Posts under: Hedy Bollen

Schulden en scheiding … samen uit, samen thuis?

10 februari 2019 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Schulden en scheiding … samen uit, samen thuis?

SCHULDEN EN SCHEIDING: DRIE STELLEN

Drie in gemeenschap van goederen getrouwde stellen. Driemaal echtscheiding. En driemaal dezelfde vraag.

Moet de ene partner in geval van echtscheiding opdraaien voor de schulden van de ander, ongeacht wat voor schulden dat zijn? Is het werkelijk samen uit samen thuis als je in gemeenschap van goederen bent getrouwd?

Ik schets drie verschillende situaties. Denkt u mee?

Echtpaar 1: Het studerende duo

Marian1 en Menno1 trouwen in 2015 wanneer ze allebei nog studeren. Ze zijn verliefd, hebben grootse plannen voor de toekomst en willen alles samen delen.

Maar dan … veel sneller dan ze kunnen vermoeden, slaat het leven toe. Nog geen paar maanden nadat ze elkaar het jawoord hebben gegeven, krijgt Menno een ongeluk en moet hij lange tijd revalideren. Het is een zware periode. Na zijn herstel lijkt Menno veranderd. Hij kan zijn draai niet vinden, krijgt met iedereen problemen en komt zelfs in aanraking met de politie. De droom van Marian is kapot. Ze besluit echtscheiding aan te vragen. Bij de scheiding heeft Menno een forse studieschuld bij DUO, want hij is intussen ook gestopt met studeren en zonder diploma wordt de studielening niet omgezet in een gift.

De vraag is: moet Marian1 na de scheiding de helft van Menno’s studieschuld dragen?

Echtpaar 2: Trouwen voor de tweede keer

Marian2 en Menno2 trouwen in 2005, het is voor hun allebei het tweede huwelijk. Menno is kortgeleden gescheiden van zijn ex, aan wie hij maandelijks een fors bedrag aan partneralimentatie moet betalen. Over de vormgeving van hun huwelijksgoederenregime denken Marian en hij amper na, veel te blij zijn ze dat ze elkaar hebben gevonden.

Maar dan … raakt Menno zijn baan kwijt. Het is crisis op de arbeidsmarkt en het lukt Menno niet om snel weer aan het werk te komen. Hij voelt zich nutteloos en wordt depressief. Zijn geldzaken laat hij versloffen, of eigenlijk stopt hij die weg, hij kan het allemaal niet meer aan. Ook zijn relatie met Marian loopt op de klippen en bij de scheiding maken ze ruzie over alles. Intussen blijkt Menno een schuld van meer dan € 20.000 te hebben opgebouwd wegens achterstallige alimentatie aan zijn ex . Hij vindt dat Marian die voor de helft moet dragen, hij heeft immers ook zijn uitkering altijd op de gezamenlijke rekening gestort.

De vraag is: moet Marian2 de helft van Menno’s alimentatieschuld dragen?

Echtpaar 3: Een villa in het Gooi

Marian3 en Menno3 trouwen in 2010. Het is een sprookjeshuwelijk met alles erop en eraan. Menno is een flamboyante man die van een groots leven houdt. Hij werkt hard, verdient goed en na een paar jaar kopen hij en Marian een villa in het Gooi. De villa moet helemaal worden verbouwd, het is een driejaren plan, maar het wordt prachtig!

Maar dan … staat opeens de recherche voor de deur. Menno wordt opgepakt voor fraude. Hij heeft zijn werkgever voor een paar ton benadeeld door malversaties. Het geld heeft Menno onder meer besteed aan de verbouwing van de villa. Marian is volledig verrast. Zij wist van niets. Menno krijgt straf én moet het bedrag terugbetalen. Marian wil niet met hem verder en vraagt de scheiding aan.

De vraag is: moet Marian3 de helft van Menno’s fraudeschuld dragen?

Regels, rechtvaardigheid en muizengaatjes

Rechtvaardigheid

Over de antwoorden op deze vragen kunnen we lang nadenken. We kunnen er verhitte discussies over voeren. Ik vermoed dat veel mensen extra vragen zouden stellen alvorens een oordeel te vellen. Want hoe zat dat nou precies? Waarom stopte Menno1 met zijn studie? Was het onwil of valt zijn keuze te billijken? En wist Marian 3 echt niks van de fraude? Had er bij haar misschien een belletje moeten gaan rinkelen? En die arme Marian2, waarom zou zij in hemelsnaam moeten betalen voor het levensonderhoud van de ex-vrouw van haar partner?!

De hiervoor geschetste situaties triggeren ons gevoel voor rechtvaardigheid. Onze ingebouwde antenne zegt wellicht: ieder het zijne. Tit-for-tat.

Maar als het om de regels gaat, kunnen we ons morele kompas in dit geval maar beter thuislaten.

Ferme hoofdregel

We hebben hier namelijk te maken met een ferme wettelijke regel die al jaren fier overeind staat en nu eens niét is uitgegroeid tot een ingewikkeld netwerk van ‘ja tenzij’ en ‘nee mits’.

Die regel luidt: in geval van een gemeenschap van goederen worden bij scheiding de bezittingen fiftyfifty verdeeld en de schulden fiftyfifty gedragen. Hoezeer dat in sommige situaties ook indruist tegen onze moraal: het is samen uit, samen thuis.

Er zijn maar twee (hele kleine) muizengaatjes die een uitweg kunnen bieden als het om de draagplicht voor schulden gaat.

Eerste muizengaatje: een verknochte schuld

Verknochte schulden, dat wil zeggen schulden met een hoogstpersoonlijk karakter, vallen niet in de gemeenschap. Maar de categorie hoogstpersoonlijk is ultraklein en voorbeelden zijn er nauwelijks. Tot nu toe zijn alleen schulden die zijn ontstaan door onrechtmatig handelen als verknocht bestempeld, waarbij het onrechtmatig handelen op zich allerminst voldoende was om een schuld als verknocht aan te merken. Er moet iets zeer ernstigs of zeer bijzonders aan de hand zijn, wil van dat laatste sprake kunnen zijn.

Als verknocht beschouwde het Gerechtshof Den Bosch de schadevergoeding die een man moest betalen aan zijn slachtoffer voor het plegen van een zedendelict. De aard en ernst van het delict waren hierbij bepalend.

Hoogstpersoonlijk was volgens de Rechtbank Amsterdam ook de schuld van een man wegens verduistering, gepleegd enkele jaren nadat partijen gescheiden waren gaan leven en waarbij de vrouw niet (ook niet onbedoeld) had meegeprofiteerd van het fraudegeld.

Maar de meeste verwijtbare schulden, zoals een verkeersboete, een fraudeschuld of een gokschuld, worden in beginsel als niet-verknocht en dus als gemeenschapsschuld gezien. Ook schulden waarvan de ander geen weet had en die tijdens de scheiding als een (zure) surprise komen bovendrijven, vallen als regel gewoon in de gemeenschap.

Tweede muizengaatje: redelijkheid en billijkheid

Daarnaast kunnen er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn waardoor het fiftyfifty verdelen van een gemeenschapsschuld redelijkerwijs onacceptabel zou zijn. Er is dan wel sprake van een gemeenschapsschuld, maar de draagplicht kan volledig naar een van de (ex)partners worden geschoven. De jurisprudentie laat zien dat er in zo’n geval ook echt iets heel bijzonders aan de hand moet zijn.

Een voorbeeld geeft het arrest van de Hoge Raad uit 2012. De echtgenoten waren in dat geval nog maar heel kort getrouwd, hadden niet of nauwelijks samengewoond en in elk geval geen gemeenschappelijke huishouding gehad. De schulden van de man dateerden van voor het huwelijk en de vrouw kreeg pas weet van deze schulden tijdens de echtscheidingsprocedure. Last but not least, de vrouw had op geen enkele manier meegeprofiteerd. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden, zei de Hoge Raad, kan worden afgeweken van fiftyfifty draagplicht.

Een ander voorbeeld is deze zaak bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het ging hier om een forse lening die de man – zonder dat de vrouw het wist – met zijn zus was aangegaan, op het moment dat partijen al in scheiding lagen en niet meer samenwoonden. De man kon niet laten zien dat hij het geleende geld had besteed aan de gemeenschap, zodat de rechter ervan uitging dat de vrouw niet had meegeprofiteerd van het door haar ex geleende geld. In deze zeer uitzonderlijke omstandigheden moest de man de schuld volledig dragen.

Terug naar de drie stellen

De hierboven aangehaalde jurisprudentie betekent voor Marian1, Marian2 en Marian3 niet veel goeds. Een schuld wordt zelden als verknocht gezien en op basis van de redelijkheid en billijkheid wordt alleen afgeweken van de fiftyfifty-hoofdregel als er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.

De verhalen van de drie echtparen (Marian en Menno) zijn fictief, door mij ingekleurd, maar wel aan de jurisprudentie ontleend. We gaan kijken naar hoe de rechter in vergelijkbare gevallen heeft geoordeeld.

1. De studieschuld

Op 15 januari 2019 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam over de draagplicht van een studieschuld van de man. De vrouw stelde primair dat schuld verknocht was, omdat de man zonder noodzaak was gestopt met zijn studie en subsidiair dat het gezien alle omstandigheden volstrekt onredelijk was dat zij de helft zou moeten betalen.

Maar volgens het hof maakt het feit dat de man – mogelijk verwijtbaar – zijn studie niet afmaakte, nog niet dat de schuld als verknocht kan worden aangemerkt. Bovendien kende de vrouw het systeem van studiefinanciering, ze studeerde immers zelf ook toen ze trouwde.

Dat partijen maar heel kort hadden samengewoond, telt volgens het hof niet mee, omdat partijen hier niet zelf voor hadden gekozen; de man had een ongeval gehad en moest lange tijd buitenshuis worden verzorgd. Dat de man tenslotte een misstap beging en aan het einde van het huwelijk een gevangenisstraf moest uitzitten, had met zijn studieschuld niets te maken.

Anders gezegd: er is hier géén sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden, die een afwijkende draagplicht zouden rechtvaardigden.

Hof ro. 5.4: De enkele stelling dat het aan de man zelf te wijten is dat hij zijn studie niet heeft afgemaakt, wat daarvan ook zij, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de studieschuld als verknocht aan te merken. (…) Naar het oordeel van het hof is in deze zaak geen sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval. Dat partijen een periode niet hebben samengewoond, berust, zo begrijpt het hof, niet op een afspraak tussen partijen, maar is het gevolg van het ongeval dat de man is overkomen en de langdurige verzorging die hij daarna nodig had. De duur van het huwelijk en het niet hebben van een gemeenschappelijke bankrekening zijn niet zulke uitzonderlijke omstandigheden dat deze een afwijking van artikel 1: 100 BW rechtvaardigen. De gevangenisstraf die de man aan het eind van het huwelijk opgelegd heeft gekregen, heeft niets te maken met de studieschuld. Het hof neemt bij dit alles ook in aanmerking dat de vrouw niet heeft betwist dat de man, net zoals zij zelf, studeerde. Evenmin heeft zij een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat gezien het regime waaronder de man valt ten aanzien van zijn van DUO ontvangen studiegelden, deze van meet af aan een lening betreffen die pas op het moment van afstuderen in een gift worden omgezet en dat zij bekend was met dit systeem van studiefinanciering.

2. De achterstallige partneralimentatie

Op 2 februari 2017 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden over de draagplicht voor achterstallige partneralimentatie. Ook hier stelde de vrouw primair: de schuld is verknocht. En subsidiair: een gelijke verdeling zou volstrekt onredelijk zijn.

Maar het hof ging niet met haar mee. Een schuld wegens partneralimentatie is – kort samengevat – niet bijzonder. In de wetenschap dat tot nu toe alleen schulden die aan (ernstige) misdrijven kleefden, als verknocht zijn beschouwd, is dat oordeel begrijpelijk.

Het hof overweegt vervolgens dat de vrouw wist waar ze aan begon, toen ze in gemeenschap van goederen trouwde. Ze wist dat haar partner een alimentatieplicht had en had volgens het hof dus ook behoren te weten dat dergelijke schulden in de gemeenschap vallen. Dit laatste voelt wat mij betreft echt zuur. Gevoelsmatig is partneralimentatie nu juist iets wat doorgaans als ‘hoogstpersoonlijk’ zal worden ervaren.

Hof ro. 5.6: Voor een uitzondering op deze hoofdregel op grond van artikel 1:94 lid 3 BW in verband met verknochtheid is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Hetgeen de vrouw in dit verband heeft aangevoerd – dat deze schuld een hoogstpersoonlijk karakter heeft, dat maatschappelijke opvattingen zich ertegen verzetten dat de schuld in de gemeenschap valt en dat zij in het huwelijk geen voordeel heeft genoten van die schuld – is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de schuld als verknocht aan te merken.’ Ro. 5.7: Wat betreft het subsidiaire standpunt van de vrouw is het hof van oordeel dat dat de vrouw onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die met zich brengen dat in dit geval dient te worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 1:100 BW. De vrouw wist dat de man een onderhoudsplicht had jegens [A.] en door – na een geregistreerd partnerschap – met de man te huwen in gemeenschap van goederen wist zij (dan wel behoorde zij te weten) dat een eventuele schuld wegens achterstallige alimentatie tot de huwelijksgoederengemeenschap zou (gaan) behoren.’

3. De fraudeschuld

Op 3 oktober 2017 oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden over een situatie waarin de man fraude had gepleegd en met dat fraudegeld o.a. de echtelijke woning had verbouwd, terwijl de vrouw van niks wist. We zien de intussen bekende stellingen aan de kant van de vrouw. En ook deze vrouw kreeg van de rechter het lid op de neus.

Dat de fraudeschuld niet als verknocht is aangemerkt, is niet verwonderlijk, gezien de stand van de jurisprudentie. Maar de vrouw kreeg het ook niet voor elkaar de man een groter deel van de schuld te laten dragen dan zij. Het hof zei: het enkele feit dat de een iets doet wat niet mag en de ander daarvan geen weet heeft, rechtvaardigt niet een afwijking van de fiftyfifty-regel. Doorslaggevend lijkt vervolgens dat de vrouw (weliswaar onbedoeld maar toch) had meegeprofiteerd van de fraude. Het geld was immers deels in de echtelijke woning gestoken en zodoende in de gemeenschap terecht gekomen.

Dit profijtcriterium valt te begrijpen, althans voor zover het geld of de goederen nog aanwezig zijn tijdens de scheiding. Iedereen kan begrijpen dat het niet de bedoeling is dat de vrouw bij verdeling de helft krijgt van de overwaarde van de woning die is gefinancierd met fraudegeld.

Maar dit criterium geldt ook wanneer het geld weliswaar aan de gemeenschap is besteed, maar intussen foetsie is. Denk aan uitgaven voor de huishouding of een vakantie. En dan wordt het wel weer een zuur verhaal voor degene die oprecht van niks wist.

Hof ro. 2.6: Onrechtmatig handelen van één van beide echtgenoten en onwetendheid van de andere echtgenoot rechtvaardigt op zichzelf geen afwijking van artikel 1:100 BW. Daar komt bij dat (…) de verduisterde gelden voor een groot deel zijn besteed aan de bouw van de woning van partijen. Ook de vrouw heeft dit niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de gemeenschap, en dus ook de vrouw, in elk geval in zoverre geprofiteerd heeft van de gelden. Voor zover de verduisterde gelden aan andere doelen zijn besteed is niet voldoende onderbouwd en niet komen vast te staan dat de gemeenschap – en dus ook de vrouw – niet geprofiteerd heeft van het handelen van de man.

Snoeihard

Concluderend kunnen we stellen dat als Marian1, Marian 2 en Marian3 hun zaak aan de rechter zouden voorleggen, ze waarschijnlijk alle drie nul op rekest zouden krijgen.

De zakelijke kant van het huwelijk kan in de praktijk snoeihard uitpakken.

Handdoek in de ring?

Betekent dit nou dat iedereen die bij scheiding geconfronteerd wordt met een dubieuze schuld van zijn of haar ex meteen de handdoek in de ring moet werpen?

Nou, nee. Ten eerste scheiden veel mensen via overleg, door samen – met hulp van een advocaat of mediator – afspraken te maken zonder dat de rechter eraan te pas komt. En in onderling overleg kan een afwijkende draagplicht worden afgesproken. Ik adviseer wel om dergelijke afspraken altijd fiscaal te laten controleren.

Wie uiteindelijk toch bij de rechter terecht komt, kan altijd proberen te laten zien dat zijn of haar situatie zeer uitzonderlijk is. Daarvoor moet wel een uitgebreid verhaal worden verteld: de rechter moet voldoende bijzondere feiten en omstandigheden aangereikt krijgen om de afslag naar een van de twee muizengaatjes te kunnen nemen.

Beperkte gemeenschap sinds 2018

In de drie voorbeelden van Marian en Menno ging het om huwelijken van vóór 2018. Sinds 2018 geldt een gewijzigd huwelijksgoederenregime. Mensen die nu trouwen en die geen huwelijkse voorwaarden afspreken, zijn automatisch in een beperkte gemeenschap van goederen getrouwd. Dat betekent dat bezittingen én schulden die er vóór het huwelijk al waren, sowieso buiten de gemeenschap vallen. Dat kan de pijn verzachten.

Maar voor schulden die wél in de gemeenschap vallen, blijft het regime van de hoofdregel en de muizengaatjes onverkort gelden.

Moraal van dit verhaal

Een goede voorlichting voor iedereen die gaat trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaat, is essentieel. En wie kiest voor een (beperkte) gemeenschap van goederen, moet zich goed realiseren dat de financiële zaken van de ander ook zijn of haar financiële zaken worden.

We kunnen (gelukkig) niet alles dichttimmeren in het leven, maar soms zijn dingen misschien te voorkomen door iets meer aandacht te besteden aan de zakelijke kant van het huwelijk. Een kant die weinig romantisch is, maar wel lelijk kan uitpakken.


Naschrift

Per 1 januari 2018 is art. 100 lid 2 BW – dat handelt over de draagplicht van schulden bij echtscheiding – gewijzigd. De wijziging houdt in dat de rechter iets gemakkelijker tot een afwijkende draagplicht kan beslissen, indien en voor zover het saldo van de gemeenschap negatief is. Zie Hoge Raad 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:636). De Hoge Raad gaat er in deze uitspraak vanuit dat art. 100 lid vanaf 1 januari 2018 van toepassing is op de verdeling van een huwelijksgemeenschap die na die datum wordt ontbonden. Voor een voorbeeld van deze lichtere toets zie Rechtbank Rotterdam 18 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:12489.

Met dank aan Hanneke Moons en Sonja Alferink voor hun input.

Lees ook: schulden bij scheiding I – de algemene regels bij een volledige gemeenschap van goederen.

Lees ook: schulden bij scheiding II – de algemene regels bij een beperkte gemeenschap van goederen.

Minister Dekker en de dejuridisering

18 november 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Minister Dekker en de dejuridisering

Minister Dekker en de gsm van Nokia

Sander Dekker, minister voor Rechtsbescherming, vergelijkt onze juridische infrastructuur met de gsm van Nokia [1]. U weet wel, dat kleine betrouwbare apparaatje dat precies in een handpalm paste en nu al ontembare gevoelens van weemoed oproept. Het ooit zo grote Nokia ging ten onder, omdat het bleef focussen op bellen, terwijl de concurrentie allang slimmere apparaatjes had ontwikkeld.

Volgens minister Dekker zijn wij – juristen – vooral bezig met dat ene, hopeloos ouderwetse kunstje – procederen genaamd – terwijl we onze tijd beter zouden kunnen besteden. Al die noeste arbeid lost namelijk niets op. Rechtszaken voeren kost vooral tijd en geld. Dat laatste is natuurlijk extra vervelend wanneer de overheid dat moet betalen, zeker als je bedenkt dat maar liefst 38 procent van de Nederlandse bevolking recht heeft op een gesubsidieerde advocaat.[2]

Dejuridisering als oplossing

De minister heeft daarom een plan bedacht.[3]  De sleutelwoorden zijn: dejuridisering, de-escalatie, vlotter, simpeler, béter! Wij – het juridische veld – moeten oplossingsgericht gaan werken.

Zo moeten burgers straks niet meer voor elk wissewasje naar een door de overheid betaalde advocaat kunnen stappen. Vergelijk het met griepje, daar ga je ook niet meteen mee naar het ziekenhuis. Je gaat naar de huisarts of beter nog … je haalt een drankje bij de drogist en wacht tot het vanzelf weer overgaat.

Daarom wil de minister dat er (meer en betere) online juridische platforms komen voor zelfredzame burgers, die daarmee hun eigen problemen gaan oplossen. Voor wie minder zelfredzaam is, komen er juridische spreekuren in de wijk.

Wie geen baat heeft bij een zelfhulpmiddeltje of buurthulp, moet naar een juridische huisarts die gaat onderzoeken of de kwaal ernstig genoeg is voor doorverwijzing naar een advocaat. Pas dan komt iets ingewikkelds als een rechtszaak in beeld.

Dejuridiseren heet dat. We moeten ophouden alles zo juridisch te benaderen. Als iemand bijvoorbeeld denkt dat hij te weinig toeslag heeft ontvangen, kan dat misschien met een paar telefoontjes worden opgelost, terwijl nu zomaar het hele juridische apparaat wordt gemobiliseerd.[4]

Boos, bezorgd en beledigd

Veel juridische professionals, lees: advocaten, zijn not amused. Men is boos, bezorgd, beledigd tegelijk. Los van de inhoud van de plannen is dat laatste natuurlijk wel te begrijpen. Vanuit het oogpunt van de psychologie is het niet zo tactisch van de minister een hele beroepsgroep af te schilderen als het brave trekpaard uit de achttiende eeuw. Dom toch dat wij massaal blijven doorploegen terwijl in de verte de machines komen aanrollen.

Maar goed, het gaat hier niet om tenen waarop getrapt wordt. Het gaat om iets veel groters. Het gaat om het probleem dat juridische problemen van mensen niet goed worden opgelost. Dat we leven in een rechtsstaat, maar dat het systeem bezig is vast te lopen.

En daarin heeft de minister volkomen gelijk. Mensen en bedrijven ervaren aan de lopende band problemen met het recht, terwijl de gang naar de rechter die niet afdoende oplost.

Het echte probleem

De vraag is alleen: hoe komt dat? Komt dat omdat de juridische wereld onnodig ingewikkeld zit te doen? Komt het door een pervers beloningssysteem voor toegevoegde advocaten, dat volgens de minister meer uitnodigt tot procederen dan overleggen? Of komt het door ons ouderwetse procesrecht, dat partijen tegen elkaar opzet én duur en traag is?

Best mogelijk dat alle antwoorden een beetje kloppen. Maar het echte antwoord, het moederantwoord zeg maar, staat er niet bij.

Het echte probleem is dat wij leven in alsmaar complexer worden maatschappij met een eindeloos uitdijende hoeveelheid regels. We blijven maar doen alsof wij de regels maken en onder controle hebben, maar in werkelijkheid is dat allang niet meer zo. Het netwerk van regels leidt allang een eigen leven en is voor veel mensen een doolhof geworden. Alleen specialisten kunnen je de weg wijzen in onderdelen van het netwerk en dan nog mag je blij zijn dat je niet verdwaalt.

Zomaar een voorbeeld

Zomaar een voorbeeld. Een vrouw komt bij mij omdat haar ex te weinig alimentatie betaalt, dat weet ze zeker. Partijen zijn allang niet meer on speaking terms, de vrouw is er klaar mee en wil naar de rechter. Ik leg haar uit dat het berekenen van de draagkracht van een ondernemer (haar ex is zzp’er) geen appeltje-eitje is en onzekere uitkomsten geeft. Ik vertel van de problematiek van de samengestelde gezinnen, ik leg haar uit dat haar ex ook zijn stiefkind moet onderhouden en ik spijtig genoeg niet kan voorspellen hoe dat gaat meetellen, omdat de jurisprudentie zeer casuïstisch is, zoals dat heet. Ik vraag haar naar woonlasten, haar eigen verdiencapaciteit, de (voorhuwelijkse) schulden, de zorgkorting en ga zo maar door. Het duizelt de vrouw en na anderhalf uur vragen en praten is zij nergens meer zeker van.

En nog één

Nog een voorbeeld. Een paar jaar geleden werd de manier om kinderalimentatie te berekenen eenvoudiger gemaakt doordat we niet meer met iemands werkelijke woonlasten gingen rekenen maar met een forfait. Dat moest leiden tot minder discussies in de trant van ‘zijn iemands woonlasten wel redelijk en kloppen ze wel’. En ook tot minder procedures, want niet elke verhuizing zou meer reden zijn voor een nieuwe alimentatieberekening. Uitstekend idee, zou je zeggen.

Intussen zijn we een jaar verder en zien we steeds meer uitspraken van rechters waarin toch de werkelijke woonlasten weer een rol spelen. Hoe dat kan? Simpel, omdat elk geval anders is en (sommige) rechters toch weer maatwerk gaan leveren wanneer men vindt dat het forfait onredelijk uitpakt.

Als je vervolgens bedenkt dat het onderwerp woonlasten slechts een van de soms vele discussiepunten is in alimentatieprocedures, begrijp je waarom de uitkomst van dergelijke zaken vaak akelig onvoorspelbaar is. Dit is tegelijk een van de redenen waarom een gang naar de rechter – voor ons gevoel – vaak geen echte oplossing biedt. Want behalve dat die lang duurt en duur is, worden rechterlijke uitspraken vaak simpelweg niet begrepen, of erger nog, komen als een complete verrassing.

Zo is een eindeloze hoeveelheid voorbeelden te noemen, de een nog pregnanter dan de ander. En precies dat is het probleem. Wij leven in een maatschappij die zoveel regels heeft geproduceerd dat we de samenhang ervan nauwelijks nog kunnen bevatten – het menselijke brein is daar eenvoudigweg niet toe in staat – terwijl die regels, we zijn immers een rechtsstaat, ondertussen wél toegepast en gehandhaafd moeten worden.

Zachte manieren om conflicten op te lossen

Daarom ben ik het – zij het om deels andere redenen – volledig met de minister eens: we moeten dejuridiseren en wel zo snel mogelijk.

We moeten andere manieren van conflictoplossing nóg meer gaan stimuleren. Vooral zachtere manieren. Manieren die minder rationeel zijn, maar een beter gevoel geven.

Wat je dan doet is die hele berg aan rechtsstatelijke regels even wegdenken. Neem de mevrouw uit het voorbeeld hierboven. We zetten haar tegenover haar ex en schuiven alle regels en jurisprudentie over alimentatie, draagkracht, behoefte, woonlasten, zorgkortingen en wat dies meer zij aan de kant. We stellen doodgewone vragen. Over wat zij belangrijk vindt, en wat hij. Wat er onder al die boosheid ligt. Hoe zij de toekomst zien. En of er uiteindelijk misschien een ‘eerlijke’ oplossing denkbaar is.

We duwen en trekken een beetje, niet te veel. Het luistert nauw. Maar als het lukt, dan heb je ook wat. Mooi is dat.

Wil je dit echt inbedden, dan moet je onze mentaliteit veranderen. Wij, die nu leven, zijn allemaal grootgebracht als individuen, bekleed met ontelbare rechten. Hoe vaak hoor ik niet ‘ik sta toch in mijn recht, ik wil gewoon mijn recht halen’. Begrijpelijk, ware het niet dat niemand meer weet wat recht is in al die verschillende, concrete gevallen. We moeten langzaamaan terug van individueel naar ietsjes meer samen. Van ‘ik heb recht op’ naar ietsjes meer gezamenlijk belang.

En dat bereik je niet met rechtszaken voeren. Wel door bijvoorbeeld kinderen op lagere scholen al te leren over conflicthantering.

Dapper

Het is dapper van minister Dekker dat hij probeert om écht iets te veranderen. De inzet op alternatieve manieren van conflictoplossing (zoals mediation) en een multidisciplinaire aanpak, is goed. Onontkoombaar.

Het plan om betere internetplatforms te maken en juridische spreekuren te organiseren is zeker het proberen waard. Maar omdat zo ongeveer elk juridisch probleem in potentie complex is geworden – en jammer genoeg niét met een paar telefoontjes op te lossen – is de uitvoering ervan cruciaal. De mensen die deze eerstelijnszorg moeten gaan uitvoeren, zullen – naast kennis van het recht – vooral andere vaardigheden nodig hebben.[5]

Naar de aangekondigde ‘rechtshulppakketten’ ben ik erg benieuwd. Goed nieuws is dat de middeninkomens die nu buiten de boot vallen, straks binnen het stelsel gaan vallen.[6]

Procederen … so old school?

Maar dan … het allerbelangrijkste.

Dat er meer aandacht komt voor eerstelijnszorg is heel goed. Maar hoe zit het met de tweedelijn? Is procederen old school geworden?

Maar natuurlijk niet!

Lang niet alle problemen zijn door mediation, buurtjuristen en spreekuurrechters op te lossen. Niet alle mensen zijn even ‘bemiddelbaar’. Hetzelfde geldt voor instanties/overheden want die bestaan ook uit mensen. En niet alle zaken zijn geschikt voor dejuridisering.

Een goed geoutilleerde, voor iedereen toegankelijke rechtsspraak is een van de essenties van het systeem. De rechter is het vangnet waar je – als niks anders heeft gewerkt – altijd op kunt terugvallen, onvoorwaardelijk. Het hart van de rechtsstaat.

Het is dom en gevaarlijk om een rechtszaak af te schilderen als een middel dat erger is dan de kwaal. Natuurlijk kan en moet het moderner.[7] Maar dat doet allemaal niks af aan dat kostbare principe.

Wel is het nodig dat we op een andere manier naar de rechtspraak gaan kijken. Onze verwachtingen gaan herijken. De rechtspraak is geen productiefabriek van snelle oplossingen of ‘eerlijke’ uitspraken. De rechtspraak is die onafhankelijke, onpartijdige instantie die – als het echt niet anders kan – een moeilijke beslissing moet nemen over moeilijke regels. Beslissingen die door hun onderliggende complexiteit vaak weinig meer met individueel gevoelde rechtvaardigheid te maken hebben.[8]

De rechtsstaat kun je deels dejuridiseren, maar in zijn hart gelukkig niet.

Koester de rechtsspraak. Behandel hem met eerbied. Voed hem met aandacht én middelen. Zodat hij de nokia van de toekomst kan worden. Betrouwbaar en toch modern.


[1] Lees hier de toespraak die de minister hield in april 2018.

[2] 38% van de Nederlandse bevolking komt in aanmerking voor een toegevoegde advocaat of mediator, waarbij de overheid een (groot) deel van de kosten betaalt. Bron: monitor gesubsidieerde rechtsbijstand 2017, Raad voor Rechtsbijstand.

[3] Brief van de Minister d.d. 9 november 2018 aan de Tweede Kamer inzake Contouren herziening stelsel gefinancierde rechtsbijstand, hier te downloaden:  herziening-stelsel-gefinancierde-rechtsbijstand-2018.pdf (172 downloads)

[4] De minister noemt dit als voorbeeld in zijn toespraak van 9 november 2018:

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/toespraken/2018/11/09/toespraak-minister-dekker-bij-presentatie-modernisering-rechtsbijstand

[5] We moeten wel kritisch blijven kijken naar wat wel resp. niet via het internet door mensen zelf kan worden opgelost. Dat de meeste mensen juridisch zelfredzaam zijn, is natuurlijk een illusie, gezien de complexiteit van de regelgeving.

Over de online echtscheidingsplatforms: uit eigen waarneming en die van collega’s weet ik hoe mis dat kan gaan. De brokken kunnen vervolgens worden opgeruimd door de advocatuur, doorgaans tegen het (belachelijk lage) toevoegingstarief.

[6] In de plannen staat dat deze groep een kostendekkende bijdrage gaat betalen (en zodoende dus geen commercieel advocatentarief hoeft te betalen).

[7] Elke advocaat (ik vermoed: ook rechter) zit met smart te wachten op het moment dat er digitaal geprocedeerd kan worden en natuurlijk zullen we straks nog meer geholpen worden door apps en algoritmes.

[8] Ons gevoel voor rechtvaardigheid werkt goed in eenvoudige structuren waar de variabelen bekend zijn. Het is niet toegerust op het appreciëren van uitkomsten van ingewikkelde afwegingen of algoritmes.

Eigen woning bij scheiding: ex krijgt financiering niet rond

15 november 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Eigen woning bij scheiding: ex krijgt financiering niet rond

Ex krijgt financiering woning niet rond

Een veel voorkomende situatie: een getrouwd stel is samen eigenaar van een woning en de hypotheek staat op beider naam. Er komt een scheiding. Een van hen, stel de man, wil na de scheiding de woning overnemen. Voor zo’n overname is nodig dat zijn ex wordt ‘uitgekocht’ en dat de man de volledige hypotheek overneemt.

Ze zijn het samen helemaal eens, maar helaas lukt het de man niet, althans niet op korte termijn, de benodigde financiering bij de bank te krijgen. Verkoop van de woning is geen optie, bijvoorbeeld vanwege een forse onderwaarde, of ongewenst om andere redenen.

De vraag is, wat dan?

Zaak uit de praktijk

In de zaak waarover het hof ’s-Hertogenbosch recent moest oordelen, hadden de scheidende partijen ervoor gekozen de woning tegen een bepaalde waarde toe te delen aan de man, onder de voorwaarde dat hij alle woonlasten zou gaan betalen en onder de verplichting dat hij zou proberen de hypotheek volledig op zijn naam te krijgen. Dat laatste moest hij jaarlijks laten zien aan de vrouw. Voor het geval het hem niet mocht lukken de hypotheek over te nemen, zou hij de vrouw volledig vrijwaren voor alle aanspraken in verband daarmee. De afspraken legden ze vast in een echtscheidingsconvenant.

“Aan de man zal worden toegescheiden de woning aan [perceel] te [plaats] . Het appartement/woning is op 25 september 2012 getaxeerd door de taxateur (…) en deze bepaalde de executiewaarde op 190.000,– en de marktwaarde op € 225.000,–. Partijen gaan uit van een waarde van € 210.000,–. Op de woning rust een hypotheek van € 200.000,– (…) genomen door de Direktbank N.V. (…). Voormeld appartement/woning zal aan de man worden toegescheiden onder de voorwaarde en de verplichting voormelde hypothecaire lening als eigen lening te voldoen terwijl de man ook zal trachten om te bewerkstelligen dat Direktbank N.V de vrouw uit de verplichtingen welke uit voormelde hypothecaire lening voortvloeien zal ontslaan. De man verplicht zich jaarlijks voor 1 december schriftelijk de vrouw mededeling te doen met berichtgeving van de Direktbank of het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (…) wordt verleend. Als het vorenstaande niet lukt dan verbindt de man zich jegens de vrouw om de vrouw te vrijwaren voor de verplichtingen welke voortvloeien uit de onderhavige hypothecaire lening. De lening komt alsdan geheel voor rekening en risico van de man en de man verbindt zich om alle verplichtingen met betrekking tot de lening na te komen. (…)”

Vier jaar na de scheiding is de vrouw nog steeds niet ontslagen uit haar hypothecaire verplichtingen. De man betaalt weliswaar keurig de hypotheeklasten, maar heeft niets laten zien van zijn inspanningen jegens de bank. De vrouw wil af van haar hoofdelijke aansprakelijkheid en stapt naar de rechter.

Tijdens de procedure toont de man aan dat hij de woning nog steeds niet kan overnemen. De vrouw vindt dat het convenant niet voorziet in die situatie en eist dat de woning in dat geval verkocht moet worden. Ze stelt ook last te hebben van haar aansprakelijkheid voor de hypotheek, omdat ze geen lening voor een autootje kan krijgen. De man is, blijkt uit de casus, niet ver verwijderd is van zijn pensionering (mogelijk reden voor de bank niet scheutig te zijn met financiering?) en de vrouw heeft een bijstandsuitkering.

Rechtbank en hof oordelen hetzelfde

De vrouw vangt bot, zowel bij de rechtbank als het hof, die gelijkluidend oordelen. De woning blijft van de man en hoeft niet te worden verkocht, ondanks dat de vrouw – mogelijk tot in lengte der dagen – hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypotheek. Volgens het hof hebben man en vrouw uitdrukkelijk voorzien in de situatie dat de man de financiering niet rond kon krijgen. In dat geval zou hij de vrouw vrijwaren. Ze hadden ook kunnen afspreken dat de woning in die situatie zou moeten worden verkocht, maar die keuze hebben ze niet gemaakt.

R.o. 6.8.2: “In het convenant is immers uitdrukkelijk in de situatie voorzien dat het [geïntimeerde] niet zou lukken [appellante] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor dat geval verplicht [geïntimeerde] zich namelijk jegens [appellante] om haar te vrijwaren voor de verplichtingen welke voortvloeien uit de hypothecaire geldlening bij de Direktbank. Een andersluidende keuze, namelijk verkoop aan een derde, is daarbij niet gemaakt.”

De vrouw doet nog een beroep op de (beperkende) werking van de redelijkheid en billijkheid, maar ook dat helpt haar niet. De man betaalt de hypotheeklasten keurig op tijd en de vrouw heeft niet aangetoond dat zij geen lening voor een auto kan krijgen en dus werkelijk last heeft van haar aansprakelijkheid.

Zuur maar begrijpelijk

Tja. Een begrijpelijke uitspraak. De afspraken zijn helder en, voor zover de uitspraak laat zien, is er niets bijzonders aan de hand waardoor aan die afspraken moet worden getornd.

Toch wringt hier natuurlijk wel iets. De man heeft de woning toegedeeld gekregen, maar de vrouw blijft – wie weet voor hoe lang – aansprakelijk voor de hypotheekschuld. Een voor de vrouw potentieel risicovolle situatie. Want wat gebeurt er wanneer de man onverhoopt toch niet kan betalen? En misschien zelfs forse schulden blijkt te hebben? Wat als de man een nieuwe partner krijgt en in gemeenschap van goederen trouwt? Wat als hij onverhoopt zou komen te overlijden, misschien wel met achterlating van schulden? Een vrijwaring klinkt mooi, maar moet wel kunnen worden waargemaakt.

In deze casus had de overdracht van de woning nog niet plaatsgevonden, maar dat had ook anders kunnen zijn. De man zou die overdracht in beginsel kunnen afdwingen, omdat de woning in het convenant aan hem is toebedeeld.

We weten niet waarom partijen deze constructie hebben gekozen. Misschien was de verwachting dat het de man wel zou lukken om snel de financiering rond te krijgen. Misschien wilden ze de volledige hypotheekrenteaftrek van de man veiligstellen. Of speelden andere, persoonlijke overwegingen een rol. Hoe dan ook, deze constructie lijkt vooral in het voordeel van de man te zijn.

Zijn er andere opties?

In dit soort gevallen kunnen de ex-partners ook kiezen voor de optie de woning voor een bepaalde periode onverdeeld te laten. Volgens de wet kan dat voor maximaal vijf jaar, in overleg te verlengen met telkens weer maximaal vijf jaar. Achterliggende gedachte is dat er altijd een moment moet komen, dat een van beiden verdeling kan eisen.

Artikel 3:178 lid 5 BW: Zij die bevoegd zijn verdeling te vorderen, kunnen hun bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst, telkens voor ten hoogste vijf jaren, uitsluiten. De leden 3 en 4 van artikel 168 zijn op een zodanige overeenkomst van overeenkomstige toepassing.

Een van de ex-partners krijgt dan het alleengebruik van de woning heeft en betaalt daartegenover alle of in elk geval een groot deel van de woonkosten dragen. Het is belangrijk om per kostensoort duidelijke afspraken te maken – denk aan gebruikerslasten, hypotheekrente en aflossing, gemeentelijke belastingen, verzekeringen, klein en groot onderhoud – dit om latere discussie bij verdeling van de woning te voorkomen.

Eventueel kunnen partijen afspreken dat degene die in de woning woont jaarlijks, aantoonbaar, moet proberen om de woning over te nemen. En dat degene goed voor de woning moet zorgen.

Belangrijk is dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over wat er moet gebeuren aan het einde van een periode van onverdeeldheid. Moet de woning dan sowieso verkocht worden? Of kan de periode – onder bepaalde voorwaarden – worden verlengd? Of laten partijen dit bewust open?

Essentieel is aan deze constructie is dat partijen samen eigenaar blijven van de woning en de vertrekkende partij wat dat betreft dus geen rechten prijsgeeft.

Haken en ogen

Natuurlijk heeft ook deze constructie haken en ogen.

Om te beginnen blijft de vertrekkende partner hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek en kan dus, bij onverhoopte wanbetaling van de ander, door de bank worden aangesproken. Hij of zij zal wegens deze aansprakelijkheid doorgaans zelf geen financiering voor een woning kunnen krijgen.

Wat soms wordt vergeten is dat de helft van de eventuele overwaarde van de onverdeelde woning, meetelt in box 3 voor de inkomstenbelasting en zodoende kan leiden tot een rendementsheffing of consequenties kan hebben voor de aanspraak op toeslagen.

Niet onbelangrijk is ook dat twee jaar nadat de vertrekkende partner de woning heeft verlaten, zijn of haar aandeel in de hypotheekrente niet meer fiscaal aftrekbaar is.

Scheiden is maatwerk

Scheiden is en blijft maatwerk. In de toekomst kijken kunnen we (gelukkig) niet, maar het is wel zaak om bij het maken van het convenant zoveel mogelijk scenario’s door te nemen.

Stel vooral wat-als-vragen. Wat als de ex-partner de woning toch niet kan overnemen? Op die manier ontstaan afspraken die hopelijk tijdsbestendig zijn.


 

Wet Herziening Partneralimentatie: stand van zaken

17 juni 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Wet Herziening Partneralimentatie: stand van zaken

Twaalf wordt vijf jaar

Eindelijk weer een stap in een lang, lang proces. Na ruim een jaar radiostilte is het oorspronkelijke wetsvoorstel om de partneralimentatie ingrijpend te wijzigen, opnieuw vereenvoudigd. De Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer is onderaan deze pagina te downloaden.

Het voorstel is teruggebracht tot één eenvoudige maatregel: de maximale alimentatieduur gaat van twaalf naar vijf jaar.

Vijf jaar tenzij …

Er zijn twee uitzondering op de hoofdregel van maximaal vijf jaar.

Ten eerste. Bij huwelijken die langer hebben geduurd dan vijftien jaar en waarbij alimentatiegerechtigde maximaal tien jaar is verwijderd van de aow-gerechtigde leeftijd, duurt de alimentatieplicht tot aan het bereiken van die leeftijd met een maximum van tien jaren.

Ten tweede. Als de echtgenoten jonge kinderen hebben, duurt de alimentatieplicht totdat het jongste kind twaalf jaar is. Of als dit korter is dan vijf jaar, uiteraard vijf jaar.

Alle andere wijzigingsvoorstellen – zoals het veranderen van de berekeningssystematiek en de ‘proefperiode’ voor samenwoners – zijn vervallen.

Nieuwe regels en ‘oude’ gevallen

Wat wel is gebleven: voor ‘oude’ gevallen blijven de huidige regels gelden. Ofwel: wie is gescheiden vóórdat de nieuwe regels gaan gelden, is gebonden aan de oude regels en moet dus maximaal twaalf jaar alimentatie betalen.

Wanneer weten we zeker of de nieuwe regels gaan gelden?

Het wetsvoorstel is in behandeling bij de Tweede Kamer. Op 27 juni 2018 wordt het voorstel plenair behandeld; een tweede plenaire behandeling zal plaatsvinden na het zomerreces. Als de Tweede Kamer het voorstel aanneemt, gaat het naar de Eerste Kamer. Hoe lang dit allemaal gaat duren, valt niet te zeggen.

Zie hier onze eerdere blogs over dit onderwerp.

Nota-n.a.v.-het-verslag-Wet-herziening-partneralimentatie.pdf (216 downloads)
alimentatie

Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

14 april 2018 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Samenwonen zonder contract: een spannende zaak

Samenwonen zonder contract

Vaak zal het niet voorkomen: twee mensen die jarenlang samenwonen, samen een woning kopen en kinderen krijgen, zónder iets te regelen over hun samenleving. Toch gebeurt het. Zolang de liefde duurt, is er weinig aan de hand. Maar wat als de liefde overgaat en er een scheiding komt? Dan kan het knap lastig worden. Er moet van alles worden verdeeld zonder dat daar afspraken over zijn. Als zo’n zaak – niet verwonderlijk – bij de rechtbank belandt, is het aan de rechter om een open vlakte te bewegwijzeren.

Een ronduit spannende taak, getuige de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 6 maart 2018. Wat we zien langskomen zijn tere maar mooie constructies, zoals de stilzwijgende afspraak en de natuurlijke verbintenis. En bovenal vraag je je als lezer automatisch af: heeft de rechter het goed gedaan? Want wat is in deze rechtvaardig?

De casus: wie krijgt wat?

Een man en vrouw gaan na een relatie van achttien jaar uit elkaar. Ze hebben drie kinderen. De vrouw is na de geboorte van de kinderen gestopt met werken en zorgt fulltime voor het gezin. De man is kostwinner. Ze wonen in een huis dat ze samen hebben gekocht. Het huis is betaald met spaargeld van de man, te weten € 350.000,- en een hypotheek (op beider naam) van € 350.000,-. Bij de hypotheek hoort een spaarpolis, ook op beider naam. De man heeft als kostwinner altijd de woonlasten betaald, waaronder de premie voor de spaarpolis.

En dan komt er een scheiding en moet de woning worden verdeeld. De man wil er blijven wonen en wil dus de helft van de vrouw overnemen. De woning is op dat moment € 550.000,- waard en in de spaarpot zit € 50.000,-. Op de hypotheek is niet afgelost. Ik heb voor het leesgemak ronde bedragen gekozen, de bedragen in de echte casus zijn anders.

Grote vraag: hoe gaat de verdeling er financieel uitzien? Dit koppel heeft namelijk niets geregeld over hun samenleving. Ze zijn niet getrouwd, er is geen partnerschap, er is geen samenlevingscontract, geen testament, helemaal niets. Ze hebben zelfs geen gemeenschappelijke bankrekening.

De stellingen: lijnrecht tegenover elkaar

De stellingen van de man en de vrouw staan diametraal tegenover elkaar. De man zegt: wij hebben bewust niks geregeld en onze financiën altijd gescheiden gehouden. Ik wil dat mijn ex alsnog haar helft van de spaarpolis inlegt, te weten € 25.000,-. Ik wil ook mijn investering in de woning terug, het is immers míjn spaargeld. Omdat er dan per saldo een ‘onderwaarde’ resteert van € 100.000,- (hypotheek plus investering minus waarde woning plus spaarpolis) moet mijn ex mij ook de helft daarvan betalen: € 50.000,- dus.

De vrouw is een heel andere mening toegedaan. Zij zegt: wij hebben de taken verdeeld, ik heb altijd voor de kinderen gezorgd, terwijl mijn ex geld kon verdienen. We hebben het huis niet voor niets samen aangekocht. We hebben daarmee stilzwijgend afgesproken dat de spaarpolis voor de helft van mij is, net als de overwaarde van de woning (waarde woning minus hypotheek). Mijn ex moet mij dus € 125.000,- betalen. Hij is dat ook op grond van een natuurlijke verbintenis verplicht: ik moet na de scheiding met de kinderen immers ook een onbezorgde toekomst hebben.

De uitspraak: hof en rechtbank oordelen verschillend

Voordat u verder leest: bedenk eens wat u zou beslissen als u als de rechter was. Wat is redelijk in dit geval? Moet de man delen met de vrouw, omdat hij geld verdiende terwijl zij thuisbleef om voor de kinderen te zorgen? Of omdat het huis op beider naam staat? Of klopt dat niet in deze situatie, waarin niets officieel is geregeld?

Dan de uitspraak.

In eerste instantie krijgt de vrouw van de rechtbank volledig gelijk. De man moet de helft van de overwaarde, inclusief de spaarpot, met de vrouw delen. De motivering kennen we helaas niet, want de uitspraak is niet gepubliceerd.

Maar … de man gaat in hoger beroep. En met succes, want het gerechtshof Den Bosch is het grotendeels met de rechtbank oneens. Het hof beslist in uitgebreid gemotiveerde stappen.

De spaarpot

Allereerst over de spaarpolis. De man had de premies betaald van zijn inkomen. Het hof vindt dat, aangezien de vrouw voor de kinderen zorgde en de man inkomen genereerde, zij stilzwijgend hebben afgesproken dat de man de premies zou betalen. Zonder dat hij later alsnog de helft van de vrouw zou kunnen opeisen.

Het Hof: “In die omstandigheden moet van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst worden uitgegaan die inhoudt dat tegenover de geldelijke meer-inbreng van de man (inkomen) de niet-geldelijke meer-inbreng van de vrouw (arbeid) staat, waarbij partijen elkaar ter zake niets meer verschuldigd zijn.”

De investering

Vervolgens komt de investering van de man aan bod. Investeren met privévermogen is echt iets anders dan inkomensbesteding, aldus het hof. De stilzwijgende afspraak dat de man inkomen en de vrouw arbeid inbrengt, kan niet zover worden opgerekt dat de man ook zijn geïnvesteerde vermogen met de vrouw zou moeten delen. Er is ook geen natuurlijke verbintenis die de man daartoe verplicht. Het hof leidt dat vooral af uit het feit dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, dat ook de vrouw vermogen kon opbouwen en last but not least dat partijen niets hadden geregeld waaruit je een wederzijdse verzorgingsgedachte zou kunnen afleiden (testament, nabestaandenpensioen of samenlevingsovereenkomst).

Het hof (r.o. 4.3): “De vrouw beroept zich erop dat zij na het einde van de relatie een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan. Het is het hof onduidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt (maar het lijkt haar daarbij vooral te gaan om het afwenden van het gevaar van een restschuld), maar ook verder, in het licht van de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, ook de vrouw vermogen heeft kunnen opbouwen en een verzorgingsgedachte ontbrak in de door de man betoogde zin (geen testament, geen nabestaandenpensioen, geen samenlevingsovereenkomst), is onvoldoende gebleken van het bestaan van een natuurlijke verbintenis.”

De verdeling

Geen stilzwijgende afspraak dus en ook geen natuurlijke verbintenis. Maar hoe moet er dan verdeeld worden? Volgens het hof heeft de man recht op teruggaaf van zijn volledige investering. Het verwijst daarvoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 2006 (Hoge Raad 21 april 2006).

Dat arrest ging – net als hier – over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap: een woning. Beide deelgenoten hadden met privévermogen geïnvesteerd in de woning, maar met verschillende bedragen. De Hoge Raad besliste: beiden hebben eerst recht op teruggaaf van hun investering, vervolgens hebben ze allebei recht op de helft van de overblijvende overwaarde (en dus niet op een deel naar rato van hun privé-investering). Kortom, ieder krijgt eerst zijn/haar eigen geld terug en de resterende overwaarde wordt daarna fiftyfifty gedeeld.

In onze casus heeft de man echter € 350.000,- geïnvesteerd, terwijl de overwaarde van de woning slechts € 250.000,- bedraagt. Zijn investering is dus verliesgevend. Moet de vrouw nu opdraaien voor de helft van dat verlies? Als je de lijn van Hoge Raad 2006 zou volgen: ja, want was er winst geweest, had de vrouw recht gehad op de helft, dus moet ze ook fiftyfifty delen in het verlies.

Edoch, hier behoedt het hof de vrouw voor een fikse restschuld door te oordelen dat het delen van winst niet hetzelfde is als het delen van verlies. Dat verlies moet de man helemaal zelf nemen en kan hij niet (deels) afwentelen op de vrouw. Het is immers de man die, zonder dat hij daarover afspraken heeft gemaakt met de vrouw, heeft geïnvesteerd met privévermogen. En dus moet hij het risico daarvan dragen.

Het hof: “Het gaat niet aan dat de man het risico van zijn investeringen zonder meer, zoals hij wenst, kan afwentelen op de vrouw. Naar zijn eigen stelling hebben partijen bewust voor een ongereguleerde vorm van samenleving gekozen en hebben zij hun financiën altijd gescheiden gehouden. De man heeft dus ook afgezien van de in samenlevingsovereenkomsten wel gebruikelijke clausule dat bij een woning die op beider naam wordt gesteld degene die meer heeft bijgedragen dan de andere deelgenoot, een vorderingsrecht heeft op die andere deelgenoot ten bedrage van de helft van het verschil […]. Met die clausule had de man kunnen bewerkstelligen dat beide deelgenoten ieder voor de helft meedoen in de waarde-schommeling (niet alleen winst, maar ook verlies) van het goed. Dat hij dit niet gedaan heeft, maar gekozen heeft voor, in zijn woorden, ongereguleerd samenwonen, komt dan voor zijn rekening en risico.”

De man hoeft van het hof ook niet de spaarpolis met de vrouw te delen. Het hof vindt dat een logisch gevolg van het feit dat de man recht heeft op teruggaaf van zijn investering.

Slotsom: de man krijgt de woning zonder dat de een iets aan de ander hoeft te betalen.

Is er recht gedaan?

Is hier recht gedaan? Daar kun je verschillend over denken, getuige de uitkomsten bij rechtbank respectievelijk hof.

Wat vindt u? Heeft het hof het goed gedaan?

Ik denk: ja, grotendeels wel. Het onderscheid tussen inkomen (stilzwijgende afspraak) en vermogen (blijft privé) lijkt in dit geval eerlijk. Wellicht was dat anders wanneer de man had geïnvesteerd met geld dat hij tijdens de samenleving had kunnen sparen van zijn salaris. Maar dat was niet zo, leid ik af uit de uitspraak.

De overweging van het hof dat delen in de winst niet betekent dat er ook in het verlies moet worden gedeeld, heeft iets weg van een doelredenering. Want normaal gesproken gaat die redenering bij investeringen natuurlijk niet op. Maar het hof heeft die redenering nodig om weg te blijven bij de (consequenties van de) uitspraak van de Hoge Raad uit 2006, waarin besloten lijkt te liggen dat investeren met ongelijke delen recht geeft op een gelijke winst- resp. verliesverdeling. Doelredenering of niet, de uitkomst ervan is goed.

Er is wel één punt waarover wat mij betreft anders had moeten worden geoordeeld: de spaarpot die bij de hypotheek hoorde. Waarom moet de man daarvan niet de helft aan de vrouw betalen? Waarom mag hij het verlies uit zijn investering compenseren met haar helft van de spaarpot? De man bracht zijn inkomen in, de vrouw haar arbeid. Het deel van het inkomen dat in de spaarpolis werd gestort, komt nu alsnog volledig bij de man terecht. Op die manier mag hij toch een stukje van het verlies op zijn investering op haar afwentelen. Is dat eerlijk? Ik denk: nee.

De slotregel van deze blog laat zich raden. Zorg dat je je samenleving goed regelt, vooral als je samen kinderen krijgt!


Gerechtshof ‘s Hertogenbosch 6 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:886

Alimentatie en toeslagen: een f(r)ictie

16 februari 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Alimentatie en toeslagen: een f(r)ictie

De toeslagenfictie

Alles went, zeggen ze, als het maar lang genoeg duurt. Toch is dat niet altijd zo, sommige dingen blijven schuren.

Neem de regel dat huur- en zorgtoeslag niét meetellen bij het berekenen van de behoefte bij partneralimentatie. Ergens in de vorige eeuw besloot ons hoogste rechtscollege dat het zo moest [i]. Dus wordt het zo gedaan, intussen al 23 jaar, en zijn de rekenprogramma’s erop ingesteld.

En toch … dat schurende gevoel.

Ik denk dat elke advocaat die alimentatiezaken doet, het wel herkent: tegenover je zit een cliënt – meestal een man – die niet begrijpt dat de toeslagen die zijn ex ontvangt, worden weggegumd bij het berekenen van partneralimentatie.

Niet vanzelfsprekend

Dat deze toeslagenfictie inderdaad niet zo vanzelfsprekend is, bleek onlangs weer toen een gerechtshof – ongevraagd nog wel – de toeslagen wél meetelde als eigen inkomen van de vrouw [ii]. De zaak belandde bij de Hoge Raad. De die volstond met herhalen wat hij 23 jaar geleden ook zei: nee, zo moet dat niet.

De Hoge Raad overwoog (HR 22-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3266, r.o. 3.3.2): “De klacht is gegrond. Bij huur- en zorgtoeslag is sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage buiten beschouwing moet blijven bij het vaststellen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan een uitkering tot levensonderhoud op de voet van art. 1:157 BW (zie HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, NJ 2017/303, rov. 3.4.2 en HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1632, NJ 1995/291.)”

Maar waarom? Hoe kan het dat toeslagen aan de kant van de ontvanger niét en aan de kant van de betaler wél meetellen als inkomen?

Toeslagen, wat zijn dat?

Mensen met een relatief laag inkomen en vermogen hebben recht op een bijdrage van de overheid in de kosten van huren (huurtoeslag), de zorgverzekering (zorgtoeslag) en de kinderen (o.a. kindgebonden budget). Toeslagen zijn gerelateerd aan het inkomen: hoe meer iemand verdient, hoe lager de toeslag. Boven een bepaald inkomen is er geen recht meer op een toeslag. Die grens verschilt per toeslagsoort. Er gelden ook vermogensgrenzen.

In dit blog kijk ik naar de huur- en zorgtoeslag. Het kindgebonden budget kent sinds kort een vergelijkbare problematiek, lees het blog Alimentatie, minidrama in vogelvlucht.

Toeslagen van de alimentatieontvanger

Drieëntwintig jaar geleden moest de Hoge Raad beslissen over de vraag of de huurtoeslag meetelde als inkomen van degene die aanspraak maakt op partneralimentatie. Een ‘ja’ leek best logisch: toeslagen verhogen immers het inkomen en verlagen zodoende de behoefte aan alimentatie.

Maar de Hoge Raad zei: nee, zo moet dat niet.

De kern van de motivering is eenvoudig. Toeslagen zijn inkomensafhankelijk en bedoeld om dat inkomen aan te vullen. Partneralimentatie is een vorm van inkomen en telt dus mee bij de aanspraak op toeslagen [iii]. Hoe hoger dus de partneralimentatie, hoe lager de toeslag. En omdat toeslagen subsidiair zijn – ze zijn bedoeld om het inkomen zo nodig aan te vullen – is het niet de bedoeling dat de overheid opdraait voor kosten die ook door de alimentatiebetaler kunnen worden. Dit doel bereik je door de partneralimentatie te berekenen zonder rekening te houden met toeslagen.

Oké, de achterliggende gedachte snap ik.

Maar in de praktijk kan dit tot uitkomsten leiden die voor ons gevoel niet kloppen. Dat zijn met name de gevallen waarbij 1) de aanspraak op partneralimentatie het recht op toeslagen niet aantast en 2) deze toeslagen, zou je ze wél meetellen, de huwelijksgerelateerde behoefte van de alimentatiegerechtigde (deels) overstijgen.

Voorbeeld 1: Piet en Marie

Een voorbeeld op basis van de Trema-normen. Piet en Marie – dertigers – zijn dit jaar gescheiden. Ze hebben één kind dat na de scheiding bij Marie is gaan wonen. Piet heeft voor en na de scheiding een jaarinkomen van € 33.000 bruto. Marie werkt parttime, tijdens het huwelijk verdiende ze € 10.000 per jaar. In de aanloop naar de scheiding heeft ze haar uren kunnen uitbreiden; ze verdient nu € 15.000 bruto per jaar. Ze krijgt als alleenstaande ouder een maandelijks kindgebonden budget van € 354.  Bij een zorgkorting van 25% moet Piet € 205 per maand kinderalimentatie betalen.

Daarnaast heeft hij nog een beetje ruimte voor partneralimentatie. Marie heeft een huurwoning gevonden en betaalt € 600 huur per maand. Piet heeft de echtelijke woning met de hypotheek van € 200.000 overgenomen; zijn bruto rentelasten zijn € 666 per maand. Beiden betalen € 135 zorgpremie per maand. We gaan rekenen met de hofnorm – de bruto behoefte van Marie is dan € 664,– per maand. We houden geen rekening met toeslagen aan de kant van Marie. De partneralimentatie komt dan uit op € 240,– bruto per maand, dat is wat Piet maximaal kan betalen.

Maar … in werkelijkheid krijgt Marie bij deze partneralimentatie wel degelijk huur- en zorgtoeslag, te weten € 309 resp. € 94 maand. Zou je deze meetellen als eigen inkomen bij Marie en de partneralimentatie opnieuw berekenen (het zgn. lussen), dan wordt de alimentatie nul – de toeslagen dekken hier de volledige behoefte – terwijl Marie’s aanspraak op toeslagen gelijk blijft! Bij Piet zie je dat zijn zorgtoeslag (die aan zijn kant wel meetelt, zie hierna) zo’n € 30,– lager zou worden als hij geen alimentatie zou betalen, maar dat verlies is veel kleiner dan wat hij qua alimentatie zou winnen.

Piet vindt het niet eerlijk. En dat begrijp ik wel. Zéker als je bedenkt dat Marie een kindgebonden budget van € 354,– per maand ontvangt, terwijl haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen € 114,– per maand bedraagt. Want ook dit surplus telt niet mee als inkomen aan de kant van Marie (zie Hoge Raad 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273).

Voorbeeld 2: Bas en Ingrid

Nog een voorbeeld. Bas en Ingrid zijn een paar jaar geleden gescheiden. Ze hebben drie kinderen die intussen 13, 15 en 17 jaar zijn. Bas had destijds een inkomen van € 45.000 bruto per jaar. Ingrid zorgde voor de kinderen. Bas heeft een promotie gemaakt en verdient nu € 55.000 per jaar. Ingrid is parttime gaan werken en verdient nu € 16.000 per jaar. Ze krijgt een kindgebonden budget van € 534,– per maand. Eenmaal per twee weken zijn de kinderen een weekend bij Bas. Hij moet dan een kinderalimentatie betalen van € 495,– per maand.

Ook hier heeft Bas nog een beetje ruimte voor partneralimentatie. Ingrid huurt een woning voor € 700,– per maand. Piet heeft een eigen huis en betaalt voor de hypotheek € 800,– rente en € 200,– aflossing per maand. Beiden betalen € 135,– zorgpremie per maand. De bruto behoefte van Ingrid op basis van de hofnorm is € 323,–. Als we zonder toeslagen aan de kant van Ingrid rekenen, komt de partneralimentatie uit op € 319,– bruto per maand. Maar Ingrid krijgt wel degelijk toeslagen, namelijk € 337,– huurtoeslag en € 94,– zorgtoeslag.  Tel je deze wel mee als inkomen van Ingrid, komt de partneralimentatie uit op nul en ook hier heeft dat géén invloed op Ingrids aanspraak op toeslagen.

De pijn qua kindgebonden budget is in dit geval nog een stukje groter. Ingrid krijgt € 534,– kgb per maand terwijl haar eigen aandeel in de kosten van de kinderen € 148,– is: een surplus van maar liefst bijna vierhonderd euro dat niet meetelt als inkomen.

Hieronder [iv] staan de berekeningen voor Piet/Marie en Bas/Ingrid, gemaakt met het alimentatierekenprogramma Split-online.

Een voorbeeld uit de praktijk

Dat ook de praktijk niet altijd Hoge Raad-proof werkt, laat de uitspraak Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 29-10-2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4355 (r.o. 3.6.3) zien. Alweer een gerechtshof dat de toeslagen van de vrouw gewoon meetelde waardoor de alimentatie op nul uitkwam.

“Het hof constateert evenwel dat de vrouw in haar behoeftelijstje geen rekening heeft gehouden met de bedragen die zij aan toeslagen ontvangt. Uit de voorschotbeschikking toeslagen 2015 blijkt dat aan de vrouw een zorgtoeslag is toegekend van € 942,= per jaar (€ 78,50 per maand) en een huurtoeslag van € 3.173,= per jaar (€ 264,= per maand). Zoals ter zitting met partijen besproken, dienen de toeslagen die de vrouw ontvangt – omgerekend gemiddeld € 343,= per maand – in mindering te worden gebracht op haar behoefte, hetgeen tot gevolg heeft dat de behoefte van de vrouw volledig wordt gedekt door haar eigen inkomsten en de toeslagen die zij ontvangt.” 

Wat hier gebeurt gaat een stap verder dan de berekeningen in de fictieve voorbeelden. Hier worden de toeslagen zónder alimentatie als startpunt genomen. In de voorbeelden hierboven is het omgekeerd, daar is de alimentatie zonder toeslagen uitgangspunt en wordt er vervolgens gelust. Voor de uitkomst kan dat uiteraard (een groot) verschil maken.

Toeslagen van de alimentatiebetaler

Toeslagen die de alimentatiebetaler zelf ontvangt, tellen wél mee bij het berekenen van diens draagkracht, zie HR 07-07-2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, r.o. 3.4.3 laatste zin.

“In zoverre onderscheidt het kindgebonden budget zich van bijvoorbeeld huurtoeslag (ten aanzien waarvan de Hoge Raad in zijn beschikking van 27 januari 1995 heeft overwogen dat dit bij de alimentatieplichtige tot het inkomen dient te worden gerekend) (…)”

Maar is dat niet gek? Strookt dat wel met het uitgangspunt van de Hoge Raad dat de overheid zo min mogelijk moet betalen? Ook hier geldt immers dat er sprake is van elkaar wederzijds beïnvloedende variabelen: hoe hoger de partneralimentatie, hoe lager het inkomen, hoe hoger de aanspraak op toeslagen etc.

Weer een getallenvoorbeeld. Jan en Anne zijn een paar jaar geleden gescheiden, hun kinderen zijn het huis uit. Jan verdient beneden modaal, zo’n € 26.000,– per jaar. Anne had tijdens het huwelijk een kleine parttime baan (€ 6.000,– per jaar) en heeft nu twee parttime banen (in totaal € 15.000,– bruto per jaar).  Na de scheiding wonen ze allebei gehuurd. Jan betaalt € 650,– en Anne € 500,– huur per maand. Een berekening laat zien dat Jan volledig in de behoefte van Anne (€ 551,–  bruto per maand) kan voorzien, indien hij € 239,- huurtoeslag en € 94,–  zorgtoeslag per maand ontvangt. Anders gezegd: doordat Jan partneralimentatie betaalt, krijgt hij recht op toeslagen, terwijl die toeslagen op hun beurt zijn meegeteld voor het berekenden van de alimentatie (kip-ei). Anne zelf krijgt ook toeslagen, nl. € 88 huurtoeslag en € 82 zorgtoeslag, maar aan haar kant tellen die dus niet als inkomen.

Als je eventuele toeslagen van Jan niét zou meetellen bij het berekenen van de partneralimentatie, krijg je een ander plaatje. De alimentatie komt dan lager uit, op € 257,– bruto per maand, Jan heeft geen recht op huurtoeslag en slechts op € 67,– zorgtoeslag. Per saldo gaat Jan er bij deze methode dus netto op achteruit. Hetzelfde geldt voor Anne, zij krijgt weliswaar wat meer toeslagen maar het verlies aan alimentatie is groter.

Het is dus de overheid die bij de eerste methode de verliezer is: Jan en Anne krijgen in die situatie samen ca. € 150 per maand méér aan toeslagen dan wanneer de alimentatie zou berekenen zonder toeslagen aan Jans kant.

Een situatie als deze zal in de praktijk misschien niet vaak voorkomen, maar illustreert wel dat de beslissing van de Hoge Raad tot merkwaardige gevolgen kan leiden.

Hieronder [v] staan de berekeningen voor Jan en Anne.

De omvang van het probleem

Wanneer kan de fictie van de huur- en zorgtoeslag nou echt tot frictie leiden zoals bij Piet/Marie en Bas/Ingrid? Niet heel vaak, denk ik. Vermoedelijk is in de meeste situaties de behoefte aan alimentatie (veel) groter dan draagkracht, zodat het niet uitmaakt of je de toeslagen wel of niet meetelt. De draagkracht is dan sowieso nodig om de behoefte in te vullen. Soms ook zal de alimentatie het inkomen van de ontvanger zodanig ophogen, dat de aanspraak op toeslagen volledig verdwijnt.

Sèc kijkend naar de huur- en zorgtoeslag zal de ‘pijn’ dus wel meevallen. Maar dat wordt anders wanneer er daarnaast een behoorlijk surplus aan kindgebonden budget is. Er kan dan zomaar sprake zijn van in totaal zo’n € 600,– aan netto inkomen dat buiten de berekening wordt gelaten. Meer kans op frictie dus.

Jus

Voor de huur- en zorgtoeslag is er aan het einde van de streep een doekje voor het bloeden: deze tellen bij de jusvergelijking wél aan beide kanten mee, zodat de alimentatieontvanger uiteindelijk niet meer te besteden heeft dan de betaler. Zo gaat dat tenminste in de praktijk. Een uitspraak van de Hoge Raad waarin klip-en-klaar staat dat deze toeslagen mogen meetellen bij de jus, is er echter niet.

Dat is anders bij het kindgebonden budget: dat mag van de Hoge Raad niet mag meetellen bij de jus, omdat het volledig aan de kinderen ten goede moet komen en niet – via de jusverdeling – toch indirect aan de andere ouder[vi]. Voor de huur- en zorgtoeslag gaat dit argument m.i. niet op: daar kan een stukje toeslag van de alimentatiebetaler – via de jus of gewoon via de draagkrachtberekening – bij de ontvanger terecht komen. Dat ligt besloten in het uitgangspunt dat deze toeslagen meetellen bij het inkomen van de alimentatieplichtige. Ik zie geen reden waarom zou dat vice versa dan niet mogen. Blijft wel het principiële punt dat bij de jus gelust moet worden, wat in conflict kan komen met het uitgangspunt dat een lagere partneralimentatie niet mag leiden tot hogere toeslagen.

Eenmaal lussen?

De voorbeelden Piet/Marie en Bas/Ingrid laten zien dat een lusberekening kan leiden tot een lagere partneralimentatie, terwijl de toeslagen gelijk blijven. Je zou dus standaard tenminste één lusberekening kunnen uitvoeren. Je berekent eerst de alimentatie zonder rekening te houden met toeslagen (je kunt dat met het kgb ook doen). Vervolgens verlaag je de behoefte met de toeslagen die bij de berekende alimentatie horen. Als de alimentatie bij die nieuwe behoefte lager wordt, kijk je welke toeslagen bij dat lagere bedrag horen. Als vervolgens de aanspraak op toeslagen niet of nauwelijks wijzigt, is er geen argument meer om deze niet mee te tellen. De overheid komt immers niks tekort.

Of is dat te kort door de bocht, te casuïstisch? Is een situatie waarin toeslagen soms wel en soms niet meetellen niet ook ongewenst? En wat doe je wanneer de ene toeslag ongewijzigd blijft en de ander een stukje stijgt? En maken we het dan nóg ingewikkelder dan het al is?

De aloude conclusie dan maar? Dat het perfect rechtvaardige systeem niet bestaat? Dat schuurmomenten blijven.

Leven is schuren. Maar alimentatie-rekenen is ook maatwerk. Als ik Piets of Bas advocaat was zou ik beslist eens proberen … 🙂


Met dank aan Hanneke Moons en Albert Rozendal voor het meelezen en -denken.

Met dank aan Maarten de Mol van Otterloo die mij erop wees dat de berekeningen bij de eerdere versie van dit blog enkele fouten bevatten.

 

[i] HR 27-01-1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1632, NJ 1995/291 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl)

[ii] ECLI:NL:GHARL:2017:267

[iii] Kinderalimentatie is geen inkomen in de zin van de wet en heeft daarom geen invloed op de aanspraak op toeslagen. De toeslagen kunnen daar dus wel meetellen.

[iv] Piet en Marie 1 Piet_-_Marie_-_pal_zonder_T_; Piet en Marie 2 Piet_-_Marie_-_pal_met_T_; Bas en Ingrid 1 Bas_-_Ingrid_-_zonder_T; Bas en Ingrid 2 Bas_-_Ingrid_-_met_T.

[v] Jan en Anne 1 Jan_-_Anne_-_met_T_jan_zonder_T_anne; Jan en Anne 2 Jan_-_Anne_-_zonder_T_jan_zonder_T_anne_.

[vi] Zie de uitspraak van het Hof Den Haag van 6 december 2017 na de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad.

 

DE JONGEN

5 februari 2018 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor DE JONGEN

DE JONGEN

Er was eens een Jongen. Hij werd geboren in het interbellum, in een uithoek van het land.

Zijn ouders waren boeren. Ze hadden het niet breed. Tien koeien en wat kippen. Het was een hard geploeter op het land. Vijf monden hadden ze te voeden, de Jongen had één zuster en drie broers.

Twee broers waren driftig, ze hadden blonde kuiven en brutale ogen. Net als jonge paarden hield men ze moeilijk in bedwang. De oudste was een meisje, gelukkig groot van stuk. Ze leek soms op een molen, wanneer ze wiekend met haar armen de wilde broers op afstand hield. De benjamin, een zacht nakomend kind, hield veeleer van muziek dan van het boerenleven.

De Jongen was de middelste, de nummer drie. Aan hem was niks bijzonders. Behalve wanneer de anderen vochten, dan nam hij zijn positie in … hij sprong er altijd tussenin.

Oorlog

Er kwam die oorlog, die een gat sloeg in het leven. Haast alles wat vanzelfsprekend leek, verdween. Er was te weinig eten en een vormeloze angst voor wat ging komen. De wilde broers vertrokken om te vechten. Niet dat ze wilden, maar het moest.

De Jongen kreeg verlof om thuis te blijven. Naar school ging hij allang niet meer. Hij molk de koeien en hielp de kalveren geboren worden. Zijn hart lag bij de jonge paarden. Die reed hij in en als de wind floot om zijn oren, voelde hij wat leven was.

De wilde broers keerden terug, met kerven in de ziel. De Jongen was intussen negentien.

Kolenboer

Klein van stuk was hij, de Jongen, maar zijn handen waren groot en sterk. Toen hij oud genoeg was, ging hij trouwen en werd kolenboer. Weet iemand nog hoe zwaar dat werk is? Zwart zag hij op alle dagen, behalve zondag. Zijn gezicht, zijn haar, zijn grote handen. Zakken is een werkwoord. Is er iemand die dat nog weet? Hij zakte de kolen in grote jute zakken van een halve mud. Nootjes III, IV en V, briketten, antraciet. Hij laadde ze op zijn Chevrolet en bracht ze bij de mensen. Opladen, afladen, sjouwen en dan weer door.

Vaak floot de Jongen terwijl hij werkte. Dat kwam, hij had plezier. Hij bracht de mensen iets belangrijks. Brandstof en een praatje. Vaak kreeg hij koffie aangeboden, die dronk hij schielijk en met dankbaarheid. Hij kende ze, de mensen. Hij wist waar verdriet was, wie arm was en wie rijk.  Soms leverde hij zijn kolen op de pof. Of – als het niet anders kon – voor kostprijs of voor niks.

Van altijd

Hij had een vrouw die van hem hield en kreeg pas laat een dochter. Het meisje kreeg de kansen die hij niet had gehad.

De Jongen was niet geschoold en las geen boeken. Maar wat hij wist, is van altijd. Hij wist dat alle mensen anders maar gelijk zijn. En dat altijd alles stroomt. Dat zonder pijn geen vreugde is. En tijd geduld beloont. Hij wist alles van vergeven. Dat winst veel weg heeft van verlies. Hij, de middelste. De nummer drie.

Zijn dochter kon – gelijk zijn broers – soms driftig zijn. Hij liet haar gaan, hij ving haar op en zei met zachte ogen: “Kind, het is niet erg je hoofd te buigen.”

De Jongen – mijn vader – leerde me meer dan duizend boeken, terwijl hij noch ik dat wisten, toen.

Jij bent toch advocaat?

11 november 2017 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Jij bent toch advocaat?

Jij bent toch advocaat?

Onlangs zat ik op een terras. Nazomer. Relaxmomentje. De eigenaar van het koffiehuis komt vragen wat ik wil drinken. Zelfde als altijd? Ja, een cappuccino graag. Hij en ik maken soms een praatje. Dit praatje loopt anders. Terwijl hij al wegloopt draait hij zich om: “Zeg, jij bent toch advocaat?” En zonder het antwoord af te wachten: “Mensen doen tegenwoordig niks anders als scheiden. En de enigen die er rijk van worden zijn advocaten en rechters.”

Pardon?

Ik frons. Half lachend: “Nou, dat geldt niet voor mij, hoor.” Maar hij hoort me niet, hij praat. Hij heeft een beeld. Zoals wel meer mensen dat hebben. Van advocaten, rechters, politici, die vooral hun eigen financiële belangen behartigen.

Ik hoor zijn tirade aan. En denk: hij moest eens weten …

Onderbetaald

Hij moest eens weten dat advocaten die zaken doen op basis van een toevoeging, al jaren zwaar worden onderbetaald. Zeker in het familierecht staat de beloning in geen enkele verhouding tot de hoeveelheid werk die de advocaat moet doen.

Hij moet ook weten dat verreweg de meeste van die advocaten – is mijn ervaring – niet beknibbelen op de uren in een zaak. Ze maken zich er niet met een jantje-van-leiden vanaf. Ze zijn betrokken, knokken voor elke cliënt.

Maatschappelijke functie

Mijn praktijk bestaat voor ongeveer de helft uit toevoegingen. Waarom ik die zaken doe? Simpel. Omdat ik vind dat iedereen, of hij nou veel of weinig verdient, recht heeft op goede rechtsbijstand. Omdat ik vind dat het hoort bij de maatschappelijke functie die je hebt als advocaat, bij het procesmonopolie dat de wet ons geeft. Duur gezegd: noblesse oblige. Een kwestie van idealen ook.

Maar dan de praktijk.

Praktijk

Met een gemiddelde echtscheiding ben je als advocaat als snel twintig tot vijfentwintig uur bezig, met soms uitschieters naar boven. Hoe dat kan? Eenvoudig. De ‘gemakkelijke’ scheidingen worden via mediation geregeld. De moeilijke zaken met veel conflicten en hoogoplopende emoties, komen uiteindelijk bij een advocaat terecht.

De vergoeding per toegevoegde zaak houdt daar totaal geen rekening mee.

Concreet: voor een echtscheiding op toevoegingsbasis krijgt de advocaat een vaste vergoeding van de overheid, te weten tien uren à € 105,61 bruto per uur. Vertaald naar het werkelijk aantal uren verdient de advocaat dus zo’n € 45 bruto per uur. Let wel: daar moeten alle praktijkkosten (denk aan huisvesting, ICT, opleiding, abonnementen, verzekeringen, personele ondersteuning) én de inkomstenbelasting nog vanaf. Ronduit geestig is ook de kilometervergoeding voor reizen naar de rechtbank: € 0,09 per km.

De gevolgen laten zich raden.

Gevolgen

Als mijn familiepraktijk alleen uit toevoegingen zou bestaan, zou ik beter ander werk kunnen gaan doen.

Ik ben noodgedwongen selectief geworden in het aannemen van toevoegingszaken. Met pijn in het hart, want het voelt niet goed om mensen weg te sturen.

Ik moet bezuinigen op zaken die mij ontlasten, zoals secretariële ondersteuning.

En last but not least, de cliënten die mijn werk zelf moeten betalen subsidiëren feitelijk voor een stukje de toevoegingspraktijk. Ofwel ik zou een nog lager uurtarief voor betalende cliënten kunnen hanteren, als de toevoegingsuren fatsoenlijk vergoed zouden worden.

Politiek

Het onderwerp staat op de politieke agenda. Onlangs kwam de commissie Van der Meer met haar eindrapport. Daaruit bleek, ik citeer: ‘Het stelsel vertoont ernstig achterstallig onderhoud. De bekostigingsnormen per zaak zijn circa 20 jaar oud en niet meer ‘bij de tijd’. Advocaten besteden gemiddeld veel meer tijd aan hun zaken dan zij krijgen vergoed. Het door de regering als redelijk genormeerde jaarinkomen is daardoor binnen het huidige stelsel niet haalbaar.’

Globaal genomen krijgen advocaten voor de helft (!) van de gewerkte toevoegingsuren niet betaald. Voor insiders niet verrassend natuurlijk.

Het punt is, je kunt dit allemaal wel leuk laten onderzoeken, maar tot nu toe heeft de overheid steeds gezegd ‘er komt geen geld bij, er gaat hooguit af’.

Investeren

Het is oneindig belangrijk dat mensen vertrouwen houden in het functioneren van ons ingewikkelde rechtssysteem. Dat ze – als niks anders werkt – de rechter kunnen vragen om een beslissing te nemen.

Ik snap heel goed dat het ook oneindig lastig is om een goed functionerend systeem te bedenken. Het perfecte systeem bestaat niet. Er zullen altijd mankementen en ‘perverse prikkels’ zijn.

Maar feitelijk is er geen keus: de overheid moét investeren in wat heet de toegang tot het recht.  Een fatsoenlijke beloning voor de mensen die het werk doen, hoort daar gewoon bij.

Cappuccino

Tegenwoordig informeer ik een cliënt niet alleen over wat vanuit zijn perspectief belangrijk is – de hoogte van de eigen bijdrage – ik vertel ook over de vergoeding die de advocaat per zaak ontvangt. Zodat men snapt dat ik zo efficiënt mogelijk moet werken en (helaas!) weinig tijd aan aanpalende (sociale en emotionele) problemen kan besteden.

Mijn ervaring is trouwens dat die informatie altijd nieuw is. Ik denk dat de meeste mensen geen flauw idee hebben van de beloningsperikelen in de gefinancierde rechtspraktijk.

Zo ook de eigenaar van het koffiehuis. Met hem en mij kwam het trouwens goed. Gelukkig maar, want zijn de cappuccino is heerlijk.

Mijn ex is een narcist

17 oktober 2017 familierecht, Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Mijn ex is een narcist

Mijn ex is een narcist

Als sprake is van een vechtscheiding, claimt de ene partij vaak dat de ander psychisch niet spoort. En vice versa. Gezien de hevigheid van de strijd is dat niet vreemd. Wel opmerkelijk is dat de kwalificatie narcisme daarbij zo vaak voorkomt.

Een veelgehoorde uitspraak: ‘Mijn ex is echte narcist.’

Ik ben me gaandeweg gaan afvragen: hoe komt het dat we de term narcisme pakweg twintig jaar geleden nauwelijks hoorden, terwijl die nu gemeengoed lijkt geworden? Met als startvraag natuurlijk: wat is narcisme nou eigenlijk precies?

Als je googelt op narcisme krijg je een eindeloze lijst met zoekresultaten: hoe herken je een narcist, omgaan met een narcist, de 21 kenmerken van narcisme, scheiden van een narcist, en natuurlijk ‘narcisme: doe de test’. Nota bene de Amerikaanse president kreeg – zij het op afstand – de diagnose ‘kwaadaardig narcisme’.

Narcisme is hot, zoveel is zeker.

Wat is narcisme?

De psychologie heeft hier wel een verklaring voor. Verhelderend is het verhaal van dr. Sander Thomaes, docent ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht. Thomaes doet al jaren onderzoek naar narcisme. Hij vertelt wat narcisme is en verklaart waarom wij, in de Westerse samenleving, de laatste decennia massaal narcistischer zijn geworden.

Het verhaal van Thomaes begint met een vraag: welk woord leren kinderen van nu als eerste wanneer ze naar school gaan? Het antwoord  is: ik. Terwijl vroeger alles begon met aap, noot, mies.

Narcisme is – samengevat – het hebben van een opblazen zelfbeeld, het idee uniek te zijn en uit te steken boven de rest. De narcistische mens wil constant waardering en applaus. En heeft weinig empathie voor anderen.

Narcisme is er in allerlei gradaties. Veel mensen hebben ergens wel een narcistisch trekje. Aan de andere kant van het spectrum staat de narcistische persoonlijkheidsstoornis: de narcistische trekken zijn dan zo dominant aanwezig dat iemand niet normaal kan functioneren en telkens problemen heeft met relaties, werk en sociale contacten.

Individualisering als oorzaak

Narcisme zit voor een deel in iemands karakter. Maar omgeving en opvoeding spelen ook een belangrijke rol. Volgens Thomaes is het vooral de individualisering van de Westerse maatschappij die ons narcistischer heeft gemaakt. Het tijdperk I, me and myself.

Onderzoek toont dat ook aan. In de US hebben psychologen sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw vragenlijsten aan jonge mensen voorgelegd. Op de vraag ‘vindt u zich een belangrijk persoon?’ antwoordde twaalf procent in 1950 met ja. Nu is die score tachtig procent! In Nederland zijn de resultaten vergelijkbaar.

Onze focus op het ik, het individuele, kan leiden tot een opvoedstijl die ouderlijke overwaardering wordt genoemd. We zijn onze kinderen gaan beschouwen als uniek, bijzonder. En plaatsen hen daardoor op een voetstuk. Het gevolg is een heleboel potentiële narcistjes, een legioen prinsjes en prinsesjes die later moeite krijgen met het waarmaken van hun uniciteit.

Doorgeschoten individualisering

Narcisme is dus deels doorgeschoten individualisering. Een te dominante focus op zelfontplooiing en autonomie, terwijl traditionele instituties als kerk en gezin juist aan belang hebben ingeboet.

De individualisering leidde ook tot een sterke toename van het aantal echtscheidingen. Waarschijnlijk is het niet verwonderlijk dat juist conflictscheidingen regelmatig leiden tot verwijten (soms over en weer) van narcistisch gedrag. De onderliggende emotie is dat de partners elkaar volledig zijn kwijt geraakt. Men voelt zich niet gezien, niet gehoord, en is ervan overtuigd dat de ander met maar één ding bezig is: zichzelf.

Balans

Aristoteles zei het al: de deugd is het midden tussen twee extremen. Hoe mooi zou dat zijn, een balans vinden tussen ik en samen, tussen vrijheid en saamhorigheid. De tegenbeweging is natuurlijk allang aan de gang. Sinds de financiële crisis, is er een ‘participatiemaatschappij’. We hebben buurtapps, broodfondsen en rouwen hartstochtelijk collectief bij rampspoed.

Wat naadloos bij deze beweging past, is een trend die steeds zichtbaarder wordt: als mensen willen scheiden, gaan we ze eerst helpen om bij elkaar te blijven in plaats van meteen de scheidingsknoop door te hakken.

Samenleven is geven en nemen. In tijden van welvaart kun je zomaar een beetje vergeten hoe dat moet.


Bronnen:

De presentatie van dr. Sander Thomaes (Betweterfestival 2016, ‘Zijn er tegenwoordig meer narcistische mensen dan vroeger?) wordt aanboden op de website van Studium Generale van de Universiteit Utrecht, https://www.sg.uu.nl/videos/de-narcistische-mens

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/02/01/psychologen-trump-lijdt-aan-kwaadaardig-narcisme-6501160-a1544013

http://www.hpdetijd.nl/2015-03-12/zo-krijgt-u-een-narcistisch-kind/

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/10/07/scheiden-is-slecht-niet-alleen-voor-u-13347105-a1576331

Foto: schilderij van de Italiaanse kunstschilder Caravaggio, gemaakt tussen 1598 en 1599, 110 x 92 centimeter groot. Het toont Narcissus, een figuur uit de Griekse mythologie, die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld.

 

Partneralimentatie en kindgebonden budget

13 augustus 2017 Hedy Bollen Reacties uitgeschakeld voor Partneralimentatie en kindgebonden budget

Kortsluiting bij partneralimentatie en kindgebonden budget

Wij mensen maken het recht. Het recht is er om ons te dienen, nietwaar?

Toch is er steeds vaker iets vreemds aan de hand. Het recht gedraagt als een enorm uitdijend netwerk dat bezig is zijn eigen leven te gaan leiden. Wanneer ergens in de kluwen een schakeltje wordt omgezet, kan elders zomaar kortsluiting ontstaan.

Neem het dossier alimentatie en kindgebonden budget. Een minidrama in vogelvlucht.

De aanleiding

Een paar jaar geleden besloot de overheid de kindregelingen te vereenvoudigen. Een aantal ervan werd afgeschaft. In de plaats daarvan werd o.a. het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders fors opgehoogd. Het kindgebonden budget (kgb) is een netto toeslag op het inkomen, net als de huurtoeslag en zorgtoeslag.

Mooi zou je zeggen, elke vereenvoudiging is welkom. Klopt, ware het niet dat niemand van tevoren had bedacht dat deze vereenvoudiging elders in het netwerk kortsluiting zou veroorzaken en wel bij het berekenen van alimentatie … een onderwerp dat toch al standaard voor hoofdbrekens zorgt.

Kinderalimentatie en kindgebonden budget

De problemen begonnen bij de kinderalimentatie. Bij de berekening daarvan kijk je altijd eerst: hoeveel kosten de kinderen [i]?Dat bedrag is de maximale alimentatie. De vraag die met de introductie van het hoge kindgebonden budget opkwam: moest je nou dat hele kgb, oplopend tot wel € 450 per maand, beschouwen als een potje om de kosten van de kinderen mee te betalen? Anders gezegd: verminderde dat hoge kgb 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie? Een ‘ja’ zou betekenen dat alleenstaande ouders met een hoog kgb plotseling veel minder kinderalimentatie zouden krijgen.

De Trema-normen, intussen aangepast aan gewijzigde kindregelingen, zeiden: ja, het kgb is er om de kinderkosten mee te betalen en vermindert dus 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie. Gevolg was dat veel alimentatiebetalers, doorgaans vaders, naar de rechter stapten om de alimentatie te laten verlagen. Aanvankelijk met succes.

Maar hier werd al snel een stokje voor gestoken. Veel rechters en advocaten meenden dat dit niet de bedoeling kon zijn. Want terwijl het inkomen van een alleenstaande ouder nauwelijks was gewijzigd (het hoge kgb kwam immers in de plaats van andere voordelen) ging de kinderalimentatie opeens omlaag, soms wel met een paar honderd euro per maand. Gevolg was dat sommige rechters de Trema-normen links lieten liggen. Ze gingen verschillend oordelen, de een deed zus, de ander zo. Verwarring alom.

Hoge Raad I

Er zat niks anders op dat de principiële vraag voor te leggen aan ons hoogste rechtscollege. De Hoge Raad antwoordde snel en duidelijk: het kgb is bedoeld als inkomensondersteuning. Daarom telt het bij de berekening van kinderalimentatie mee als inkomen bij de alimentatieontvanger en kan het voor allerlei kosten (zoals eten, drinken, wonen) worden gebruikt en is het niet alleen bestemd voor de kosten van de kinderen. Ergo: het kgb vermindert niet 1-op-1 de aanspraak op kinderalimentatie.

Dit was een uitspraak die iedereen wel kon begrijpen. Reuze vervelend alleen dat nogal wat alimentatiebetalers opnieuw naar de rechter of mediator moesten om de eerder te laag vaststelde alimentatie te laten wijzigen.

Partneralimentatie en kindgebonden budget

Was toen alles opgelost? Nou nee, want toen kwam de volgende vraag, en wel een die veel weg had van de vorige. Dat zit zo. Het kan zijn dat degene die aanspraak heeft op kinderalimentatie – meestal de vrouw – een hoger bedrag aan kgb ontvangt dan haar aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt (dit is af te lezen uit de berekening van kinderalimentatie). De vraag is dan: als je vervolgens de partneralimentatie berekent, telt dit surplus aan kgb dan mee als inkomen van de ontvanger, waardoor de aanspraak op partneralimentatie minder wordt? Of moet je het kgb helemaal buiten beschouwing laten, omdat het voor de kinderen is bestemd?

Opnieuw een periode van onzekerheid: de ene rechter oordeelde zus, de ander zo. Daarom werd ook deze vraag in aller ijl voorgelegd aan de de Hoge Raad, die op 7 juli jl. antwoord gaf. Een antwoord dat allesbehalve verlossend lijkt.

Hoge Raad II

Wie had gedacht dat de Hoge Raad in lijn met zijn uitspraak over de kinderalimentatie zou zeggen: ‘het kgb is een inkomensondersteunende maatregel en dus telt het surplus mee als inkomen van de alimentatieontvanger’, die komt bedrogen uit. De Hoge Raad constateert dat het bedrag aan kgb afhangt van het inkomen van degene die er recht op heeft en dat dit inkomen onder meer bestaat uit …. juist ja, partneralimentatie. Ofwel hoe meer alimentatie iemand krijgt, hoe lager de aanspraak op kgb. En daar zit volgens de Hoge Raad de crux: het is niet de bedoeling om de overheid op kosten te jagen daar waar een ex-partner ook ruimte heeft om te betalen. Zo is het ook bij de zorg- en huurtoeslag, die tellen ook niet mee als inkomen bij het berekenen van alimentatie [ii].

Dit alles leidt tot de wonderlijke slotsom dat bij kinderalimentatie het kgb wordt gezien als inkomen van de alimentatieontvanger om de alimentatie zo hoog mogelijk te krijgen, terwijl bij partneralimentatie het surplus aan kgb opeens geen inkomen meer is om precies dezelfde reden. Bovendien – en nu wordt het bont – geldt dit volgens de Hoge Raad zelfs wanneer de alimentatieontvanger uiteindelijk meer te besteden heeft dan de betaler, omdat deze anders indirect toch zou meeprofiteren van het kgb. Met andere woorden: ook bij de zgn. jusvergelijking telt het kgb niet mee als inkomen.

(Als u het niet meer begrijpt, geen zorg, u bent in goed gezelschap …)

Onlogisch

De uitkomst van Hoge Raad II is onlogisch.

Ten eerste. De afgeschafte alleenstaande ouderkorting – een korting op de inkomstenbelasting – telde logischerwijs mee bij het inkomen van de partneralimentatieontvanger [iii]. Waarom het hoge kgb dat hiervoor in de plaats in gekomen dan niet? Of is dit ‘gewoon’ de bijvangst (leuk voor de overheid) van de operatie vereenvoudiging-kindregelingen?

Ten tweede. Zoals gezegd kan het kgb meer bedragen dan de ontvanger kwijt is aan kinderkosten [iv]. Maar bij de berekening van partneralimentatie wordt dat restdeel gewoon weggegumd. Dat klopt toch niet? Nee hoor, zegt de Hoge Raad, zo moet je dat niet zien: kinderkosten worden immers forfaitair (Nibud) berekend en kunnen dus in werkelijkheid hoger zijn. Jaha, zo kan ik het ook. Dat is wat je noemt tussentijds de spelregels veranderen. We berekenen de kinderkosten altijd forfaitair, maar uuh nu even niet …

Echt oneerlijk wordt het wanneer de alimentatieontvanger onder de streep meer overhoudt dan de betaler en het kgb-surplus niet in de jus mag worden gebruikt.

De praktijk

Grote praktische vraag is natuurlijk: in hoeveel gevallen speelt deze partneralimentatie-problematiek eigenlijk en wat zijn dan de financiële consequenties per geval? Ik weet het niet, maar het kan zijn dat we bezig zijn ons het hoofd te breken over moeilijke theorie, terwijl het in werkelijkheid weinig zal voorkomen dat een surplus aan kgb tot een lagere partneralimentatie leidt. En – mocht dat al zo zijn – dat het gaat om kleine bedragen gaat. Best mogelijk dat een heel leger juristen bezig is na te denken over een probleem waarvan we de (financiële) impact niet kennen, een impact die misschien gering is.

Vertrouwen

Punt is – en dan zijn we terug bij af – dat niks van dit alles van tevoren bedacht, laat staan zo bedoeld is. Dit hele gedoe is louter en alleen het onbedoelde gevolg van een herschikking elders in het systeem van regels. Beangstigend als je er over nadenkt. Want behalve dat het mensen boos maakt en op kosten jaagt, holt het uiteindelijk ons vertrouwen in het recht uit. Terwijl juist vertrouwen de brandstof is van het hele systeem.


Naschrift: zie ook het blog Alimentatie en de f(r)ictie van de toeslagen. Ook de huur- en zorgtoeslag tellen sinds jaar en dag niet mee als inkomen aan de kant van de alimentatieontvanger. Wanneer er daarnaast ook een substantieel surplus aan kindgebonden budget is, kan er zomaar zo’n € 600 netto per maand buiten de berekening blijven.

[i] Voor de kinderkosten zijn Nibudtabellen: afhankelijk van de hoogte van het gezinsinkomen laten de tabellen zien hoeveel een kind gemiddeld per maand kost.

[ii] Al in 1995 besloot de Hoge Raad dat de huur- en zorgtoeslag niet meetellen als inkomen bij de alimentatiegerechtigde, omdat deze toeslagen van ‘aanvullende aard’ zijn. Ook hier is de redenering: als de alimentatieplichtige ruimte heeft om te betalen, is het niet aan de overheid om dat te doen. De huur- en zorgtoeslag tellen wel mee bij de jusvergelijking.

[iii] Voor werkenden gold de alleenstaande ouderkorting. Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering kregen een toeslag op de uitkering. In beide gevallen telde die korting resp. toeslag als inkomen mee bij de partneralimentatie.

[iv] Voor een geval waarbij het kgb hoger was dan het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen zie bijv. deze casus die speelde bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.