand. Gevolg was dat sommige rechters de Trema-normen links lieten liggen. Ze gingen verschillend oordelen, de een deed zus, de ander zo. Verwarring alom.

Hoge Raad I

Er zat niks anders op dat de principiële vraag voor te leggen aan ons hoogste rechtscollege. De Hoge Raad antwoordde snel en duidelijk: het kgb is bedoeld als inkomensondersteuning. Daarom telt het bij de berekening van kinderalimentatie mee als inkomen bij de alimentatieontvanger en kan het voor allerlei kosten (zoals eten, drinken, wonen) worden gebruikt en is het niet alleen bestemd voor de kosten van de kinderen. Ergo: het kgb vermindert niet 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie.

Dit was een uitspraak die iedereen wel kon begrijpen. Reuze vervelend alleen dat nogal wat alimentatiebetalers opnieuw naar de rechter of mediator moesten om de eerder te laag vaststelde alimentatie te laten wijzigen.

Partneralimentatie en kindgebonden budget

Was toen alles opgelost? Nou nee, want toen kwam de volgende vraag, en wel een die veel weg had van de vorige. Dat zit zo. Het kan zijn dat degene die aanspraak heeft op kinderalimentatie – meestal de vrouw – een hoger bedrag aan kgb ontvangt dan haar aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt (dit is af te lezen uit de berekening van kinderalimentatie). De vraag is dan: als je vervolgens de partneralimentatie berekent, telt dit surplus aan kgb dan mee als inkomen van de ontvanger, waardoor de aanspraak op partneralimentatie minder wordt? Of moet je het kgb helemaal buiten beschouwing laten, omdat het voor de kinderen is bestemd?

Opnieuw een periode van onzekerheid: de ene rechter oordeelde zus, de ander zo. Daarom werd ook deze vraag in aller ijl voorgelegd aan de de Hoge Raad, die op 7 juli jl. antwoord gaf. Een antwoord dat allesbehalve verlossend lijkt.

Hoge Raad II

Wie had gedacht dat de Hoge Raad in lijn met zijn uitspraak over de kinderalimentatie zou zeggen: ‘het kgb is een inkomensondersteunende maatregel en dus telt het surplus mee als inkomen van de alimentatieontvanger’, die komt bedrogen uit. De Hoge Raad constateert dat het bedrag aan kgb afhangt van het inkomen van degene die er recht op heeft en dat dit inkomen onder meer bestaat uit …. juist ja, partneralimentatie. Ofwel hoe meer alimentatie iemand krijgt, hoe lager de aanspraak op kgb. En daar zit volgens de Hoge Raad de crux: het is niet de bedoeling om de overheid op kosten te jagen daar waar een ex-partner ook ruimte heeft om te betalen. Zo is het ook bij de zorg- en huurtoeslag, die tellen ook niet mee als inkomen bij het berekenen van alimentatie [ii].

Dit alles leidt tot de wonderlijke slotsom dat bij kinderalimentatie het kgb wordt gezien als inkomen van de alimentatieontvanger om de alimentatie zo hoog mogelijk te krijgen, terwijl bij partneralimentatie het surplus aan kgb opeens geen inkomen meer is om precies dezelfde reden. Bovendien – en nu wordt het bont – geldt dit volgens de Hoge Raad zelfs wanneer de alimentatieontvanger uiteindelijk meer te besteden heeft dan de betaler, omdat deze anders indirect toch zou meeprofiteren van het kgb. Met andere woorden: ook bij de zgn. jusvergelijking telt het kgb niet mee als inkomen.

(Als u het niet meer begrijpt, geen zorg, u bent in goed gezelschap …)

Onlogisch

De uitkomst van Hoge Raad II is onlogisch.

Ten eerste. De afgeschafte alleenstaande ouderkorting – een korting op de inkomstenbelasting – telde logischerwijs mee bij het inkomen van de partneralimentatieontvanger [iii]. Waarom het hoge kgb dat hiervoor in de plaats in gekomen dan niet? Of is dit ‘gewoon’ de bijvangst (leuk voor de overheid) van de operatie vereenvoudiging-kindregelingen?

Ten tweede. Zoals gezegd kan het kgb meer bedragen dan de ontvanger kwijt is aan kinderkosten [iv]. Maar bij de berekening van partneralimentatie wordt dat restdeel gewoon weggegumd. Dat klopt toch niet? Nee hoor, zegt de Hoge Raad, zo moet je dat niet zien: kinderkosten worden immers forfaitair (Nibud) berekend en kunnen dus in werkelijkheid hoger zijn. Jaha, zo kan ik het ook. Dat is wat je noemt tussentijds de spelregels veranderen. We berekenen de kinderkosten altijd forfaitair, maar uuh nu even niet …

Echt oneerlijk wordt het wanneer de alimentatieontvanger onder de streep meer overhoudt dan de betaler en het kgb-surplus niet in de jus mag worden gebruikt.

De praktijk

Grote praktische vraag is natuurlijk: in hoeveel gevallen speelt deze partneralimentatie-problematiek eigenlijk en wat zijn dan de financiële consequenties per geval? Ik weet het niet, maar het kan zijn dat we bezig zijn ons het hoofd te breken over moeilijke theorie, terwijl het in werkelijkheid weinig zal voorkomen dat een surplus aan kgb tot een lagere partneralimentatie leidt. En – mocht dat al zo zijn – dat het gaat om kleine bedragen gaat. Best mogelijk dat een heel leger juristen bezig is na te denken over een probleem waarvan we de (financiële) impact niet kennen, een impact die misschien gering is.

Vertrouwen

Punt is – en dan zijn we terug bij af – dat niks van dit alles van tevoren bedacht, laat staan zo bedoeld is. Dit hele gedoe is louter en alleen het onbedoelde gevolg van een herschikking elders in het systeem van regels. Beangstigend als je er over nadenkt. Want behalve dat het mensen boos maakt en op kosten jaagt, holt het uiteindelijk ons vertrouwen in het recht uit. Terwijl juist vertrouwen de brandstof is van het hele systeem.


Naschrift: zie ook het blog Alimentatie en de f(r)ictie van de toeslagen. Ook de huur- en zorgtoeslag tellen sinds jaar en dag niet mee als inkomen aan de kant van de alimentatieontvanger. Wanneer er daarnaast ook een substantieel surplus aan kindgebonden budget is, kan er zomaar zo’n € 600 netto per maand buiten de berekening blijven.

[i] Voor de kinderkosten zijn Nibudtabellen: afhankelijk van de hoogte van het gezinsinkomen laten de tabellen zien hoeveel een kind gemiddeld per maand kost.

[ii] Al in 1995 besloot de Hoge Raad dat de huur- en zorgtoeslag niet meetellen als inkomen bij de alimentatiegerechtigde, omdat deze toeslagen van ‘aanvullende aard’ zijn. Ook hier is de redenering: als de alimentatieplichtige ruimte heeft om te betalen, is het niet aan de overheid om dat te doen. De huur- en zorgtoeslag tellen wel mee bij de jusvergelijking.

[iii] Voor werkenden gold de alleenstaande ouderkorting. Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering kregen een toeslag op de uitkering. In beide gevallen telde die korting resp. toeslag als inkomen mee bij de partneralimentatie.

[iv] Voor een geval waarbij het kgb hoger was dan het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen zie bijv. deze casus die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.

 

 

 

 

 

 

Woonlasten bij scheiding

8 juni 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Woonlasten bij scheiding

Woonlasten bij scheiding

Veelvoorkomende situatie: een stel gaat scheiden, ze wonen in een koophuis dat gezamenlijk eigendom is en zijn allebei hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek. Het huis wordt te koop gezet en een van beiden blijft er wonen totdat het is verkocht. Dat kan lang duren, soms tot jaren na de scheiding.

Veelgestelde vraag is dan: wie moet de woonlasten betalen zolang de woning nog gezamenlijk eigendom is? Degene die er is blijven wonen en dus het volledige woongenot heeft? Of allebei de helft, conform de eigendomsverhouding?

Bij deze ogenschijnlijk simpele vraag hoort, zoals wel vaker in het recht, geen simpel antwoord. Dat antwoord luidt namelijk: dat hangt ervan af. Dat hangt af wat in die specifieke situatie redelijk en billijk is. Maatwerk dus.

Voor de duidelijkheid, met woonlasten wordt hier bedoeld: de eigenaarslasten. Het spreekt immers voor zich dat de bewoner de gebruikerslasten betaalt.

Hoofdregels

Voor een goed begrip eerst een paar hoofdregels.

De wet zegt – vrij vertaald – dat wanneer twee mensen ieder voor de helft eigenaar zijn van een zaak, neem een woning, ze ook allebei de helft van de lusten en lasten van die zaak moeten dragen. Althans, tenzij men onderling iets anders heeft afgesproken. Afwijkende afspraken maken mag dus altijd. Dus: zolang een woning eigendom is van twee ex-echtgenoten, ieder voor de helft, moet ieder in principe de helft van de woonlasten betalen.

Maar: de wet zegt ook – alweer vrij vertaald – dat als een van de eigenaren het alleengebruik van een zaak heeft, het redelijk en billijk kan zijn dat hij de andere eigenaar daarvoor een gebruiksvergoeding betaalt. Wat redelijk en billijk is, hangt af van de omstandigheden, denk aan de financiële situatie van partijen, eventuele over- of onderwaarde van de woning of andere bijzonderheden.

De uitkomst kan – al naar gelang de situatie – dus heel verschillend zijn.

Meestal slagen mensen die gaan scheiden er wel in om samen te bedenken wat in hun specifieke situatie redelijk is. En lukt het ze om afspraken te maken, waarbij de woonlasten vaak onderdeel zijn van een heel afsprakenpakket. Maar wat als dat niet lukt?

Dan is het aan de rechter om maatwerk te leveren.

Maatwerk

Een mooi voorbeeld van dat maatwerk is een recente uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Casus: man en vrouw zijn gescheiden, de vrouw is in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. De woning staat al geruime tijd te koop en heeft geen overwaarde. De man woont elders en heeft eigen woonlasten.

Het gerechtshof stelt eerst vast dat de man en vrouw samen, elk voor de helft, eigenaar zijn en daardoor dus allebei 50% van de lasten moeten betalen. Vervolgens kijkt het hof of de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen en zo ja, hoe hoog die moet zijn.

De vrouw stelt: ik hoef geen vergoeding te betalen, omdat de woning geen overwaarde heeft en moeilijk verkoopbaar is. Het hof is het daar – terecht – niet mee eens. Het hof zegt: de grondslag voor een gebruiksvergoeding is niet of er al dan niet overwaarde in de woning zit, maar dat een van de eigenaren het alleengebruik heeft.

Daarna komt het maatwerk. In dit geval stelt het Hof vast dat partijen ongeveer hetzelfde inkomen hebben. De woonlasten van de vrouw (i.e. de lasten van de gemeenschappelijke woning) zijn € 2.874,– en die van de man € 1.209,–. Het Hof telt vervolgens de woonlasten bij elkaar op, deelt het bedrag door twee (€ 2.041,50) en beslist dat de vrouw aan de man het verschil tussen € 2.041,50 en zijn eigen woonlasten moet betalen. Anders gezegd: nu partijen evenveel verdienen, vindt het Hof het redelijk dat ze – zolang de woning niet verkocht is – ook gelijke woonlasten hebben. Een hele praktische benadering.

Lastig voorspelbaar

Onnodig te zeggen dat de uitkomst van dit soort zaken niet altijd goed voorspelbaar is. Het is aan partijen om relevante omstandigheden te benoemen en aan de rechter om deze te wegen.

Tot de crisis (2009) was er vaak sprake van overwaarde in een woning en werd de gebruiksvergoeding daarop gebaseerd (de vergoeding werd dan vastgesteld als een percentage, bijvoorbeeld 4% per jaar, van de helft van de overwaarde). Intussen is de huizenmarkt veranderd en zie je dat wordt aangeknoopt bij de werkelijke woonlasten.

Tot slot: let op!

Het verdelen van woonlasten bij scheiding heeft ook belangrijke fiscale consequenties. Denk aan: de hypotheekrenteaftrek en de toerekening van het eigenwoningforfait. Er gelden speciale fiscale regels bij scheiding. Die regels zijn ingewikkeld en de gevolgen kunnen groot zijn.

Er is eigenlijk maar één verstandig advies: laat u over woonlasten bij scheiding goed adviseren. Altijd.


Noot: Soms moet de rechter ook beslissen over de datum dat de gebruiksvergoeding moet ingaan: is dat al tijdens de echtscheidingsprocedure of pas nadat de echtscheiding is uitgesproken? Ook die beslissing hangt weer af van de concrete situatie.

Wet Herziening Partneralimentatie: update

4 mei 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wet Herziening Partneralimentatie: update

Wet Herziening Partneralimentatie: wat vooraf ging

Een korte update over het wetsvoorstel herziening partneralimentatie. Hoe zit het ook al weer?

In het aanvankelijke wetsvoorstel ging het huidige systeem rigoureus op de schop. De hoogte van de alimentatie zou berekend gaan worden op basis van verlies aan verdiencapaciteit – dat wil zeggen: wat had iemand kunnen verdienen als hij/zij niet was getrouwd? – en dus niet meer op basis van de welstand tijdens het huwelijk. De duur van de alimentatie ging terug naar van twaalf jaar naar ‘maximaal vijf jaar, tenzij’. Gevolg: in veel gevallen zou er geen aanspraak of een veel lagere aanspraak zijn op alimentatie.

De Raad van State had harde kritiek. Samengevat: het is nog steeds zo dat mannen meer werken dan vrouwen en zolang veel vrouwen nog niet economisch zelfstandig zijn, moet er een goed alimentatievangnet blijven.

Gewijzigd wetsvoorstel

Er ligt intussen een gewijzigd wetsvoorstel. De indieners hebben geluisterd naar de kritiek.

Dit zijn de hoofdpunten van het gewijzigde voorstel.

  • Aan de hoogte van de partneralimentatie wordt niet getornd. Grondslag blijft de welstand tijdens het huwelijk en dus niet een verlies aan verdiencapaciteit
  • De verkorting van de alimentatieduur van twaalf jaar naar ‘maximaal vijf jaar tenzij’ wordt gehandhaafd. 
  • Als de omstandigheden wijzigen kan er – net als nu – wijziging van de alimentatie worden gevraagd.
  • Er komt een proefperiode van een half jaar voor samenwoners. De regel is nu: als de alimentatiegerechtigde gaat samenwonen vervalt het recht op partneralimentatie definitief. Het voorstel is: het recht op alimentatie vervalt pas na zes maanden samenwonen, mits de alimentatiegerechtigde vooraf melding heeft gedaan van het samenwonen.
  • Er komt geen mogelijkheid om vooraf – bijvoorbeeld bij huwelijkse voorwaarden – het recht op partneralimentatie uit te sluiten.
  • Net als in het oorspronkelijke voorstel geldt de nieuwe wet geldt alleen voor nieuwe echtscheidingen.

Grootste pijnpunt

Het gewijzigde voorstel pakt – terecht – het grootste pijnpunt van het huidige systeem aan: de standaard alimentatieduur van maar liefst twaalf jaar, óók wanneer er geen jonge kinderen zijn. Verder blijft alles grotendeels bij het oude.

Maatschappijbeeld

Ons denken over partneralimentatie hangt sterk samen met ideologie, met politiek. Hoe vinden we dat onze maatschappij eruit moet zien? Wat is rechtvaardig? Is het feit dat je getrouwd bent geweest voldoende reden om na een scheiding nog een tijdlang de verantwoordelijkheid te dragen voor het levensonderhoud van de ander? Hoe ziet die verantwoordelijkheid er dan uit? En hoelang duurt die?

Bij kinderalimentatie is het een stuk simpeler: ouders moeten naar vermogen (financieel) voor hun kinderen zorgen, ook als ze gaan scheiden. Er zullen maar weinig mensen zijn die het oneens zijn met dit principe, hooguit wordt er gesteggeld over de berekening wat een ouder kan betalen.

Over partneralimentatie kun je in de basis heel verschillend over denken. Dat blijkt wel. Wordt vervolgd!


Lees ook de eerdere blogs over dit onderwerp

Wetsvoorstel partneralimentatie 

Eerste update wetsvoorstel partneralimentatie